Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-337993-25 en 10-056128-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-230909-23
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum zitting: 25 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode 1] [woonplaats] ,
thans uit andere hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieadres] , [postcode 2] [detentieplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J. van Rooijen
Officier van justitie: mr. N.A. van Manen
Benadeelde partij: [slachtoffer 1]
Gemachtigde van de benadeelde partij: [persoon A]
Kern van het vonnis
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee winkeldiefstallen, waarvan één winkeldiefstal gevolgd door geweld. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden. De rechtbank beslist ook tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - op 10 december 2025 een winkeldiefstal gevolgd door geweld heeft gepleegd en op 23 februari 2026 zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Voor de leesbaarheid zijn de feiten in dit vonnis doorgenummerd.
De volledige tenlasteleggingen (hierna beschuldigingen) houden in dat:
1
hij op 10 december 2025 te Rotterdam
een of meer blikjes Red Bull, een zak snoep en een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt Albert Heijn, gevestigd aan de [adres delict] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1] met kracht met zijn, verdachtes, arm in een (wurg)greep en/of nekklem om de hals en nek (vast) te houden, althans op enige wijze de ademhaling van die [slachtoffer 1] te belemmeren;
2
hij op of omstreeks 23 februari 2026 te Rotterdam
een of meerdere verpakkingen sap, vleesproducten en/of andere levensmiddelen/winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn (locatie: [adres delict] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor (kort gezegd) diefstal met geweld en voor diefstal. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 tenlastegelegde geweld. Voor wat betreft de diefstal heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen van feit 1
De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1
1. Verklaring van de verdachte
Ik heb bij de Albert Heijn gestolen. Ik heb dat 100% gedaan. Ik heb blikjes en snoep gestolen zoals in de aangifte staat.
Na de diefstal begon ik te rennen. Ik kwam op een soort balkon terecht en zat daar in de val. Er kwam een beveiliger en ik wilde weg. De beveiliger hield me vast.
Toen kwam er een tweede beveiliger. De beveiliger hield mij vast en ik wilde weglopen. Hij had me beet en hij pakte me steviger vast omdat ze niet wilden dat ik naar beneden zou springen. En toen kwam er een derde man bij die niet van politie of beveiliging was. Hij was fors. Deze man pakte me keihard vast. Op een gegeven moment werd het duwen en trekken en die man hield me steeds steviger beet. We vielen. Ik viel op de grond en met mijn arm onder de eerste beveiliger. De derde man kwam op mij zitten met zijn knie steeds harder op mijn rug. Tijdens de val was mijn arm om de eerste beveiliger heen of onder hem. Tijdens de val kan ik me indenken, omdat hij tenger was, dat hij voelde dat hij geen adem kreeg. Het is mijn schuld dat ik heb gestolen en mijn schuld dat de bril van de beveiliger bril kapot ging. Mijn arm ging onder de eerste beveiliger tijdens de val.
2. Verklaring van de aangever [slachtoffer 2] namens Albert HeijnIk doe aangifte van diefstal. Aan niemand is het recht of toestemming gegeven voor het plegen van dit feit.
Meneer is via de ingang en met een volle tas boodschappen de winkel uitgelopen. Hij heeft dus geen enkele poging gedaan om via ons kassaplein de producten af te rekenen. Mijn winkelbeveiliger is achter de man aangegaan. De verdachte is door een beveiliger aangehouden en daarbij is een worsteling ontstaan.
De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: Red-bull 30 stuks, een zakje snoep Red Band en 1 diepvriestas. De totale verkoopwaarde van de weggenomen goederen is €58,88.
3. Verklaring van de aangever [slachtoffer 1]Ik heb de man gezegd dat hij door mij werd aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Ik was op dat moment alleen. Vervolgens zag ik een man aan komen lopen die zich legitimeerde als medewerker van Justitie. Deze man zag ook dat de verdachte weg wilde lopen en vertelde de man dat hij moest blijven staan en mee moest werken. Kort daarop kwam mijn collega ook ter plaatse en waren we met z'n drieën. Wij sommeren (de rechtbank begrijpt: sommeerden) de verdachte te blijven staan maar de verdachte bleef proberen weg te lopen. De verdachte ging volledig in verzet. Ik voelde dat de verdachte ons tegenwerkte. Omdat we de verdachte niet tegen de muur aan krijgen met z'n drieën besluiten we de verdachte naar de grond te werken. Uiteindelijk valt de verdachte op de grond boven op mij. Dan voel ik direct dat er iemand een arm om mijn nek heeft en ik voel dat die arm strakker wordt getrokken rond mijn nek. Ik voel dat de spieren in die arm helemaal strak staan. Ik krijg geen lucht door die arm om mijn nek. Ik merk dat ik aan het vechten ben voor mijn leven. Ik ben doodsbang omdat ik geen lucht meer krijg. Ik voel dat de spieren van die arm nog steeds zo strak als wat zijn en dat de arm niet losser komt. Op enig moment voel ik dat de spieren in de arm versoepelen en dat de kracht er af gaat. Op dat moment zie ik kans om uit de nek klem te ontsnappen. Mijn bril valt van mijn hoofd af. (De rechtbank begrijpt: We) kregen met z'n drieën de controle over de verdachte. Ik merkte dat alles een beetje wazig was en dat ik er niet helemaal bij was. Ik voelde dat zuurstof mij wel goed deed zodat de wazigheid snel verdwenen was.
