RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/714543 / KG ZA 26-127
Vonnis in kort geding van 27 maart 2026
in de zaak van
[naam vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
tegen
[naam man] ,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met bijlagen van de man van 12 februari 2026;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 5 maart 2026;
de conclusie van antwoord in reconventie met bijlage van de man, ingekomen op 10 maart 2026.
De zaak is behandeld op 16 maart 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] .
De minderjarige heeft op 16 maart 2026 met de voorzieningenrechter gesproken. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, aan welke relatie een einde is gekomen.
Dit kort geding heeft betrekking op de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
3. Het geschil in conventie en reconventie
De vrouw vordert in conventie vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort, de toevertrouwing van [voornaam minderjarige 1] aan haar, om vervangende toestemming voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op de middelbare school [naam school 1] te Rotterdam en om de man te bevelen tot afgifte van het paspoort van [voornaam minderjarige 1] .
De man voert verweer. Hij vordert, samengevat, in reconventie:
de toevertrouwing van [voornaam minderjarige 1] aan hem, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw daar niet aan voldoet;
een specifieke regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen [voornaam minderjarige 1] en de vrouw vast te stellen als [voornaam minderjarige 1] aan hem wordt toevertrouwd. In het geval dat [voornaam minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw, dan vordert de man (primair en subsidiair) een specifieke zorg-, feestdagen- en vakantieregeling met hem vast te stellen;
de vrouw te bevelen mee te werken aan de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op de middelbare school [naam school 2] te Rozenburg, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de vrouw daar niet aan meewerkt en om hem vervangende toestemming te geven om [voornaam minderjarige 1] zo nodig uit te schrijven van [naam school 1] en haar in te schrijven bij de [naam school 2] .
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Wegens de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna samen worden beoordeeld.
Paspoort [voornaam minderjarige 2]
De vrouw heeft haar vordering om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een paspoort voor [voornaam minderjarige 2] , ingetrokken. De voorzieningenrechter wijst deze vordering dan ook af.
Achtergrond vorderingen met betrekking tot [voornaam minderjarige 1]
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is het volgende gebleken. [voornaam minderjarige 1] woonde tot haar negende jaar in Nederland. Daarna woonde zij met instemming van beide partijen vanaf juli 2021 bij haar grootvader vaderszijde op Curaçao. Begin augustus 2025 is [voornaam minderjarige 1] weer naar Nederland gekomen. Aanvankelijk woonde zij bij de man, maar op 18 december 2025 heeft de vrouw zonder overleg met de man [voornaam minderjarige 1] van school opgehaald, nadat zij volgens de vrouw had aangegeven niet langer bij de man te willen blijven wonen. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige 1] bij de vrouw en heeft zij de man niet meer gezien. In de tussentijd is er tussen partijen steeds geen contact geweest. Enige weken geleden heeft de vrouw zonder toestemming van de man [voornaam minderjarige 1] ingeschreven bij [naam school 1] , een middelbare school bij haar in de buurt.
De vorderingen van de vrouw zien erop de huidige situatie voorlopig te bestendigen, terwijl de vorderingen van de man erop zijn gericht om de oude situatie waarbij [voornaam minderjarige 1] bij hem woont, te herstellen.
Voorlopige hoofdverblijfplaats [voornaam minderjarige 1]
De vrouw vordert om [voornaam minderjarige 1] aan haar toe te vertrouwen. Die terminologie ziet echter op voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedures. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering zo dat die ziet op het bepalen van de voorlopige hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] . In lijn met het advies van de raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat [voornaam minderjarige 1] behoefte heeft aan rust. Door de wisselingen in haar woonplaats, is er veel onrust in haar leven geweest. Uit het kindgesprek met [voornaam minderjarige 1] is gebleken dat zij nu die rust ervaart. Met het oog daarop, acht de voorzieningenrechter het niet wenselijk om weer onrust te veroorzaken door [voornaam minderjarige 1] terug te laten gaan naar de man. Dat betekent dat de voorlopige hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] zal worden bepaald bij de vrouw.
