Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
[verzoekster]
,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verweerster.
1. De procedure
Verzoeksters heeft op 24 februari 2026 een verzoek met bijlagen ingediend, strekkende tot faillietverklaring van verweerster.
De heer [persoon A] , bestuurder van verweerster, heeft op 18 maart 2026 een e-mail aan de rechtbank gestuurd.
Verzoekster, bij monde van mr. K. Zwaaneveldt, is gehoord in raadkamer op 24 maart 2026.
Verweerster is ondanks oproeping op bij de wet voorgeschreven wijze niet verschenen.
Ter zitting heeft mr. Zwaaneveldt een oproepingsexploit en stukken met betrekking tot een (steun)vordering van de Staat overgelegd.
De rechtbank heeft het vonnis bepaald op heden.
2. Standpunten
Standpunt verzoekster
Verweerster drijft een onderneming, die onder de werkingssfeer van verzoekster valt en is zodoende onderworpen aan de vigerende werknemersregelingen en uit dien hoofde jegens verzoekster premieplichtig. Verweerster is in gebreke en in verzuim in de nakoming van haar verplichting tot het (tijdig en/of volledig) afdragen van de verschuldigde bijdragen. Vanwege dat verzuim maakt verzoekster ook aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en/of boete. Ter zake van twee facturen van 24 maart 2025 respectievelijk 24 april 2025 heeft verzoekster op 3 september 2025 een dwangbevel uitgevaardigd, uit hoofde waarvan zij pro resto opeisbaar van verweerster heeft te vorderen € 36.145,12. Ter zake van drie facturen verzonden in de periode 24 juni 2025 tot en met 25 augustus 2025 heeft verzoekster pro resto opeisbaar van verweerster te vorderen € 32.287,02. Ter zake van een factuur d.d. 27 oktober 2025 heeft verzoekster pro resto opeisbaar van verweerster te vorderen € 8.541,61. Aldus heeft verzoekster in totaal opeisbaar van verweerster te vorderen € 76.973,75.
Van verweerster is ondanks herhaalde incassopogingen geen volledige betaling te
verkrijgen. Verweerster laat meerdere schuldeisers onbetaald en verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen, zodat verzoekster gerechtigd is het faillissement van verweerster aan te vragen.
De turboliquidatie van verweerster gebeurde na indiening van het faillissementsverzoek, kennelijk om faillissement te vermijden. Verzoekster heeft geen informatie over baten van verweerster. De regel dat een verzoek tot faillietverklaring van een door turboliquidatie ontbonden rechtspersoon alleen kan worden toegewezen indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die de aanwezigheid van één of meer baten voldoende aannemelijk maken, geldt niet als de ontbinding plaatsvond na indiening van het faillissementsverzoek,
aldus steeds verzoekster.
Standpunt verweerster
De hierboven genoemde e-mail van 18 maart 2026 zijdens verweerster luidt:
‘Beste, de firma [verweerster] is op 9 maart j.l geliquideerd.
Met vr gr [verweerster] / [adres] / [postcode] [vestigingsplaats 3] ’.
3. De beoordeling
Niet in geschil, althans onbetwist, is dat verzoekster een opeisbare vordering op verweerster heeft verkregen terwijl verweerster meerdere schuldeisers onbetaald heeft gelaten en in de toestand is komen te verkeren van te hebben opgehouden te betalen en dat verweerster
– nadat onderhavig faillissementsverzoek werd ingediend – wegens een ontbindingsbesluit ex artikel 2:19 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW is opgehouden te bestaan.
Het maakt niet uit of het ontbindingsbesluit en/of de ontbinding voor dan wel na indiening van het faillissement gebeurde; In beide gevallen geldt dat het – volgens opgave van haar bestuur – ontbreken van baten teweegbrengt dat de rechtspersoon dadelijk ophoudt te bestaan, zodat vereffening achterwege blijft en aan een verzoek tot faillietverklaring niet wordt toegekomen, tenzij summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die de aanwezigheid van één of meer baten voldoende aannemelijk maken.
De rechtbank heeft geen enkel aanknopingspunt gekregen dat er baten zijn, zodat haar niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die de aanwezigheid van één of meer baten voldoende aannemelijk maken.
De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring daarom afwijzen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 26 maart 2026 gegeven door mr. E.A. Vroom, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Biezen, griffier.