Ik ben er uitgestapt om de politie op te gaan vangen. Toen ik stond te wachten op de politie zag ik dat mijn bril kapot was. Dit is gekomen tijdens het moment dat ik onder de verdachte lag en hij mij met een nek klem beet had.
4. Verklaring van de getuige [getuige 1]Door het verzet van de man kwamen we met zijn vieren op de grond terecht. Ik zag dat de man een nekklem bij de eerste beveiliger aanlegde. Ik hoorde op een gegeven moment de eerste beveiliger niet meer. Ik zag dat de eerste beveiliger emotieloos uit zijn ogen keek. Ik zag dat de eerste beveiliger out was. Ik zag geen reactie meer uit de eerste beveiliger komen. Ik zag dat de tweede beveiliger de man op zijn hoofd sloeg. Ik zag dat hierdoor de man de eerste beveiliger los liet uit de nekklem. Ik zag dat de eerste beveiliger daarna weer een beetje bij kwam.
5. Verklaring van de getuige [getuige 2]Ik ben werkzaam als beveiliger in Shopping Centre Alexandrium.
Ik kreeg een melding dat er iemand was weggerend vanaf de Albert Heijn met een gestolen tas met vermoedelijk gestolen goederen. Ik heb een collega richting de Albert Heijn gestuurd. Deze collega was [slachtoffer 1] . Hierop ben ik naar beneden gerend. Toen ik daar aankwam zag ik [voornaam slachtoffer 1] en een meneer met een blauwe trui samen met de man met de Albert Heijn tas staan. Ik zag dat [voornaam slachtoffer 1] en de man met de blauwe trui, de man tegen een muur aan duwden. Vanaf nu zal ik de man, die de blauwe Albert Heijn tas had gestolen, verdachte noemen.
Ik had geholpen om de verdachte in bedwang te houden. We hebben met zijn drieën de verdachte vastgepakt en geprobeerd naar de grond te krijgen. Dit lukte eerst niet. Ik pakte hem bij zijn been om hem uit balans te krijgen. Hierdoor vielen de verdachte en mijn collega [voornaam slachtoffer 1] op de grond. Ik zag dat [voornaam slachtoffer 1] op zijn rug lag en de verdachte op mijn collega [voornaam slachtoffer 1] lag. Ik zag dat de verdachte meteen zijn linkerarm om de nek van [voornaam slachtoffer 1] heen sloeg. Ik zag dat de verdachte mijn collega [voornaam slachtoffer 1] ongeveer 25 seconden vast hield bij zijn nek. Bij ongeveer 5 a 10 seconden vroeg ik aan [voornaam slachtoffer 1] of hij wel adem kreeg. Ik zag dat [voornaam slachtoffer 1] zich los probeerde te schudden. Ik zag dat hij een rood gezicht kreeg. Ik merkte dat hij niet op mij reageerde. Een aantal seconden later sloeg ik de verdachte met mijn vuist op zijn slaap. Ik deed dit omdat ik besefte dat [voornaam slachtoffer 1] mogelijk geen adem kreeg. Nadat ik de verdachte sloeg merkte ik dat de verdachte dusdanig los liet, dat [voornaam slachtoffer 1] weer adem kreeg. Ik denk dat [voornaam slachtoffer 1] gedurende die 25 seconden weinig tot geen adem kreeg, omdat hij niet reageerde op de vragen die ik aan hem stelde. Vervolgens hebben de man met de blauwe trui en ik [voornaam slachtoffer 1] onder de verdachte (vandaan) gekregen.