De vordering van de man om de verhuizing van [voornaam minderjarige 1] naar de vrouw terug te draaien en [voornaam minderjarige 1] aan hem toe te vertrouwen (de voorzieningenrechter begrijpt: de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] voorlopig bij hem te bepalen), wordt daarom afgewezen.
Vervangende toestemming inschrijving school [naam school 1]
Voor wat betreft de school constateert de voorzieningenrechter dat [voornaam minderjarige 1] nu ingeschreven is bij de school in de buurt van de vrouw. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat de vrouw [voornaam minderjarige 1] niet zonder toestemming van de man op die school had mogen inschrijven, zeker omdat deze procedure bij de rechtbank aanhangig was, acht de voorzieningenrechter het niet in het belang van [voornaam minderjarige 1] om weer een wijziging hierin aan te brengen.
De vordering van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op [naam school 1] wordt afgewezen, omdat de juridische grondslag daartoe ontbreekt. Een vervangende toestemming zoals de vrouw vordert is geen veroordeling, gebod, verbod of schorsing die in kort geding kan worden gevorderd. Omdat ook de vorderingen van de man worden afgewezen, betekent het feitelijk dat [voornaam minderjarige 1] voorlopig op school [naam school 1] kan blijven. Het is aan partijen om in een bodemprocedure een verzoek in te dienen hieromtrent.
Afgifte paspoort [voornaam minderjarige 1]
Aangezien de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] voorlopig bij de vrouw is, acht de voorzieningenrechter het passend dat het paspoort van [voornaam minderjarige 1] op de plek is waar zij het meest verblijft en dat is bij de vrouw. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vrouw op dit punt dan ook toe.
Zorgregeling
Dat de hoofdverblijfplaats voorlopig bij de vrouw zal zijn, neemt niet weg dat weer contact tussen de man en [voornaam minderjarige 1] moet komen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een kader aangegeven voor afspraken waarin [voornaam minderjarige 1] vier weekenden op zaterdag van 9:30 uur tot 18:00 uur bij de man is en vanaf de vijfde week om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur. De voorzieningenrechter acht zo’n regeling in het belang van [voornaam minderjarige 1] en zal dit vaststellen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [voornaam minderjarige 1] behoefte heeft aan contact met haar vader. Wel heeft zij aangegeven dat zij wil dat de camera in haar slaapkamer wordt verwijderd en zij een huissleutel wil. De man heeft toegezegd dit te doen en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man die toezegging nakomt. Met de vrouw en de raad acht de voorzieningenrechter het wenselijk dat ook de twee andere kinderen van partijen bij de zorgregeling van [voornaam minderjarige 1] met de man aansluiten. Daartoe liggen echter geen vorderingen voor, zodat de voorzieningenrechter niet hierover kan beslissen.
Resumerend leidt het voorgaande ertoe dat:
in conventie:
de vordering van de vrouw over het paspoort van [voornaam minderjarige 2] vanwege de intrekking wordt afgewezen;
de hoofverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] voorlopig bij de vrouw wordt bepaald;
de vordering van de vrouw voor het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op de middelbare school [naam school 1] wordt afgewezen;
de vordering van de vrouw om de man te bevelen het paspoort van [voornaam minderjarige 1] aan haar af te geven, wordt toegewezen;
in reconventie:
de vordering van de man inzake de toevertrouwing van [voornaam minderjarige 1] aan hem wordt afgewezen;
er een voorlopige zorgregeling tussen de man met [voornaam minderjarige 1] wordt bepaald;
de vordering van de man voor het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving van [voornaam minderjarige 1] op de middelbare school [naam school 2] wordt afgewezen.
5. Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] voorlopig bij de vrouw zal zijn;
beveelt de man tot afgifte van het paspoort van [voornaam minderjarige 1] aan de vrouw;
bepaalt dat de voorlopige regeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en [voornaam minderjarige 1] als volgt is:
[voornaam minderjarige 1] verblijft vier weekenden op zaterdag van 9:30 uur tot 18:00 uur bij de man;
vanaf het vijfde weekend is [voornaam minderjarige 1] om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij de man;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.