[verdachte], verdachte,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],preventief gedetineerd in [detentieadres],
raadsvrouw mr. K. Blonk, kantoorhoudende te Rotterdam.
Procedure
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 21 januari 2026 op grond van artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) op vordering van de officier van justitie bevolen, dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een observatiekliniek, te weten het Pieter Baan Centrum (PBC).
Op 22 januari 2026 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot overbrenging ter observatie.
De rechtbank heeft op 12 maart 2026 het hoger beroep in raadkamer behandeld. De verdachte, de raadsvrouw en de officier van justitie mr. M.D. Hes zijn in raadkamer gehoord.
Feiten
De verdachte bevindt zich in de zaak met parketnummer 10/350813-25 in voorlopige hechtenis op grond van verdenking van poging doodslag, mishandeling en bedreiging met geweld tegen ambtenaar. In de zaak met parketnummer 10/223426-25 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met ingang van 29 augustus 2025. In deze zaak wordt de verdachte verdacht van verkrachting, vrijheidsberoving in vereniging en poging zware mishandeling in vereniging.
Standpunt verdachte
Namens de verdachte is geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Daartoe is in raadkamer aangevoerd dat het bevel tot observatie is afgegeven voor twee parketnummers, namelijk 10/350813-25 en 10/223426-25. De voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 10/223426-26 is geschorst, om die reden kan er geen observatiebevel worden afgegeven in die zaak.
Voorts wordt niet voldaan aan de eisen van artikel 196 Sv. De noodzaak van onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is onvoldoende gebleken. De beslissing van de rechter-commissaris berust op vermoedens, op de ernst van de verdenking en op de justitiële documentatie, maar niet op een deugdelijk gedragskundig vertrekpunt. Voorts is het bevel tot observatie niet proportioneel, gelet op de verdenking. Daarbij moet mede worden betrokken dat een PBC-observatie gepaard gaat met aanzienlijke wachttijden en een langdurig traject. De verdachte zal ook bij een opname in het PBC niet meewerken.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het beroep. De verdachte bevindt zich in de zaak met parketnummer 10/350813-25 in voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10/223426-25 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, er zal op de eerste pro forma-zitting (op 1 april 2026) door de officier van justitie verzocht worden om de zaken te voegen.
Het is noodzakelijk dat er een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte wordt ingesteld en dat hij hiervoor ter observatie naar het PBC wordt overgebracht. De verdachte heeft in eerdere zaken niet willen meewerken aan onderzoek en thans ook niet aan het NIFP-consult van de psycholoog. Van disproportionaliteit is geen sprake.
De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van de verdenking poging doodslag/mishandeling dienen bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan de orde te komen.
Beoordeling
Op grond van artikel 196 Sv is de noodzaak tot een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte, dat niet op een andere wijze kan plaatsvinden, de voorwaarde voor overbrenging en plaatsing van een verdachte in het PBC. Daarnaast moet tegen de verdachte voorlopige hechtenis bevolen zijn en dient op grond van artikel 197, eerste lid, Sv het oordeel van één of meer deskundigen te zijn ingewonnen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in de zaak met parketnummer 10/350813-25 en dat reeds om die reden voldaan wordt aan het ter zake in dit artikel bepaalde. Dat in de zaak met parketnummer 10/223426-25 thans de voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst, doet daar niet aan af. Overigens heeft de officier van justitie in raadkamer te kennen gegeven dat op de eerste pro forma-zitting om voeging van de zaken zal worden verzocht.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte en dat de verdachte daartoe ter observatie wordt overgebracht naar het PBC. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het NIFP-consult van 7 januari 2026 blijkt dat psycholoog [naam] op grond van de voorgeschiedenis van de verdachte (herhaaldelijk eerder vertoond gewelddadig gedrag), de aanwijzingen voor (forensisch relevante) psychopathologie en de aard van de onderhavige delicten, aanleiding ziet voor nader onderzoek naar de verdachte. De verdachte heeft echter geen medewerking verleend aan het onderzoek van [naam]. De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van [naam] vast dat er noodzaak is tot een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte en dat dit onderzoek door het ontbreken van medewerking van de verdachte niet op een andere wijze kan plaatsvinden.
De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake is van disproportionaliteit, nu de rechter-commissaris heeft bepaald dat het verblijf in het PBC de termijn van zeven weken niet te boven mag gaan. Het feit dat momenteel een lange wachttijd bestaat tot het moment dat een opname in het PBC mogelijk is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Om deze redenen zal het beroep worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het beroep af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op 12 maart 2026.
De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.