2.3.2. Bewijsmotivering van feit 1
Feit 1
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het tenlastegelegde geweld. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde geweld heeft gebruikt tegen de beveiliger en subsidiair dat er geen relatie is tussen de diefstal en het geweld. Aangevoerd is dat er een worsteling ontstond tussen de verdachte, de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , waarbij de aangever en de verdachte op de grond vielen en getuige [getuige 1] met zijn knie op de verdachte ging zitten. De verdachte heeft verklaard dat hij op de aangever viel en dat zijn arm onder de aangever kwam, maar dat hij niet zijn arm om de aangever heeft geslagen en hem ook niet heeft proberen te wurgen. Dat de aangever wellicht geen lucht meer kreeg, kan zijn gekomen doordat de getuige [getuige 1] zijn knie op de verdachte zette en hiermee steeds harder met zijn volle gewicht op de verdachte drukte. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte een nekklem bij de aangever aanlegde. Deze getuige heeft dat wat er is gebeurd heftiger willen maken door alles groter te maken dan het daadwerkelijk is gegaan. De getuige [getuige 2] heeft verklaard niet te hebben gezien dat de verdachte zijn arm om de nek van de aangever heeft gedaan.
Ook is aangevoerd dat er geen relatie bestaat tussen de diefstal en het geweld zoals dat ten laste is gelegd. De diefstal en het geweld - dat later plaats vond - zijn los van elkaar staande feiten. De diefstal was al voorbij, de verdachte was niet op de vlucht en probeerde niet aan de aanhouding voor de diefstal te ontkomen.
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de diefstal gevolgd door het tenlastegelegde geweld wel bewezen is. Zij licht dit toe.
De verdachte is na de diefstal van diverse goederen uit de winkel ervandoor gegaan, waarbij de aangever achter hem aan is gegaan. Nadat de aangever de verdachte had aangetroffen heeft de verdachte, zoals hij ook ter terechtzitting heeft verklaard, geprobeerd te ontkomen aan zijn aanhouding door te proberen weg te lopen.
Toen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] erbij kwamen en zij tezamen met de aangever probeerden de verdachte tegen te houden en onder controle te krijgen, heeft de verdachte zich verzet. Hierbij is de verdachte op enig moment op de aangever gevallen en is hij, zo heeft de verdachte op de terechtzitting verklaard, met zijn arm onder of om de aangever terecht gekomen. De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de verdachte een “nekklem” bij de beveiliger aanlegde en dat de beveiliger geen lucht meer kreeg, “out” ging en niet meer reageerde. Dit laatste komt ook naar voren uit de verklaring van de getuige [getuige 2] die, hoewel hij niet heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte een arm om de nek van de beveiliger had, heeft verklaard dat hij zag dat de aangever rood werd en niet meer reageerde op vragen. Ook heeft de getuige [getuige 2] verklaard dat hij zag dat, nadat hij de verdachte op zijn hoofd had geslagen, de aangever zich los kon maken uit de greep van de verdachte en weer reageerde. De aangever heeft verklaard dat, toen hij op de grond lag, hij voelde dat iemand een arm om zijn nek deed en hij voelde dat die arm werd aangetrokken rond zijn nek, waardoor hij geen lucht meer kreeg.
Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte na het plegen van de diefstal zichzelf de vlucht mogelijk wilde maken door geweld tegen de aangever te gebruiken door zijn arm om diens hals te slaan en zijn arm zodanig aan te trekken en aangetrokken te houden dat de aangever geen lucht meer kreeg.
2.3.3. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen van feit 2
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
2
6. Verklaring van de verdachte
7. Verklaring van de aangever
8. Proces-verbaal van de politie
2.3.4. Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij op 10 december 2025 te Rotterdam
blikjes Red Bull, een zak snoep en een tas,
die aan supermarkt Albert Heijn, gevestigd aan de [adres delict] , toebehoorden heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] ,
gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door die [slachtoffer 1] met kracht met zijn, verdachtes, arm om de hals en nek (vast) te houden;
2.
