Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83.208284.21 (ontneming)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres ] [postcode] [plaatsnaam],
raadsvrouw mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden.
1. Procedure
Na indiening van de vordering tot ontneming heeft de officier van justitie een conclusie van eis ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2025, 20 november 2025 en 10 maart 2026.
2. Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2026 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift in de periode van 14 februari 2019 tot en met 22 maart 2019 en voor het medeplegen van witwassen in de periode van 29 november 2020 tot en met 12 maart 2021. Dat vonnis is niet onherroepelijk.
3. Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. I. Hoek - zoals deze na wijziging op de zitting is komen te luiden - strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 1.523.300,00 en het bepalen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de veroordeelde en haar partner voor de gezamenlijke betalingsverplichting dan wel het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting van de veroordeelde te bepalen op € 866.664.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, derde lid Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en andere strafbare feiten.
4. Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen, omdat de veroordeelde geen voordeel heeft genoten uit enig strafbaar feit. Subsidiair dient het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde te worden vastgesteld op € 387.582,10. Daartoe is aangevoerd dat de vermogensvergelijking op punten moet worden aangepast en dat veroordeelde geen economische eenheid vormde met haar partner [medeveroordeelde], zodat van hoofdelijkheid geen sprake kan zijn.
Bij de beoordeling van de vordering wordt nader ingegaan op de door de verdediging gevoerde verweren.
5. Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde misdrijven heeft begaan die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Het is aannemelijk dat die misdrijven en andere strafbare feiten er toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport) is namelijk gebleken dat de veroordeelde en [medeveroordeelde] over onverklaarbaar vermogen hebben beschikt.
6. Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de methode van vermogensvergelijking. Daarbij wordt op basis van een beginvermogen, het eindvermogen en de legale inkomsten berekend welk bedrag beschikbaar is voor uitgaven. Door van het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van uitgaven de feitelijke uitgaven af te trekken, wordt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen zullen niet worden uitgewerkt, maar volstaan wordt met een samenvatting van de voor de schatting redengevende feiten en omstandigheden. De vindplaatsen daarvan worden in voetnoten vermeld.
Bij de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt de rechtbank het ontnemingsrapport en het vonnis in de strafzaak als uitgangspunt.
Op basis van het dossier en de behandeling op de zitting is de conclusie gerechtvaardigd dat de veroordeelde en [veroordeelde] gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van de strafbare feiten. De veroordeelde en [medeveroordeelde] voerden een gezamenlijke huishouding, waarbij [medeveroordeelde] in belangrijke mate voor inkomen zorgde en zij beiden van dit inkomen profiteerden.
Beginvermogen
Het beginvermogen wordt vastgesteld op € 53.599,05, bestaande uit het saldo op de Nederlandse bankrekeningen van [medeveroordeelde] en de veroordeelde (€ 2.667,05) op 1 januari 2019 en het door [medeveroordeelde] en de veroordeelde in de aangiften inkomstenbelasting van 2019 opgegeven saldo ‘overige vorderingen en contant geld’ (€ 50.932,00).
Volgens de verdediging is het berekende beginvermogen in het ontnemingsrapport onjuist, omdat geen rekening is gehouden met bankrekeningen uit Dubai.
De veroordeelde is naar het oordeel van de rechtbank hierdoor niet benadeeld omdat deze bankrekeningen in het geheel buiten beschouwing zijn gelaten. Bovendien heeft de veroordeelde niets overgelegd met betrekking tot deze rekeningen.
Legale inkomsten
Loon van de veroordeelde
De verdediging heeft gesteld dat als legale inkomsten van de veroordeelde de lonen dienen te worden meegenomen die door de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn opgegeven bij de Belastingdienst.
De bedragen die de veroordeelde heeft ontvangen van [bedrijf 2] worden door de rechtbank in de berekening niet als legale inkomsten meegenomen, omdat in het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat sprake was van een fictief dienstverband. Het bedrag dat de veroordeelde volgens haar bankgegevens van [bedrijf 1] heeft ontvangen wordt meegenomen als legaal inkomen (€ 7.610,13). Ten gunste van de veroordeelde wordt rekening gehouden met het loon dat [bedrijf 3] bij de Belastingdienst heeft opgegeven (€ 5.406,40), ook al zijn er geen salarisbetalingen van [bedrijf 3] op de bankrekening van de veroordeelde gezien.
Inkomsten Dubai
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er legale inkomsten waren in en vanuit Dubai, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.
Totaal
Het bedrag aan legale inkomsten wordt vastgesteld op € 44.326,04, bestaande uit € 13.016,53 aan loon voor de veroordeelde, € 19.154,93 aan loon voor [medeveroordeelde] en € 12.154,58 aan toeslagen.
Eindvermogen
Banksaldo
Het saldo op de Nederlandse bankrekeningen van de veroordeelde en [medeveroordeelde] bedroeg per 12 maart 2021 € 41.216,06. Dit bedrag is in de ontnemingsrapportage meegenomen als onderdeel van het eindvermogen. De verdediging heeft gesteld dat het saldo op de bankrekening van [bedrijf 3] hierop in mindering moet worden gebracht, omdat niet is gebleken dat er geen reële bedrijfsactiviteiten plaatsvonden binnen dat bedrijf.
