ECLI:NL:RBROT:2026:4338

ECLI:NL:RBROT:2026:4338

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 14-04-2026
Zaaknummer 10/228359-24 en 10/181449-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot doodslag door het veroorzaken van een brand in een woning gedurende de nacht, terwijl er bewoners in de woning aanwezig waren. Vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen en munitie. Oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden en een onvoorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf. De rechtbank houdt rekening met overschrijding redelijke termijn in die zin dat de verdachte niet terug hoeft naar de JJI. Beslissingen op vordering benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummers: 10/228359-24 en 10/181449-24 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,

raadsvrouw mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 5 maart 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C. de Bruijn heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Vrijspraak zonder nadere motivering – parketnummer 10/181449-24

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 10/181449-24 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en (voor dat vuurwapen geschikte) munitie niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Bewijswaardering – parketnummer 10/228359-24

Standpunt officier van justitie

De primair ten laste gelegde poging tot doodslag op de bewoners van de woning aan de [adres 2] kan worden bewezen. De verdachte heeft in de nacht een ruit kapot gemaakt, een vuurwerkbom aangestoken en die in de woning gegooid, waardoor een brand is ontstaan met enorme schade als gevolg. De vier aanwezige bewoners hebben de woning uit moeten vluchten. De verdachte had kunnen zien dat de woning bewoond was en hij had kunnen weten dat de bewoners op dat tijdstip in de woning lagen te slapen. Door het gooien van een vuurwerkbom in een woning in de nachtelijke uren, is er sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van de aanwezige bewoners.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te kunnen vaststellen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de bewoners. De verdachte wist niet wat voor explosief hij precies naar binnen gooide en dat daardoor een reële kans op het overlijden van de bewoners zou kunnen ontstaan. Ook heeft de verdachte geen (voorwaardelijk) opgezet gehad op het teweegbrengen van een ontploffing of brand.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat in de nacht van 30 maart 2024, omstreeks 01:40 uur, een brand is ontstaan in de woning aan de [adres 2] . De vier aanwezige bewoners hebben de woning uit moeten vluchten. Een van de bewoners heeft de woning zelfs via een raam op de 2e verdieping moeten ontvluchten. De brand heeft grote schade veroorzaakt aan de woning en de inboedel in deze woning. Daarnaast zijn alle bewoners naar het ziekenhuis overgebracht. Eén van de bewoners heeft daar 2 dagen doorgebracht vanwege opgelopen letsel.

De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de persoon is die de explosie en de daaropvolgende brand heeft veroorzaakt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze gedragingen van de verdachte leiden tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel de opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor personen.

Opzet

De rechtbank stelt vast dat het handelen van de verdachte gericht was op het veroorzaken van een brand in de woning aan de [adres 2] . De verdachte heeft immers met een steen een ruit van de woning ingeslagen en vervolgens een brandend voorwerp ver de woning ingegooid. Hierdoor is na een explosie brand op de benedenverdieping van de woning ontstaan. De verdachte had kunnen weten dat het een bewoonde woning betrof. Op het moment van de brand waren vier bewoners in de woning aanwezig. De bewoners lagen te slapen op de bovenverdiepingen van de woning.

Het is een feit van algemene bekendheid dat een brand een ongrijpbaar verloop kan hebben, zich snel en onbeheerst kan ontwikkelen en de daarbij ontstane hitte en rookontwikkeling al snel een levensbedreigende situatie opleveren. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat bij de brand hete- en giftige rookgassen zijn vrijgekomen, die zich door de hele woning hebben verspreid. Deze hete- en giftige rookgassen zijn levensgevaarlijk voor personen. Een van de bewoners moest door de brandweer via de buitenzijde van de woning van de tweede verdieping worden gered. Alle bewoners die tijdens de brand in de woning aanwezig waren, zijn met ademhalingsproblemen naar het ziekenhuis overgebracht.

De rechtbank overweegt dat wanneer gedurende de nacht, een moment waarop de meeste mensen in hun woning aanwezig zijn en liggen te slapen, in een woning brand wordt gesticht, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestaat dat als gevolg van deze brand de bewoners van die woning kunnen komen te overlijden. Door zo te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bewoners zouden komen te overlijden. De verdachte heeft daarom het voorwaardelijk opzet gehad op de dood van (één of meer van) de aanwezige personen in de woning aan de [adres 2] . Dat de verdachte onder druk zou zijn gezet en wellicht niet uit vrije wil zou hebben gehandeld, doet hier niet aan af. De verdachte heeft ter zitting verklaard dit te hebben gedaan voor het snelle geld. Dat maakt dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd hieromtrent niet aannemelijk is geworden.

Conclusie

Het onder parketnummer 10/228359-24 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/228359-24 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Vlaardingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , althans de bewoners van de woning aan de [adres 2] opzettelijk van het leven te beroven, een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken vuurwerk en/of explosieven tot ontploffing heeft gebracht door deze aan te steken en vervolgens via het door hem, verdachte, verbroken raam van voornoemde woning, de woning in te gooien,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

parketnummer 10/228359-24

primair: poging tot doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich in de nacht van 30 maart 2024 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door opzettelijk brand te stichten in een woning, waarin op dat moment vier bewoners aanwezig waren. De verdachte heeft met een steen een raam ingeslagen en vervolgens een brandend voorwerp naar binnen gegooid. Dit voorwerp is in de woning tot ontploffing gekomen, waarna brand is ontstaan. De brand heeft grote schade veroorzaakt aan de woning. Door het in brand steken van de woning heeft de verdachte voor de slachtoffers, die op dat moment nietsvermoedend in bed lagen, een levensgevaarlijke situatie doen ontstaan.

Een woning is een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De rechtbank rekent het de verdachte ernstig aan dat hij de veiligheid van de bewoners ernstig in gevaar heeft gebracht. Het veroorzaken van een brand leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid bij bewoners en omwonenden. Het gezin is bovendien familie van de inmiddels overleden Vlaardingse loodgieter, die meerdere malen is geconfronteerd met (pogingen tot) ontploffingen van zijn woning. De verdachte heeft geen openheid van zaken gegeven over wie de opdrachtgever was en waarom juist deze woning is uitgekozen. Hierdoor tasten de slachtoffers nog altijd in het duister over de reden van de explosie en de brand. De verdachte heeft onvoldoende stil gestaan bij de impact en de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Uit de verzoeken tot schadevergoeding en de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgelezen, blijkt van de enorme impact die de brand op het gezin heeft gehad. Het gezin is in één klap zijn woning en al zijn bezittingen kwijtgeraakt.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportage en verklaring van deskundige op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 februari 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Het dynamisch risicoprofiel komt uit op laag. Er worden beschermende en risicofactoren gezien bij de verdachte. De grootste risicofactoren worden gezien op de domeinen houding, vrijetijd en vaardigheden. De Raad acht een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend. De verdachte heeft laten zien dat hij na zijn schorsing in augustus 2024 niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Hij houdt zich aan de schorsingsvoorwaarden en lijkt zich te willen focussen op een toekomst zonder antisociaal gedrag. Een deels voorwaardelijke jeugddetentie, als stok achter de deur met de inzet van jeugdreclassering, acht de Raad passend, gelet op de aard en de ernst van de ten laste gelegde feiten. Het onvoorwaardelijke strafdeel dient gelijk te zijn aan de duur van het voorarrest, gezien de lange tijd tussen de pleegdatum en de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Hoewel de verdachte heeft laten zien dat hij niet meer in aanraking is gekomen met de politie en zich inzet voor een baan en studie, is het gezien zijn cognitieve vermogen van belang dat er vanuit de jeugdreclassering toezicht wordt gehouden op onder meer zijn dagbesteding, het vinden van een baan, het hebben van sport en zijn begeleiding vanuit Urban Skillsz. Gelet op de positieve groei die hij volgens de hulpverlening en de jeugdreclassering heeft laten zien, wordt een proeftijd van één jaar geadviseerd. Daarnaast adviseert de Raad oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

R. Goorman, als jeugdreclasseerder werkzaam bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij sinds juni 2024 betrokken is bij de verdachte. De schorsingsperiode is goed verlopen. De verdachte is enorm veranderd in de afgelopen twee jaar. Samen met de coach vanuit Urban Skillsz heeft hij gewerkt aan zijn perspectief. Ook is hij bezig met het afronden van zijn mbo-1 opleiding en er wordt gekeken naar een vervolgopleiding. De verdachte houdt zich beter aan de afspraken in de thuissituatie en zijn houding is in positieve zin veranderd. Hij maakt weloverwogen keuzes en heeft afstand genomen van vrienden uit het verleden. De jeugdreclassering staat achter het advies van de Raad. In de afgelopen twee jaren is er gewerkt aan de doelen. Die doelen zijn behaald, met uitzondering van het vinden van een passende baan. Bij een vervolgopleiding op mbo-2 niveau zou de verdachte echter een werken- en leren traject kunnen doen. Er wordt weinig pedagogische meerwaarde gezien in het voortzetten van de begeleiding door de jeugdreclassering.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportage en verklaring van de deskundige op de terechtzitting.

Conclusies van de rechtbank

Straffen

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. In deze zaak is echter sprake van een enorm tijdsverloop. De verdachte loopt al ruim 1,5 jaar in een schorsing van de voorlopige hechtenis. Hij heeft goed meegewerkt aan de begeleiding door de jeugdreclassering en zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven en hiermee verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.

De rechtbank acht een terugkeer van de verdachte naar een justitiële jeugdinrichting gezien het tijdsverloop en de positieve ontwikkeling van de verdachte niet passend. De rechtbank zal een deel van de voorgenomen jeugddetentie voorwaardelijk opleggen met de algemene en bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd met een proeftijd van twee jaar. Deze proeftijd is langer dan geadviseerd. De rechtbank acht dit noodzakelijk gelet op de persoon en de ontwikkeling van de verdachte. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Redelijke termijn

Bij de berechting van een jeugdstrafzaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is gestart op 30 juli 2024, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan de datum van het vonnis is een periode van bijna 20 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna 4 maanden. De rechtbank heeft daar rekening mee houden bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf, in die zin dat verdachte niet terug naar de jeugdgevangenis moet.

Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 282.927,49 aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

₋ Inboedelschade (na aftrek verzekeringsuitkering): € 65.093,39

₋ Huurderving (10 jaar, na aftrek huurcompensatie): € 69.824,10

₋ Inkomstenderving 2024 en 2025: € 103.010,00

₋ Rekening-courantschuld aan de vennootschap: € 45.000,00

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 4] vordert een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 5] vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 6], ter zake van het onder parketnummer 10/228359-24 ten laste gelegde feit. De [benadeelde partij 6] vordert een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, primair omdat de omvang en complexiteit van de vorderingen maken dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en, subsidiair, omdat het aannemelijk is dat sprake was van uitbuiting van de verdachte en het disproportioneel zou zijn om hem aansprakelijk te stellen voor alle schade. Meer subsidiair heeft de verdediging de schadeposten betwist. Ten aanzien van de inboedelschade ontbreekt het causaal verband en is dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Bovendien is ten onrechte de nieuwwaarde van de goederen opgevoerd in plaats van de vervangingswaarde. Ten aanzien van de huurderving en woonlastenverzwaring is aangevoerd dat een structureel huurverschil over 10 jaar speculatief en hypothetisch is en dat het rechtstreeks verband ontbreekt. Voor de beoordeling van deze schadepost is nader onderzoek nodig. Ten aanzien van de inkomstenderving is aangevoerd dat het causaal verband ontbreekt, omdat niet zonder meer aannemelijk is dat het inkomensverlies daadwerkelijk het gevolg is van het ten laste gelegde feit. De beoordeling van structurele inkomstenderving over meerdere jaren vergt diepgaand civielrechtelijk en medisch onderzoek en dit overstijgt het kader van het strafgeding. Ten aanzien van de rekening-courantschuld van de vennootschap is aangevoerd dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat het causaal verband ontbreekt. De verdediging bepleit niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij dan wel afwijzing van de vordering voor zover die vordering ziet op de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade is aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van aanhoudende (psychische) klachten. Meer specifiek ten aanzien van de vordering die ziet op [benadeelde partij 3] is aangevoerd dat er geen sprake is van blijvend letsel en de vordering gematigd zou moeten worden. Benadeelde partijen [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 5] dienen in hun vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat zij niet thuis waren tijdens de brand.

