Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 71-071578-24
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum zitting: 25 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J. Donze
Officier van justitie: mr. V.T.R.W. van Thiel
Kern van het vonnis
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het als ambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie opzettelijk verduisteren van geld dat zij in haar bediening onder zich had. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij - samengevat - als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie geld heeft verduisterd, dan wel dat zij als ambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie geld heeft gestolen en daarbij haar ambt heeft misbruikt.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
zij op of omstreeks 11 oktober 2022, te Amsterdam,
meermalen, althans eenmaal,
als ambtenaar, te weten als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie, (telkens) opzettelijk geld en/of geldswaardig papier, dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd of heeft toegelaten dat het door een ander werd weggenomen of
verduisterd, door tijdens de doorzoeking van een bedrijfspand, geld(biljetten), ter waarde van ongeveer 205 euro,
dat geheel of ten dele aan [bedrijf X] . en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n),
uit een zich in dat bedrijfspand bevindende doos en/of jas te halen en vervolgens in haar kleding te stoppen, althans dit geld weg te nemen en het op een andere plaats te verbergen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 11 oktober 2022, te Amsterdam,
meermalen, althans eenmaal,
één of meerdere geldbedragen, te weten ongeveer 205 euro, in elk geval enig goed,
dat geheel of ten dele aan [bedrijf X] . en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n)
heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl zij, als ambtenaar, te weten als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie, door het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel haar door haar ambt geschonken.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie geld heeft verduisterd.
De bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Tijdens de doorzoeking op 11 oktober 2022 heb ik op drie momenten geld gepakt. Ik heb geld gepakt uit de Snickerdoos, uit de jaszak en uit witte enveloppen. Dat is niet op de beelden te zien. Ik ben de enige geweest die toen daar is geweest. Ik weet heel goed wat ik daar heb gedaan. Het geld uit de jaszak was privégeld. Uit de enveloppen ook. Het was privégeld en zou niet in beslag worden genomen. Van het geld uit de Snickerdoos was dat mij niet helder.
2. Verklaring van de aangever [aangever]Ik ben als bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf X] . (hierna: [bedrijf X] ) gerechtigd tot het doen van aangifte van verduistering e/o diefstal. Ik heb niemand toestemming gegeven om geld te verduisteren of weg te nemen.
O: Wij hebben begrepen dat er op 11 oktober 2022 een doorzoeking heeft plaatsgevonden van uw bedrijfspand in Amsterdam uitgevoerd door opsporings-ambtenaren van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
V: Hoeveel geld zat er in het Snickers-doosje op het moment van de doorzoeking?
O: De raadsman noemt het bedrag € 1070.
V: Wie was de eigenaar van het geldbedrag in het Snickers-doosje?
A: Dat was [bedrijf X] .
V: Wanneer zag of hoorde u dat er geld uit het Snickers-doosje was verdwenen?
A: Toen ik weer voor het eerst op kantoor was, vertelde [persoon A] dat hij een kasverschil had geconstateerd. Dit bleek uit een controle van de administratie.
O: Raadsman [persoon B] vertelt dat op de camerabeelden te zien zou zijn dat het mogelijk gaat om een bedrag van € 205,- uit de Snickersdoos en de jaszak (die) in de broekzak van een vrouw verdwijnen. Het ging om waarneembaar twee briefjes van € 50, een bankbiljet van € 100 en een bankbiljet van € 5.
Geld in jas
O: Uw advocaat gaf in zijn melding tevens aan dat er een geldbedrag zou zijn ontvreemd uit een jas die aan de kapstok hing.
V: Van wie was deze jas?
A: Dat was de jas van [voornaam slachtoffer] .
A: ik ben gemachtigd om aangifte te doen namens [slachtoffer] .
V: Wat heeft [voornaam slachtoffer] tegen u verteld over de hoogte van het geldbedrag dat uit de jas zou zijn gehaald en waar dit had gezeten?
A: [voornaam slachtoffer] had verteld dat hij pas achteraf erachter was gekomen dat er minder geld zat in zijn jaszak. Dat was al voordat wij de camerabeelden bekeken.
V: Wanneer hoorde u voor het eerst dat er geld uit de jas zou zijn weggenomen?
A: Dat was ook toen ik weer voor het eerst op kantoor kwam
Camerabeelden
V: Wie zag u op de camerabeelden op die momenten nog meer in die ruimte staan?
A: Ten aanzien van het Snickers-doosje gaat het vermoedelijk om [verdachte] , de officier van Justitie Vd Heuvel, dhr. [persoon C] en mevr. [persoon D] . Ten aanzien van de jas gaat dit om een vrouw met blond haar in een knot ( [persoon E] ) en bovengenoemde personen.