Het saldo op de rekening van [bedrijf 3] wordt meegenomen in de berekening van het eindvermogen omdat de veroordeelde hierover kon beschikken, ongeacht op welke wijze dit vermogen is vergaard.
Contanten
Tijdens de doorzoeking van de woning van de veroordeelde en [medeveroordeelde] op 12 maart 2021 is een bedrag van € 45.670,00 aan contant geld aangetroffen. Dit bedrag wordt meegenomen in de berekening van het eindvermogen.
[adres ]
Op 22 maart 2019 heeft de veroordeelde de woning aan de [adres ] aangeschaft. De woning was op 12 maart 2021 nog in haar bezit. De WOZ-waarde is per 1 januari 2021 vastgesteld op € 325.000,00. Dit bedrag wordt meegenomen in het eindvermogen. De laatst bekende waarde van de hypothecaire lening bedroeg € 270.920 op 31 december 2021. Deze schuld wordt in mindering gebracht op het eindvermogen.
Vordering Debipersad
Tijdens de doorzoeking van de woning van de veroordeelde en [medeveroordeelde] is een schriftelijke schuldverklaring aangetroffen. Hierin staat dat [naam 1] en [naam 2] een schuld ter waarde van € 221.000 hebben aan [medeveroordeelde]. Alle drie betrokken partijen hebben de verklaring op 8 december 2020 ondertekend. [medeveroordeelde] heeft dus een vordering van € 221.000,00. Aangezien een vordering ook als vermogen kan worden beschouwd, wordt dit bedrag meegenomen in het eindvermogen. De alternatieve verklaring die [medeveroordeelde] voor deze schuldverklaring heeft gegeven, is niet onderbouwd.
Bank Dubai
In 2019 en 2020 is vanuit [bedrijf 4] een bedrag van € 593.044 overgemaakt naar
privébankrekeningen van [medeveroordeelde] en de veroordeelde in Dubai. Op dat bedrag is in het ontnemingsrapport een correctie gedaan van € 90.405,69 om dubbeltellingen te voorkomen vanwege een per bank betaalde aanbetaling voor een appartement in Dubai en een betaling voor de jeep, die per bank is gedaan.
Het standpunt van de verdediging dat dit bedrag niet bij het eindvermogen kan worden meegenomen omdat dit afkomstig is van de UWV-fraude wordt verworpen. De overboekingen hebben plaatsgevonden in de periode voor de periode waarover [medeveroordeelde] veroordeeld is voor witwassen van de opbrengst van de UWV fraude.
Het bedrag van € 502.638,31 wordt in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meegenomen als eindvermogen.
Totaal
Het eindvermogen per 12 maart 2021 wordt, conform het ontnemingsrapport, vastgesteld op:
Banksaldo € 41.216,06
Contant saldo € 45.670,00
Woning Brielselaan € 325.000,00
Hypotheek Brielselaan -/- € 270.920,00
Vordering Debipersad € 221.000,00
Bank Dubai € 502.638,31
Kaapverdië € 30.000,00
Totaal € 894.604,37.
Vervolgprofijt
In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is meegenomen de waardestijging van het pand [adres ]. De verdediging heeft gesteld dat de woning niet is verkregen door financiering uit illegale middelen, zodat het vervolgprofijt niet aan de orde is, subsidiair dat niet blijkt dat de “vergelijkbare woning”, waarop de waardestijging is gebaseerd, inderdaad vergelijkbaar is met de woning aan de Brielselaan.
Hierover overweegt de rechtbank dat in het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde valse documenten heeft gebruikt voor de aanvraag van de hypotheek, waardoor geen sprake is van een financiering uit legale middelen. Naar verwachting zou aan de veroordeelde ook geen hypothecaire lening verstrekt zijn wanneer zij die zonder de valse documenten had aangevraagd. De waardestijging van de woning is dan ook aan te merken als vervolgprofijt, waarmee rekening gehouden kan worden bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.. Het vervolgprofijt, dat bestaat uit de stijging van € 140.000 van de WOZ-waarde van de woning tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2025 dient te worden ontnomen. Die waardestijging blijkt uit de door de officier van justitie overgelegde WOZ-waarden.
Feitelijke uitgaven
Betaling [naam 3] Dubai
Op de telefoon van de veroordeelde is een verklaring van ene [naam 3] aangetroffen dat hij namens de veroordeelde omgerekend € 80.836 betaald heeft voor de aankoop van een appartement in Dubai door de veroordeelde. De rechtbank neemt dit bedrag ook mee als uitgave van de veroordeelde. Het appartement staat op haar naam en zij heeft niet uitgelegd wie [naam 3] is en waarom hij een aanbetaling voor haar appartement zou doen, zonder daarvoor gecompenseerd te worden.
