Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 1] .
en
2. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 2] .
beiden gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
en
3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 3] .
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verzoeksters,
advocaat: mr. H.P. van der Veen.
strekkende tot faillietverklaring van:
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] .
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,
verweerster,
advocaten: mr. P.A. Josephus Jitta en mr. S. Boonstra.
1. De procedure
De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op 10 maart 2026.
Bij e-mailbericht van 9 maart 2026 hebben de advocaten van verweerster een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 10 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. De standpunten
Standpunt verzoeksters
Verzoeksters sub 1 en 2 hebben in hun verzoekschrift en ter zitting (samengevat) gesteld dat zij (hoofdelijk) uit hoofde van een verstekvonnis van 2 april 2025 een (restant)bedrag van verweerster te vorderen hebben van € 153.949,84 (begroot tot 1 februari 2026). Het betreft een vordering uit hoofde van schadevergoeding en niet-nakoming van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst. De machine (bliklijn) van verweerster is door natrekking eigendom geworden van [bedrijf X] . Omdat het een andere entiteit betreft dan verzoeksters, kan een eventuele vordering die verweerster uit ongerechtvaardigde verrijking zou hebben, niet worden verrekend met de vordering van verzoeksters.
Verzoekster sub 3 heeft uit hoofde van een openstaande factuur een bedrag te vorderen van € 6.011,52. Ter zitting is namens verzoekster sub 3 meegedeeld dat de hoofdsom is voldaan. De vordering is echter voldaan door een derde, zodat er mogelijk sprake is van een regresvordering. Bovendien staan de wettelijke rente en kosten nog open.
Verweerster laat daarnaast nog meerdere andere schuldeisers onbetaald, waaronder (naast vorderingen van Aircargo, Vitalon, EUSU Logistics en ABN AMRO) een vordering van de Belastingdienst van circa € 1,9 miljoen. Zij verkeert derhalve in de toestand van hebben opgehouden te betalen.
Standpunt verweerster
Verweerster betwist gemotiveerd de vordering van verzoeksters sub 1 en 2 en daarover loopt een (complexe) hoger beroepsprocedure. Verweerster heeft bovendien een tegenvordering die aanzienlijk hoger is dan de vordering van verzoeksters sub 1 en 2. Enerzijds in verband met een vergoeding die verschuldigd is voor het gebruik van de machine (bliklijn), die aan verweerster toebehoort en die verzoeksters sub 1 en 2 onder zich houden. Anderzijds moet (uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst) nog afgerekend worden over de omzet die verzoeksters sub 1 en 2 met deze machine hebben gerealiseerd. De vordering van verweerster uit hoofde van deze posten wordt thans begroot op
€ 1.400.000,-- . Ook dit is onderwerp van de aanhangige hoger beroepsprocedure.
Omdat verzoeksters sub 1 en 2 de aan verweerster toebehorende bliklijn nog steeds in hun bezit hebben en deze bliklijn naar de stellingen van deze verzoeksters al een waarde heeft van € 255.000,-- (en volgens verweerster ligt deze waarde nog veel hoger), hebben zij genoeg zekerheid voor hun vordering, voor zover zij überhaupt al een vordering op verweerster zouden hebben.
Er is daarnaast aanvullende zekerheid gesteld voor de openstaande vordering van verzoeksters door storting van een bedrag van € 160.000,- op de derdengeldenrekening van de advocaat van verweerster. De enig aandeelhouder van verweerster blijft bereid verweerster financieel te ondersteunen.
De factuur van verzoekster sub 3 is inmiddels voldaan. De steunvorderingen worden gemotiveerd betwist. Zo is er met ABN AMRO een vaststellingsovereenkomst gesloten waarna zij niets meer te vorderen heeft, heeft Vitalon slechts een vordering op een andere entiteit, wordt de vordering van Aircargo op inhoudelijke gronden betwist en heeft EUSU Logistics nooit kenbaar gemaakt dat en uit welke hoofde zij een vordering meent te hebben. Over de vordering van de Belastingdienst loopt een herzieningsprocedure (omdat er in de betreffende periode van de aanslagen geen omzet is gegenereerd).
Verzoekster maken voorts misbruik van recht; de procedure wordt niet ingezet om een vordering voldaan te krijgen maar slechts om de lopende procedure te doorkruisen.