V: Hoe vaak zag u op de camerabeelden iemand geld wegnemen?
A: Dat is op de camerabeelden te zien en ik verwijs u naar bijlage 1.
V: Was dit telkens dezelfde persoon?
A: Ja.
V: Wat deed zij met het geld uit het Snickers-doosje en uit de jas?
A: Dat stopte ze in haar linker broekzak.
3. Proces-verbaal van de RijksrechercheOp 8 februari 2024 werd namens de rechtspersoon [bedrijf X] aangifte gedaan. Bij de aangifte werden digitale camerabeelden overhandigd. Deze camerabeelden werden door mij bekeken, waarbij ik het navolgende heb waargenomen.
Uit de camerabeelden blijkt dat een vrouw, met bruin krullend opgestoken haar en aangesproken als [verdachte] , als verdachte kan worden aangemerkt. De vrouw is gekleed in NLA kleding.
Geld wegnemen (vermoedelijk uit Snickers doos)
Op de camerabeelden is te zien, dat op 11 oktober 2022 omstreeks 14.35 uur de verdachte NLA medewerkster een laptop van de linkerhoek van een bureau oppakt en deze op de linkerhoek op het tegenover geplaatste bureau neerzet. Op het moment dat zij de laptop verplaatst lijkt zij naar de ingang van de ruimte te kijken, mogelijk om te zien of er iemand aankomt. Vervolgens doet zij iets dat niet in zicht is, doordat er een rugtas in het beeld staat. Dit lijkt de plek waar de Snickers doos staat. Als haar handen achter de rugtas vandaan komen is te zien dat zij één of meer bankbiljetten in haar handen heeft. In ieder geval is een biljet van 5 euro te onderkennen. Te zien is dat zij vervolgens de bankbiljetten opvouwt en in haar broekzak stopt.
Bron: fragment [bestandsnaam 1] .
Geld wegnemen (vermoedelijk uit jas)
Op 11 oktober 2022 omstreeks 14.50 uur blijkt uit de camerabeelden vervolgens dat de verdachte NLA medewerkster zich naar de hoek van de ruimte begeeft waar de kapstok staat. De kapstok is niet geheel in beeld van de camera vanwege een rugtas die ervoor staat. Als de NLA medewerkster zich terugdraait richting de camera is te zien dat zij een bundeltje bankbiljetten in haar handen heeft. Zij legt deze bankbiljetten op het bureau neer, waarbij bankbiljetten van 5, 50 en 100 euro te zien zijn. Uit de beelden kan worden opgemaakt dat zij vervolgens twee bankbiljetten van 50 euro en een bankbiljet van 100 euro apart legt. Vervolgens pakt zij deze bankbiljetten (2 x 50 en 1 x 100 euro) op, vouwt ze samen en stopt ze in haar broekzak. De overige bankbiljetten vouwt zij eveneens samen en lijkt zij terug te stoppen in een jas aan de kapstok.
Bron: fragmenten [bestandsnaam 2] en [bestandsnaam 3] .
snapshots van de camerabeelden
4. Aanstelllingsbesluit en ambtsbelofte [verdachte]
Besluit:
mevrouw [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1983, met ingang van [datum] aan te
stellen als ambtenaar in vaste algemene dienst van het Rijk en tewerk te stellen bij zijn
ministerie.
Op 2 juni 2014 werd te Den Haag door mevr. [verdachte] ten overstaan van de Inspecteur Generaal, dhr. mr. [persoon F] in aanwezigheid van de getuige mevr. [persoon G] , opleidingsadviseur Leer- en Ontwikkelplein de belofte volgens bovenstaand formulier afgelegd.
Bewijsmotivering
Aanleiding
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte is met ingang van [datum] aangesteld als ambtenaar in vaste algemene dienst van het Rijk en tewerk gesteld bij Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij heeft op 2 juni 2014 de belofte afgelegd als bedoeld in artikel 51 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
Op 11 oktober 2022 heeft door de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA) in het kader van een opsporingsonderzoek een doorzoeking ter inbeslagneming in het bedrijfspand van [bedrijf X] . plaatsgevonden. De verdachte was hierbij als opsporingsambtenaar aanwezig. In het bedrijfspand op de tweede etage in de kamer bij het bureau stond een camera aan die beeld en geluid opnames maakte. De leden van het opsporingsteam en de officier van justitie waren daar toen niet over geïnformeerd.
