[eiser], uit Rotterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, het college
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van 20 december 2023.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 20 december 2023. Het college moet, behoudens verlenging van de beslistermijn, binnen vier weken beslissen op de aanvraag. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het college op 19 januari 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Het college heeft de rechtbank op 9 april 2024 laten weten bezig te zijn met het verzamelen van de documenten die betrekking hebben op eisers Woo-verzoek van 20 december 2023 en dat de verwachting is dat er binnen vier weken een besluit zal worden genomen. Sindsdien heeft de rechtbank niets meer van het college vernomen. Het is de rechtbank dus niet gebleken dat al op het Woo-verzoek van eiser is beslist.
5. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Voor een langere beslistermijn bestaat geen aanleiding.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
6. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 5 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.