hij op 23 februari 2026 te Rotterdam
een of meerdere verpakkingen sap, vleesproducten en andere levensmiddelen/winkelgoederen, die aan de Albert Heijn (locatie: [adres delict] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
diefstal, gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;
Feit 2
diefstal.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, zodat de verdachte, die thans uit andere hoofde is gedetineerd, hiervoor niet opnieuw vast komt te zitten. De verdachte kan alsdan zijn huis, dat erg belangrijk voor hem is, behouden en kan met begeleiding van de reclassering zijn leven weer op de rails krijgen. Daarnaast zou aan de verdachte nog een werkstraf kunnen worden opgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen, waarvan één winkeldiefstal is gevolgd door geweld. Hij heeft door het plegen van deze feiten er wederom blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en hij heeft daarmee voor schade en overlast gezorgd. Hij heeft enkel oog gehad voor zijn eigen belang, snel geld verdienen teneinde zijn verslaving te kunnen bekostigen. Bij één van de diefstallen heeft de verdachte geweld gebruikt tegen de aangever op het moment dat hij werd aangehouden. De verdachte heeft door zo te handelen ernstig inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit. Het geweld heeft, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring die op de terechtzitting is voorgelezen, een grote impact op de aangever gehad. De rechtbank rekent de verdachte de feiten aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor aan feit 2 soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt hierom tot het opleggen van een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Fivoor verslavingsreclassering van 19 maart 2026 staat het volgende.
Er zijn aanwijzingen van beperkte copingvaardigheden en aanwijzingen dat de verdachte deel uitmaakt van een negatief sociaal netwerk van medegebruikers.
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De verdachte heeft een lange delictgeschiedenis, in combinatie met een ernstige verslavingsproblematiek. Daarnaast beschikt hij over beperkte financiële middelen, waardoor het risico bestaat dat hij bij geldgebrek opnieuw delicten pleegt om zijn verslaving te bekostigen.
Het risico op letsel wordt ingeschat als gemiddeld. De verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten.
Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Bij intensief middelengebruik komt de verdachte zijn meldplichtafspraken niet na, waardoor hij uit beeld raakt.
Bij een veroordeling wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten (waarbij het zwaartepunt bij feit 1 ligt) en het strafblad van de verdachte is alleen een gevangenisstraf nog passend. Bij feit 1 heeft de verdachte geweld gebruikt dat voor de aangever heftig was en er is eerder al veel geprobeerd om de verdachte op de rails te krijgen en te houden. De verdachte heeft daarvan onvoldoende kunnen en weten te profiteren.
Bij het bepalen van deze strafsoort en de duur daarvan is door de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en is ook rekening gehouden met de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. Wanneer de rechtbank dit alles in ogenschouw neemt, acht zij de gevorderde gevangenisstraf van 5 maanden passend en wordt deze hierna door haar aan de verdachte opgelegd.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer 1]
heeft als benadeelde partij van het onder 1 tenlastegelegde feit € 135,20 als vergoeding voor materiële schade en € 600,00 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan integraal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De vordering van de benadeelde partij kan voor wat betreft de gevorderde materiële schade worden toegewezen. De vordering moet voor wat betreft de gevorderde immateriële schade primair worden afgewezen vanwege de bepleitte vrijspraak voor feit 1. Subsidiair moet deze worden gematigd aangezien deze schadepost onvoldoende is onderbouwd, omdat er geen stukken zijn aangeleverd die zien op het toegebrachte letsel.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit 1. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 135,20 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Immateriële schade
Hoewel de benadeelde partij het letsel op grond waarvan immateriële schade is gevorderd niet (genoegzaam) met medische bescheiden heeft onderbouwd, komt de rechtbank tot de slotsom dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek. De nadelige gevolgen van de diefstal gevolgd door geweld liggen voor de benadeelde partij, die jongvolwassen is, zo voor de hand dat de aantasting in de persoon op grond van hetgeen namens hem gesteld is over de mentale impact van het feit door de rechtbank wordt aangenomen.
Die schade wordt - ingegeven door gevalsvergelijking - begroot op de gevorderde € 600,00.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 10 december 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte onder parketnummer 10-230909-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 365 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk, ter grootte van 5 maanden, moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de proeftijd behorend bij de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf te verlengen, zodat de verdachte zijn huis kan behouden en langer begeleid kan worden door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.
Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het volledige (resterende deel van het) voorwaardelijk gedeelte van de straf, voor zover deze voorwaardelijke straf niet reeds is ten uitvoer gelegd bij een ander vonnis. De rechtbank heeft bij deze beslissing de inhoud van het rapport getiteld ‘Voortijdige negatieve beëindiging toezicht’ van 18 februari 2026 zwaar laten meewegen.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf opgelegd onder parketnummer 10-230909-23
beveelt de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 365 dagen, zoals opgelegd in het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2024, voor zover deze voorwaardelijke straf niet reeds ten uitvoer is gelegd;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 10-337993-25, te betalen een bedrag van € 735,20, bestaande uit € 135,20 als vergoeding van materiële schade en € 600,00 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 10 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het onder parketnummer 10-337993-25 bewezen verklaarde feit de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de staat € 735,20 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 10 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 7 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. D. van der Sluis en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.