Op 8 februari 2024 is namens de rechtspersoon [bedrijf X] . aangifte gedaan van verduistering en/of diefstal. Op camerabeelden is volgens aangever te zien dat een medewerkster van de NLA tijdens de doorzoeking geld wegneemt uit een in een kantoor aanwezig doosje en uit een jas van een medewerker van de rechtspersoon. De betreffende medewerkster is na onderzoek geïdentificeerd als de verdachte.
De rijksrecherche heeft een proces-verbaal van bevindingen van camerabeelden opgemaakt. In het proces-verbaal is een aantal snapshots van de camerabeelden opgenomen. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte één of meer bankbiljetten in haar handen heeft.
In ieder geval is een biljet van € 5,- te onderkennen. Vervolgens vouwt de verdachte de bankbiljetten op en stopt deze in haar broekzak. Verder is op de camerabeelden te zien dat de verdachte zich naar de hoek van de ruimte begeeft waar de kapstok staat. Als zij zich terugdraait richting de camera is te zien dat zij een bundeltje bankbiljetten in haar handen heeft. De verdachte legt twee bankbiljetten van € 50,- en een bankbiljet van € 100,- apart, vouwt de bankbiljetten samen en stopt de biljetten in haar broekzak.
Schriftelijke verklaring verdachte 15 april 2024
De verdachte, die op 11 maart 2024 door Rijksrechercheurs in kennis is gesteld van het feit dat zij in opsporingsonderzoek 28Tremolie als verdachte was aangemerkt en zou worden ontboden om op korte termijn te worden gehoord, heeft voorafgaand aan het geplande verhoor door de Rijksrecherche op 16 april 2024, op 15 april 2024 een schriftelijke verklaring bij de notaris gedeponeerd.
De verdachte heeft ter terechtzitting nagenoeg eensluidend aan deze schriftelijke verklaring verklaard.
Standpunt officier van justitie
Dat de verdachte zich het weggenomen geld niet wilde toe-eigenen is ongeloofwaardig en ook niet aannemelijk. Dat de verdachte het geld ergens anders heeft verstopt, wordt door geen enkel ander bewijsmiddel ondersteund. De rechtbank kan dit niet als vaststaand feit aannemen. Ook als de rechtbank de verklaring van de verdachte wel aannemelijk acht, leidt dat tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Voor bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde artikel 359 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening namelijk niet vereist. Voor wat betreft het ‘in zijn bediening onder zich hebben’ is doorslaggevend of de ambtenaar door zijn functie feitelijk in staat is het geld te verduisteren (HR 2 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1449). Daar is sprake van aangezien de verdachte als opsporingsambtenaar aanwezig was bij een doorzoeking ter inbeslagname.
Standpunt verdediging
Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijke verduistering. De verdachte heeft het geld getracht in de ambtelijke sfeer te brengen en het niet daaraan onttrokken. Voor het geld uit de jaszak geldt dat dit nimmer een ambtelijke bestemming heeft gehad en daarom ook niet aan een zodanige bestemming kon worden onttrokken. Voor het geld uit de Snicker-doos geldt dat de ambtelijke bestemming op het moment van de verweten gedraging niet kenbaar was voor de verdachte, zodat om die reden het vereiste oogmerk niet kan worden bewezen. Zelfs als zou worden aangenomen dat het tenlastegelegde geldbedrag op enig moment - geheel of ten dele - een voor de verdachte kenbare ambtelijke bestemming had, dan nog kan uit het dossier niet volgen dat de verdachte op enig moment het oogmerk had om het geld aan die bestemming te onttrekken. Haar oogmerk was immers telkens uitsluitend erop gericht het geld juist binnen de ambtelijke sfeer te brengen. De verdachte moet hierom van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Beoordeling
Vast staat dat de verdachte tijdens een doorzoeking geldbiljetten van in totaal € 205,- heeft weggehaald van de plaats waar ze deze heeft aangetroffen. Dit heeft zij gedaan zonder medeweten van andere leden van het opsporingsteam of de officier van justitie onder wiens gezag het onderzoek werd verricht. De verklaring van de verdachte dat zij de geldbiljetten in het damestoilet in de pedaalemmer heeft verstopt, zodat het geld uit de Snicker-doos en de jaszak (in totaal € 205,-) alsnog in beslag zouden worden genomen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Dit scenario wordt op geen enkele wijze door de inhoud van het strafdossier ondersteund. De rechtbank acht de verklaring ook niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom een opsporingsambtenaar in een omvangrijk opsporingsonderzoek een relatief klein bedrag van € 205,- in een pedaalemmer in het damestoilet zou gaan verstoppen zodat dit bedrag, in weerwil van de beslissing(en) van de officier van justitie, alsnog in beslag zou worden genomen. Als verdachte het belangrijk had gevonden dat het geld wel in beslag zou worden genomen, had zij dat gewoon aan de officier van justitie kenbaar kunnen maken of met haar collega’s van de NLA kunnen opnemen.
