Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/689750 / FA RK 24-8671
Beschikking van 19 februari 2026 over het gezag en de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam vader] , hierna: de vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I. van Baaren te Rotterdam.
In deze zaak zijn belanghebbenden:
[naam tante] , en
[naam oom] , hierna samen: de oom en tante,
beiden wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.K. Gopal te ’s-Gravenhage.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de vader met bijlage, ingekomen op 19 november 2024;
de schriftelijke reactie van de oom en tante, ingekomen op 26 oktober 2025;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 30 oktober 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de oom en tante, met bijlagen, ingekomen op 2 januari 2026.
De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de oom en tante, bijgestaan door hun advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De vaststaande feiten
De vader heeft een affectieve relatie gehad met [persoon B] . Uit [persoon B] is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] . De vader heeft de minderjarige erkend.
[persoon B] is overleden op 16 april 2021. Het ouderlijk gezag over de minderjarige, die ten tijde van het overlijden van haar moeder één jaar oud was, berustte op dat moment alleen bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 september 2021 zijn de oom en tante van de minderjarige benoemd tot voogden over de minderjarige. In rechtsoverweging 3.1.3. van deze beschikking staat het volgende:
De minderjarige is na het overlijden van haar moeder opgevangen in het gezin van
oom en tante. Dat hebben moeder en tante ook zo afgesproken toen moeder nog in leven was. De vader is het ermee eens dat de minderjarige bij haar oom, tante en neefjes zal opgroeien. Hij vindt het in haar belang dat ze in dit warme gezin opgroeit, in plaats van bij hem als alleenstaande vader. Hij zal op de achtergrond wel zijn rol als vader blijven vervullen en contact met de minderjarige houden. De oom en tante verklaren hierover dat zij het contact tussen de minderjarige en de vader niet in de weg zullen staan, omdat de vader in het leven van de minderjarige hoort. De vader stemt in met het verzoek van oom en tante omdat het gezien de verdeling van de zorgtaken logisch is dat ze ook de voogdij krijgen en beslissingen kunnen nemen. Ook de raad adviseert om de voogdij aan oom en tante te geven.
De minderjarige woont bij de oom en tante en hun twee minderjarige kinderen.
3. De beoordeling
Gezag
De vader verzoekt de oom en tante als voogden te ontslaan en hem te belasten met het gezag over de minderjarige.
De oom en tante voeren gemotiveerd verweer.
Artikel 1:253h lid 1 BW bepaalt dat indien na het overlijden van één van de ouders een voogd is benoemd, de rechter deze beslissing te allen tijde in dier voege kan wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast. De rechter gaat hiertoe volgens lid 2 slechts over op verzoek van de overlevende ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Indien een ouder met het gezag wordt belast, dan eindigt op grond van artikel 1:281 BW de voogdij van rechtswege.
De vader is de overlevende ouder en tot het gezag bevoegd. Hij is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.
Hoewel dit niet concreet uit de tekst van artikel 1:253h lid 2 BW volgt, moet dit artikellid naar het oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat de wijziging van omstandigheden zodanig moet zijn dat het belang van het kind met de door de overlevende ouder verzochte gezagswijziging is gediend. De rechtbank oordeelt dat dit in deze zaak niet het geval is. Zij overweegt daartoe als volgt.
Na het plotselinge overlijden van de moeder van de minderjarige zijn de oom en tante benoemd tot voogden omdat de toekomst van de minderjarige in hun gezin ligt. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het destijds zijn bedoeling was dat de minderjarige tijdelijk bij de oom en tante ging wonen, maar uit de voogdijbeschikking blijkt juist dat de vader het ermee eens was dat de minderjarige bij haar oom, tante en neefjes zou opgroeien. Van de tijdelijke intentie van de vader blijkt niets uit de beschikking en namens de oom en tante is betwist dat hierover toen is gesproken. In tegendeel, uit de beschikking blijkt expliciet dat de toekomst van de minderjarige in het gezin van oom en tante is en dat de voogdij daar bij past.
