RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraak van 26 maart 2026
In de zaak van
[verzoekster] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres te Rotterdam,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 26 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 maart 2026.
Ter zitting van 19 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft te maken gehad met een inkomstendaling, waardoor zij de huur niet kon betalen. Ze werkte voorheen bij de dierentuin, maar had daar wisselende diensten. Inmiddels werkt zij elders. Daar heeft ze wel een vast inkomen van € 910,14 per maand. Daarnaast is aanvullende bijstand toegekend en ontvangt verzoekster huurtoeslag en kindgebondenbudget. Het budgetplan is in balans en de huur kan met de huidige inkomsten worden voldaan, aldus schuldhulpverlening. Bovendien is verzoekster samen met schuldhulpverlening bezig met het opstarten van budgetbeheer.
3. Het verweer
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoekster heeft de huur van juni 2024 tot en met februari 2026 niet betaald. De huurachterstand is dan ook ontzettend hoog. Ook is de maandelijkse huur erg hoog gelet op de inkomsten van verzoekster. Uit de stukken volgt niet dat de huur betaald kan worden. Bovendien is de dagvaarding al in juni 2025 gestuurd, verzoekster had al eerder actie kunnen ondernemen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 4 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, met haar kinderen, in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur van de maand maart 2026 is voldaan. Bovendien heeft verzoekster voldoende inkomsten om de lopende termijnen te voldoen. Er is inkomen uit een PW-uitkering. Ook wordt er huurtoeslag en kindgebondenbudget ontvangen. Het budgetplan is in balans. Daarnaast is verzoekster, samen met schuldhulpverlening, voornemens om op korte termijn budgetbeheer op te starten. Daarmee zal ook gewaarborgd worden dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat verzoekster gelet op haar inkomsten een relatief hoge huur heeft. Hoewel de inkomsten en uitgaven op dit moment in balans blijken te zijn, geeft de rechtbank verzoekster in overweging om naar een goedkopere huurwoning uit te kijken.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 januari 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
27 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.