Artikel 359 Sr bepaalt (onder meer) dat de ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft verduistert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van verduistering in de zin van artikel 359 Sr sprake is bij de onttrekking aan de bestemming van gelden of geldswaardig papier, waarbij het niet behoeft te gaan om de wederrechtelijke toe-eigening van die gelden of geldswaardig papier (HR 2 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1449). Artikel 359 Sr beschermt het belang van een juiste vervulling van het ambt, zulks ter wille van de integriteit van de openbare dienst.
De rechtbank oordeelt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering als bedoeld in artikel 359 Sr. De verdachte heeft namelijk geld dat zij in haar bediening onder zich had opzettelijk aan de bestemming onttrokken door tijdens de doorzoeking willens en wetens (in ieder geval) € 205,- weg te nemen en in haar broekzak te stoppen. Of zij zich het geld wederrechtelijk wilde toe-eigenen, is daarbij verder niet relevant. De bestemming van het geld was in dit geval de vatbaarheid voor inbeslagname.
Het was tijdens de doorzoeking aan de officier van justitie te beslissen of het geld wel of niet in beslag zou worden genomen. Door het geld weg te nemen en in haar broekzak te stoppen, heeft de verdachte het geld daaraan onttrokken.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte juist heeft getracht het geld in de ambtelijke sfeer te brengen en het dus niet aan de ambtelijke bestemming heeft onttrokken, volgt de rechtbank niet. De verdachte had het geld namelijk vanwege haar functie als opsporingsambtenaar feitelijk onder zich, was daardoor in staat het geld weg te nemen en dat heeft zij ook gedaan. Door het geld weg te nemen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het beschermde rechtsgoed de juiste vervulling van het ambt. Niet vereist is, zoals de verdediging betoogt, dat het geld eerst in beslag moet zijn genomen voordat aan het geld een ambtelijke bestemming wordt toegekend en het aan de ambtelijke bestemming kan worden onttrokken.
Conclusie
De conclusie is dat de verdachte als opsporingsambtenaar opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich had heeft verduisterd. Het primair tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
primair
zij op 11 oktober 2022, te Amsterdam,meermalen, als ambtenaar, te weten als opsporingsambtenaar van de Nederlandse Arbeidsinspectie, (telkens) opzettelijk geld dat zij in haar bediening onder zich had, heeft verduisterd door tijdens de doorzoeking van een bedrijfspand, geld(biljetten), ter waarde van ongeveer 205 euro, dat geheel of ten dele aan [bedrijf X] . en/of [slachtoffer] , toebehoorde(n), uit een zich in dat bedrijfspand bevindende doos en/of jas te halen en vervolgens in haar kleding te stoppen, althans dit geld weg te nemen en het op een andere plaats te verbergen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Primair:
Als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduisteren.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primair tenlastegelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, te vervangen door 100 uur hechtenis.
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verduisteren van € 205,-, terwijl zij als opsporingsambtenaar bij een doorzoeking van een bedrijfspand aan het werk was. Hoewel het om een relatief klein geldbedrag gaat, is het handelen van de verdachte zeer kwalijk. Als opsporingsambtenaar had de verdachte een voorbeeldfunctie. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat bij een doorzoeking in het kader van een opsporingsonderzoek medewerkers van een overheidsinstantie (in dit geval de NLA) zorgvuldig en integer handelen en dat zij de bevoegdheden die zij hebben niet misbruiken. Verdachte heeft door het verduisteren van het geld het vertrouwen van burgers, haar collega’s en het vertrouwen dat NLA in haar had ernstig beschaamd. Door haar handelen heeft verdachte de NLA en de opsporing in het algemeen in diskrediet gebracht en daarmee de maatschappij schade berokkend. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft een gezin met kinderen en heeft ruim twintig jaar als opsporings-ambtenaar gewerkt. Zij is door de NLA ontslagen en heeft ander werk moeten zoeken. Inmiddels heeft zij een andere baan als planner. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de verdenking veel impact heeft op haar leven en veel stress bij haar veroorzaakt.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 200 uur, zoals de officier van justitie heeft geëist, een passende straf.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 359 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.I.M. van der Heijden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.