3. De beoordeling
Beoordelingskader
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Niet summierlijk gebleken van een vorderingsrecht
Tijdens de behandeling van het faillissementsverzoek had na een kort, eenvoudig onderzoek van het vorderingsrecht van verzoeksters en de opeisbaarheid daarvan moeten blijken. De rechtbank stelt vast dat dat niet het geval is.
Tussen verzoekster sub 1 en 2 enerzijds en verweerster anderzijds is een hoger beroepsprocedure aanhangig, waarin de vordering van verzoeksters sub 1 en 2 en de mogelijke tegenvordering van verweerster onderwerp van geschil zijn. Verzoeksters sub 1 en 2 stellen dat de thans nog resterende vordering opeisbaar is, omdat het vonnis in eerste aanleg uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Verweerster voert in de hoger beroepsprocedure echter gemotiveerd verweer zodat de vordering van verzoeksters sub 1 en 2 nog niet onherroepelijk vaststaat.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de uitgewisselde stellingen bovendien niet voorshands onaannemelijk worden geacht dat verweerster een tegenvordering heeft die de vordering van verzoeksters sub 1 en 2 overstijgt. In eerste aanleg is reeds een tegenvordering toegewezen voor een vergoeding die verschuldigd is in verband met omzet die is gegenereerd met de bliklijn. Verweerster neemt in hoger beroep het standpunt in dat dat deze tegenvordering in werkelijkheid hoger zou moeten zijn en heeft in dit verband aanvullend feitenonderzoek verricht. Ook de verschuldigdheid van de gebruiksvergoeding is onderwerp van geschil in de hoger beroepsprocedure en daarover nemen partijen gemotiveerd stelling.
Voor nader onderzoek naar deze feiten, de over en weer ingenomen stellingen en de juridische betekenis daarvan – waaronder de door verzoeksters opgeworpen stelling dat de eigendom van de bliklijn door natrekking is overgegaan, en de vraag hoe dat doorwerkt in de vraag of en door welke entiteit een gebruiksvergoeding verschuldigd is – is in een faillissementsprocedure geen ruimte.
Op basis van summierlijk onderzoek kan op dit moment naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de betwisting van verweerster in de hoger beroepsprocedure zonder redelijke kans van slagen is en datzelfde geldt voor het verweer dat sprake is van een aanzienlijke, verrekenbare tegenvordering (die berust op meerdere grondslagen). Dit maakt dat de rechtbank op dit moment niet kan uitgaan van het vorderingsrecht van verzoekster sub 1 en 2.
Geen faillissementstoestand
Ter zitting is voorts gebleken dat de hoofdsom van de vordering van verweerster sub 3, van € 6.011,52, is voldaan. Dat betekent dat hooguit nog een beperkt en niet nader door verzoekster sub 3 gespecificeerd bedrag aan rente en kosten openstaat. Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat zij bereid en in staat is dat bedrag alsnog te voldoen.
Gebleken is voorts dat verweerster zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de betwiste vorderingen van verzoeksters sub 1 en 2 (en waar van toepassing: sub 3), door storting van een bedrag van € 160.000,- op de derdengeldenrekening van de advocaat van verweerster.
De rechtbank is van oordeel dat om die reden evenmin is komen vast te staan dat schuldenaar verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen.
Conclusie
Nu niet summierlijk gebleken is van het vorderingsrecht van verzoeksters sub 1 en 2 en er geen sprake is van een toestand van hebben opgehouden te betalen, laat de rechtbank de stellingen die over en weer zijn ingenomen over de steunvorderingen – die door verweerster overigens gemotiveerd zijn betwist – verder onbesproken
Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen.
Proceskosten
Verzoeksters zullen bij deze stand van zaken in de proceskosten worden veroordeeld. Hoewel in een verzoekschrift tot faillietverklaring vorderingen met hun waarde moeten worden vermeld, betreft een faillietverklaring een zaak van onbepaalde waarde. De advocaten van verweerster hebben en verweerschrift ingediend en de mondelinge behandeling bijgewoond. De proceskosten zullen dan ook worden vastgesteld op 2 punten maal tarief II in eerste aanleg = € 1.306,-- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven).
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 16 maart 2026 gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier.