Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-345686-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum zitting: 25 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren in 1975 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
gedetineerd in Detentiecentrum [naam P.I.] , [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. Y. Finani
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Kern van het vonnis
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag en veroordeelt de verdachte voor poging tot zware mishandeling, omdat bewezen is dat de verdachte met een mes meermalen een stekende beweging in de richting van het hoofd en lichaam van zijn broer (hierna te noemen: het slachtoffer) heeft gemaakt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen aan zijn hals, borst, zij en arm. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft geprobeerd zijn broer, [slachtoffer] , van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij
op of omstreeks 17 december 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) met een mes meermalen een stekende beweging naar/in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt,
waarbij die [slachtoffer] in de nek/hals en/of borst en/of zij/flank en/of arm(en) is gestoken en/of gesneden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het impliciet primair tenlastegelegde feit, de poging tot doodslag. Uit het dossier is op te maken dat de verdachte het slachtoffer vijf keer heeft gestoken: twee keer in de borstkas, twee keer in de arm en één keer in de hals. De politie heeft een tourniquet moeten aanleggen, omdat bij de arm sprake was van veel bloedverlies, hoewel uiteindelijk het letsel meeviel.
Dat wat de verdachte over het steken heeft verklaard, namelijk dat hij één keer heeft gestoken, het mes heeft teruggetrokken en het niet de bedoeling was het slachtoffer te verwonden, past niet bij het door het slachtoffer opgelopen letsel, te weten verschillende steek- en snijwonden, waaronder in de hals en borst. Dit zijn vitale onderdelen van het lichaam. De verdachte heeft door met een mes van dichtbij naar het hoofd en borst te zwaaien de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer aanvaard. Bewezen is dat sprake is van een poging doodslag.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdachte en het slachtoffer kwamen thuis en hadden een discussie waarbij zij elkaar vastpakten en een worsteling ontstond. De steekverwondingen zijn daarbij per ongeluk toegebracht. Er is geen sprake geweest van een bewuste, gecontroleerde steekbeweging en dus ook geen (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Ook als zou worden uitgegaan van het schuldscenario, waarbij de intentie van de verdachte was het slachtoffer pijn te doen, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Niet kan worden vastgesteld of er met een zekere kracht is gestoken, zodat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak primair tenlastegelegde poging tot doodslag
Uit het dossier en hetgeen op de terechtzitting naar voren is gebracht, komt naar voren dat er op 17 december 2025 in de woning van het slachtoffer ruzie is geweest tussen de verdachte en het slachtoffer, die broers zijn. Zowel de verdachte als het slachtoffer hebben verklaard dat zij tijdens de ruzie onder invloed van alcohol waren. Bij deze ruzie heeft de verdachte een mes in zijn hand gehad en het slachtoffer daarmee geraakt. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen aan zijn hals, borst, zij en arm. De door het slachtoffer opgelopen verwondingen aan de borst waren - volgens ziekenhuispersoneel waarmee de politie heeft gesproken - oppervlakkig, niet diep en niet levensbedreigend. De verwondingen aan de arm waren dieper en moesten worden gehecht.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de verdachte dat hij het slachtoffer één keer in zijn arm heeft geraakt niet past bij de verwondingen, te weten een lange schram in de hals, twee ondiepe steekverwondingen in de borst/zij en twee diepere steekverwondingen in de arm die zijn gehecht. Uit het dossier en de medische verklaring betreffende het slachtoffer komt ook naar voren dat er meerdere verwondingen waren. Het kan dan ook niet anders zijn geweest dan dat de verdachte het slachtoffer meermalen met het mes heeft geraakt. Gezien de aard van de verwondingen, stelt de rechtbank vast dat het steken met het mes - in ieder geval in de arm - met enige kracht heeft plaatsgevonden.
Uit het dossier en wat er op de zitting naar voren is gebracht komt onvoldoende naar voren wat er tijdens de ruzie precies is gebeurd en met welke kracht de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. Niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte met zijn handelen, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Hierbij is ook acht geslagen op de omstandigheid dat de verwondingen aan de borst als niet levensbedreigend zijn beoordeeld door het ziekenhuispersoneel en aanvankelijk het letsel aan de hals niet is beschreven. De rechtbank is van oordeel dat de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet is bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsmotivering impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling
De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling van het slachtoffer wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Door onder invloed van alcohol tijdens een ruzie met een mes in de hand met enige kracht stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken naar het slachtoffer, waardoor het slachtoffer op meerdere plekken op zijn lichaam is geraakt, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarmee zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. In dit geval is het slachtoffer (onder andere) in zijn hals, op zijn borst en in zijn arm geraakt. Het risico is hierbij reëel dat bij een dergelijke (ongecoördineerde) actie het mes de hals of de borst onder een andere hoek of op een andere plek raakt, wat naar algemene ervaringsregels tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Hetzelfde geldt daarbij voor de arm.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1. Verklaring van de verdachte
Mijn broer en ik zijn op 17 december 2025 uit gegaan. We hadden alcohol gedronken. We zijn daarna terug gegaan naar huis. We waren allebei beschonken. Ik ben richting de keuken gegaan en hij is naar de wc gegaan. Daarna is hij mijn richting op gekomen en toen kregen we een woordenwisseling. Ik had een mes in mijn hand en toen heb ik hem geraakt. Ik zag bloed aan zijn arm. Toen heb ik meteen het mes neergelegd. Ik kan me niet alles meer herinneren van die avond.
2. Proces-verbaal van politie
Op 17 december 2025 werden wij gestuurd naar de [adres] te Rotterdam. Wij hoorden dat de melder had aangegeven dat er veel bloed in de woning lag en dat er iets gebeurd zou zijn met een mes.
Wij zagen ter plaatse dat de deur werd geopend door een voor ons nog onbekende man. Deze man bleek later de verdachte te zijn.
Wij zagen dat de voordeur open stond en dat er 2 personen in de deuropening stonden. Wij zagen een jonge vrouw en een man. Wij zagen dat de man zijn arm onder het bloed zat, wij zagen dat het bloed uit zijn wond bleef stromen. Wij zagen om zijn arm een plastic folie zitten. Wij zagen dat de man de wond op zijn arm dichtdrukte met zijn andere hand. Ik zag op het aanrecht in de keuken een witkleurige mes liggen. Ik zag dat het lemmet van dit mes onder het bloed zat.
3. Proces-verbaal van politie
Op 17 december 2025 kregen de collega's een melding aan de [adres] in Rotterdam. Later bleek hier een steekpartij te hebben plaatsgevonden.
Ter plaatse aangekomen zagen wij het slachtoffer voor de toegangsdeur van de portiek staan. Wij zagen dat het slachtoffer veel bloed verloor. Ik deed een tourniquet om de arm van het slachtoffer om zo het bloeden te stoppen. Het slachtoffer bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] .
Ik zag dat er heel de tijd een man achter mij stond. De man bleek later te zijn genaamd [verdachte] . Wij hoorden dat [voornaam slachtoffer] zei dat hij gestoken was door zijn broer. Wij zagen dat [voornaam slachtoffer] wees naar [voornaam verdachte] die achter ons stond. Ik vroeg aan [voornaam slachtoffer] wat die man van hem was. Ik hoorde dat [voornaam slachtoffer] zei dat [voornaam verdachte] zijn broer was. Ik vroeg aan [voornaam slachtoffer] wat er gebeurd was. Ik hoorde dat [voornaam slachtoffer] zei dat hij gestoken was. Ik vroeg aan [voornaam slachtoffer] waar hij nog meer gestoken was. Ik hoorde dat [voornaam slachtoffer] zei dat hij ook in zijn zij gestoken zou zijn. Ik onderzocht verder het lichaam van [voornaam slachtoffer] . Ik zag dat [voornaam slachtoffer] op de rechterkant van zijn zij ook een klein steekwondje had. Ik zag dat er op de borst aan de rechterkant ook een klein steekwondje zat.
4. Verklaring van het slachtoffer .Op 18 december 2025 kwamen wij aan in het Erasmus Medisch centrum in Rotterdam om in gesprek te gaan met het slachtoffer. Het slachtoffer bleek te zijn: [slachtoffer] .Wij vroegen aan het slachtoffer wat er op 17 december 2025 was gebeurd. Wij hoorden dat [slachtoffer] het volgende aan ons verklaarde: Ik zag en voelde dat mijn broer mij eerst in mijn hals raakte met het mes. Ik pakte mijn broer vast en probeerde hem tegen te houden maar hij stak toen in mijn zij en daarna op mijn borst. Nadat hij dit had gedaan snee hij met het mes in mijn arm, hierdoor kwam er direct heel erg veel bloed uit mijn arm. Toen er zoveel bloed uit mijn arm kwam, stopte hij. De broer van [slachtoffer] betrof: [verdachte] .Wij zagen in de hals van [slachtoffer] een snee. Wij vroegen of hij zijn verwondingen kon laten zien bij zijn borst en zij. Wij zagen dat hij (in zijn) rechterzij een kleine wond had en ter hoogte van zijn ribben onder zijn borst een wond had.
5. Schriftelijk stuk
Bij onderzoek werd in de hals een oppervlakkige schram gezien, de zijde is niet genoemd. Op de borstkas zijn 2 oppervlakkige steekverwondingen te zien van 1 cm, zijde eveneens niet genoemd.
Aan de onderarm links (binnenzijde) is een steekverwonding van 4 cm te zien en meer richting de elleboog een wond van 2 cm.
In de balzak is een bloeduitstorting te zien.
Genezingsduur ongeveer 2-3 weken en kans op blijvende littekens.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij
op 17 december 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes meermalen een stekende beweging naar/in de richting van het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt, waarbij die [slachtoffer] in de hals en borst en zij en arm is gestoken en/of gesneden
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Subsidiair: poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het primair tenlastegelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij, rekening houdend met jurisprudentie ten aanzien van (poging tot) zware mishandeling en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, bepleit een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn broer, het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer in de woning van hun hoogbejaarde en zorgbehoeftige moeder meerdere keren met een mes gestoken/geraakt waardoor het slachtoffer verwondingen opliep aan zijn hals, borst, zij en arm. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Hun moeder was die avond thuis evenals de dochter van de verdachte. Dit heeft ook op hen impact gehad. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 februari 2026 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf passend en geboden, ook gezien het feit dat de verdachte niet in Nederland woont. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf aan de verdachte houdt de rechtbank verder rekening met het blanco strafblad van de verdachte in Nederland, de brief die het slachtoffer aan de rechtbank heeft geschreven (waarin hij onder andere heeft geschreven dat hij niet wenst dat de verdachte wordt gestraft) en met de omstandigheid dat de verdachte uit een ander land dan Nederland afkomstig is, hij de Nederlandse taal niet machtig is en het grootste deel van zijn sociale netwerk zich op grote afstand van hem bevindt, waardoor detentie hem vermoedelijk meer zwaar zal vallen dan een gemiddelde gedetineerde.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde feit, zoals in onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het onder 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.