Beoordeling

Materiële schade

Het deel van de vordering van de [benadeelde partij 1] dat betrekking heeft op de inboedelschade (na aftrek van de verzekeringsuitkering) en de rekening-courantschuld aan de vennootschap is, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging, door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ook het deel van de vordering van de [benadeelde partij 1] dat betrekking heeft op de inkomstenderving van 2024 en 2025 is, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd. Dat bij de benadeelde partij sprake is van psychische klachten als gevolg van het bewezen verklaarde feit, is evident. Er is echter onvoldoende vast komen te staan dat de klachten dusdanig waren, dat de benadeelde partij in 2024 en 2025 geheel niet in staat was om te werken en inkomen te genereren. Daarbij komt dat de overeenkomst tussen het bedrijf van de benadeelde partij en UP Michoacan Europe B.V. was aangegaan voor een periode van één jaar, ingaande op 1 juni 2023, en dat niet met zekerheid is vast te stellen dat het contract na 1 juni 2024 daadwerkelijk zou worden verlengd. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de [benadeelde partij 1] door het onder parketnummer 10/228359-24 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht bestaande uit huurderving/woonlastenverzwaring. De woonkamer van de woning is volledig uitgebrand en alle overige vertrekken van de woning waren zwartgeblakerd en/of beroet. De woning was hierdoor geheel onbewoonbaar. De benadeelde partij en zijn gezin moesten noodgedwongen een andere huurwoning met hogere huurkosten betrekken, waar zij tot op heden wonen. Dat de benadeelde partij andere woonruimte heeft moeten zoeken is een rechtstreeks gevolg van de brand en de kosten daarvan hoeven naar het oordeel van de rechtbank niet geheel ten laste van de benadeelde partij te komen. Door de benadeelde partij is voldoende aannemelijk gemaakt dat het gezin de intentie had om langdurig in de oude woning te blijven wonen, gelet op de gunstige huurprijs. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat door de benadeelde partij is verzocht om huurverlaging, maar dat dit verzoek niet is gehonoreerd. Het jaarlijks verschil in woonlasten bedraagt € 7.814,16. De verzekeringsmaatschappij heeft een bedrag van € 8.317,50 aan huurcompensatie uitgekeerd. De rechtbank zal een huurverschil voor de duur van drie jaren toekennen, met aftrek van de reeds ontvangen huurcompensatie, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 15.124,98. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partijen moesten hun woning ontvluchten als gevolg van de brand en zijn met ambulances naar het ziekenhuis overgebracht. Bij de [benadeelde partij 3] was sprake van inhalatietrauma, waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen ter observatie en voor het toedienen van zuurstof. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] kampen met psychische klachten, waaronder slapeloosheid en een voortdurend verhoogde staat van alertheid. De [benadeelde partij 1]

is verwezen naar de POH-GGZ en aangemeld bij Forta voor verdere psychische behandeling. De [benadeelde partij 4] ervaart mentale problemen; zij heeft flashbacks, last van slapeloosheid en schikt van ieder klein geluid. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 10.000,00 voor de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en op € 7.500,00 voor de [benadeelde partij 4] .

Hoewel de benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] ten tijde van de brand niet in de woning aanwezig waren, is er bij hen ook sprake van een aantasting in de persoon. Zij zijn hun vertrouwde omgeving en volledige bezittingen kwijtgeraakt. De rechtbank acht de gevorderde bedragen van ieder € 2.500,00 billijk en daarom toewijsbaar.

Wettelijke rente

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 30 maart 2024.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 25.124,98, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. De verdachte moet de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , ieder een schadevergoeding betalen van € 10.000,00, [benadeelde partij 4] een schadevergoeding betalen van € 7.500,00 en [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] een schadevergoeding van € 2.500,00, alle vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/181449-24 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/228359-24 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

₋ zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

₋ zal meewerken aan de begeleiding van een coach van Urban Skillsz;

₋ zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk;

₋ zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een sport en/of bijbaan;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

₋ de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

₋ de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, nu de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

heft op de bevelen tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissingen geschorst;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 25.124,98 (zegge: vijfentwintigduizend honderdvierentwintig euro en achtennegentig eurocent), bestaande uit € 15.124,98 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 1] te betalen 25.124,98 (hoofdsom, zegge: vijfentwintigduizend honderdvierentwintig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 2] te betalen € 10.000,00 (hoofdsom, zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 3] , te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 3] te betalen € 10.000,00 (hoofdsom, zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 3] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van € 7.500,00 (zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 4] te betalen € 7.500,00 (hoofdsom, zegge: zevenduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 4] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 5], te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 5] te betalen € 2.500,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 5] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 6], te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 6] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij 6] te betalen € 2.500,00 (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 6] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. E.M. Rocha en K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

parketnummer 10/181449-24

hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver, te weten een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22lr, en/of (voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 7 kogelpatronen, kaliber .22lr,voorhanden heeft gehad.

parketnummer 10/228359-24

hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Vlaardingen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , althans de bewoners van de woning aan de [adres 2] opzettelijk van het leven te beroven, een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken vuurwerk en/of explosieven tot ontploffing heeft gebracht door deze aan te steken en vervolgens via het door hem, verdachte, verbroken raam van voornoemde woning, de woning in te gooien,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2024 te Vlaardingen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht door een vuurwerkbrandstofcombinatie, althans een of meerdere stukken vuurwerk en/of explosieven, aan te steken en via het door hem, verdachte, verbroken raam de woning aan de [adres 2] in te gooien, waardoor die vuurwerkbrandstofcombinatie, althans dat stuk(ken) vuurwerk en/of explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor de woning aan de [adres 2] en/of belendende

en/of nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huisraad van de woning aan de [adres 2]

en/of de inboedel/huisraad van die nabijgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of

meerdere van de zich in die woning aan de [adres 2] bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor een ander of anderen te duchten

was.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?