Range Rover
Op 12 maart 2021 had de veroordeelde een Range Rover op haar naam geregistreerd staan. Uit het ontnemingsrapport blijkt dat de feitelijke uitgaven van de veroordeelde voor de aanschaf van deze auto minimaal € 51.923,00 moeten zijn geweest. Dit bedrag wordt daarom meegenomen als feitelijke uitgave. De verdediging heeft gesteld dat de veroordeelde bij de aanschaf een andere auto heeft ingeruild, maar dat is niet onderbouwd, zodat daaraan voorbijgegaan wordt.
Totaal
De totale waarde aan feitelijke uitgaven van [medeveroordeelde] en de veroordeelde in de periode van 1 januari 2019 tot en met 12 maart 2021 wordt vastgesteld op:
Designer items € 40.494,00
Contante uitgaven € 80.000,00
Appartement Dubai € 250.940.00
Range Rover € 51.923,00
Jeep € 38.039,18
Overige uitgaven € 130.225,09
Totaal € 591.621,75
Vermogensvergelijking
Het voorgaande leidt tot de volgende vermogensvergelijking:
Beginvermogen 1 januari 2019
€ 53.599,05
+
Legale inkomsten
€ 44.326,04
-
Eindvermogen 12 maart 2021
€ 894.604,37
-
Vervolgprofijt woning
€ 140.000,00
=
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
- € 936.679,28
-
Feitelijke uitgaven
€ 591.621,27
=
Wederrechtelijk verkregen voordeel
- € 1.528.300,55
Toepassing artikel 36e, negende lid, Sr
Artikel 36e, negende lid, Sr verplicht de rechtbank rekening te houden met in rechte toegekende vorderingen aan benadeelde derden voor zover deze zijn voldaan. De verdediging heeft gesteld dat de rechtbank rekening moet houden met de in de strafzaak tegen de veroordeelde toegewezen vordering benadeelde partij van het UWV. In dit geval heeft voor zover bekend nog geen betaling plaatsgevonden, zodat deze niet in mindering op het geschatte voordeel wordt gebracht.
Toerekening
Bij de schatting van het te ontnemen voordeel is het uitgangspunt dat de veroordeelde in de vermogenspositie wordt gebracht waarin zij verkeerde voor het plegen van de strafbare feiten en waaruit dat voordeel is genoten. Gelet hierop dient bij de bepaling van dat voordeel te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald.
Gebleken is dat de veroordeelde en [medeveroordeelde] samen door middel van en uit de baten van strafbare feiten wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Zij hebben gezamenlijk over dat volledige wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen beschikken. De wettekst zoals deze tot 1 januari 2026 gold, biedt bij een ontneming die gebaseerd is op het derde lid van artikel 36e, waarvan in deze zaak sprake is, echter geen mogelijkheid tot het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting. Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom in gelijke delen aan de veroordeelde en [medeveroordeelde] toegerekend, namelijk ieder een bedrag van € 764.150,27.
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 764.150,27. Dit voordeel dient de veroordeelde te worden ontnomen.
7. Vaststelling van de betalingsverplichting
Inleiding
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak geldt het volgende.
Vermindering betalingsverplichting
De rechtbank is bevoegd om ook buiten toepassing van artikel 36e, negende lid, Sr het te betalen bedrag te verminderen met een toegewezen vordering van een benadeelde derde of opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank ziet echter geen reden om deze bevoegdheid in deze zaak toe te passen.
Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. In verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel zal de waarde van de in de strafzaak verbeurdverklaarde geldbedragen – ook al is deze verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk – in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting.
Uit het vonnis in de strafzaak blijkt dat twee geldbedragen van € 21.500,00 en € 24.170,00 verbeurd zijn verklaard. Dat betekent dat het door de veroordeelde aan de staat terug te betalen bedrag wordt verminderd met een bedrag van € 45.670,00.
Verweer overschrijding van de redelijke termijn
De verdediging heeft bepleit dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
De redelijke termijn voor een ontnemingsprocedure is in beginsel twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak. Het vonnis tegen de veroordeelde is van 24 maart 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is geschonden.
Conclusie
Aan de veroordeelde zal de verplichting worden opgelegd om een bedrag van € 718.480,27 aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
8. Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Sv zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.
De rechtbank hanteert de volgende staffel om de duur van de gijzeling vast te stellen:
Het aantal dagen gijzeling in deze zaak zal daarom worden vastgesteld op 738 dagen (voor de eerste € 500.000,- 720 dagen plus 18 dagen voor de resterende € 218.480,27 (218.480/4.500.000 X 360)).
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 764.150,27 (zegge: zevenhonderdvierenzestigduizend honderdvijftig euro en zevenentwintig eurocent);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 718.480,27 (zegge: zevenhonderdachttienduizend vierhonderdtachtig euro en zevenentwintig eurocent) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 738 dagen (zegge: zevenhonderdachtendertig dagen);
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en L.F.M. Venderbos, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 31 maart 2026.