De door de vader aangevoerde gewijzigde omstandigheden, te weten dat hij anders dan na het overlijden van de moeder van de minderjarige, al geruime tijd beschikt over een eigen woning en werk en dat hij een nieuwe, stabiele relatie heeft waaruit een kind is geboren, maken het uitgesproken perspectief voor de minderjarige niet anders. Zij maakt sinds het overlijden van haar moeder bijna vijf jaar geleden, volledig deel uit van het gezin van de oom en tante. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van de minderjarige om deze stabiele opvoedingssituatie te doorbreken.
Tijdens de mondelinge behandeling is nog besproken dat het verzoek van de vader vooral is ingegeven door zijn wens om meer omgang met en betrokkenheid bij de minderjarige te hebben. Daar heeft de vader echter geen gezag voor nodig. De vader heeft als ouder immers recht op omgang met en informatie over de minderjarige. Bovendien staat de vader kennelijk een constructie voor ogen vergelijkbaar met co-ouderschap, maar miskent hij daarbij dat de oom en tante bij toewijzing van zijn verzoek de voogdij over de minderjarige zullen verliezen. De rechtbank voorziet problemen als de minderjarige een groot deel van de tijd bij de oom en tante verblijft, terwijl zij geen gezag meer over haar zouden hebben. Met een gezagswijziging ontstaat verder ook de mogelijkheid om het hoofdverblijf van de minderjarige te wijzigen naar de vader, wat niet in haar belang is. Een stabiele basis bij de oom en tante is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, mede gelet op het vroege verlies van haar moeder, van groot belang.
Het verzoek van de vader zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
Omgangsregeling
De vader verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna ook: omgangsregeling) vast te stellen tussen hem en de minderjarige van iedere woensdag en ieder weekend van vrijdag tot en met zondag, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
De oom en tante voeren gemotiveerd verweer en verzoeken bij zelfstandig verzoek de omgangsregeling vast te stellen zoals deze thans wordt uitgevoerd, te weten elke woensdag van 12:45 uur tot 17:30 uur en één weekenddag per twee weken van 10:00 uur tot 17:30 uur, dan wel de omgangsregeling verwoord onder randnummers 11, 12, en 13 van hun verweerschrift, dan wel een andere omgangsregeling rekening houdend met de jonge leeftijd van de minderjarige waarbij rust en structuur van belang is.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
De rechtbank is het met de oom en tante eens dat de regeling die de vader verzoekt niet in het belang van de minderjarige is. Bij deze regeling komt de hechting met het gezin waarin de minderjarige opgroeit in het gedrang. Zij is dan immers nooit thuis op het moment dat de kinderen van de oom en tante een dag(deel) vrij zijn van school. Volgens de oom en tante is uitbreiding van de huidige omgang mogelijk met één overnachting per maand (tot zondag 10:00 uur). Dat is dan weer naar het oordeel van de rechtbank te beperkt. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd dat het voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige belangrijk is dat zij meer tijd doorbrengt met haar vader. Volgens de raad lijkt niets in de weg te staan aan opbouw naar een volwaardige weekendregeling. De oom en tante hebben hierover nog aangevoerd dat het belaste verleden van de minderjarige, haar verlatingsangst en trauma, stabiliteit en voorspelbaarheid extra belangrijk maken en dat overnachtingen daarom zorgvuldig en stapsgewijs moeten worden opgebouwd. Zij hebben echter niet onderbouwd dat bij de minderjarige sprake is van dusdanig specifieke problematiek die maakt dat speciale voorwaarden aan de opbouw moeten worden gesteld, anders dan dat dit uiteraard geleidelijk moet plaatsvinden.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in het belang van de minderjarige de volgende opbouwende omgangsregeling vaststellen. Op zaterdag 28 februari 2026 zal de minderjarige één nacht bij de vader overnachten. Zij verblijft dan van zaterdag 28 februari 2026 10:00 uur tot zondag 1 maart 2026 10:00 uur bij de vader. Dit wordt in het weekend van 14/15 maart 2026 herhaald. In het weekend van 28/29 maart 2026 verblijft de minderjarige na de overnachting op zaterdag tot zondag 17:30 uur bij de vader. Dit wordt herhaald in de weekenden van 11/12 april 2026, 25/26 april 2026 en 9/10 mei 2026. Hierna wordt de weekendregeling verder uitgebreid met een extra overnachting op vrijdag (uit school). Zo wordt dus stapsgewijs toegewerkt naar een weekendregeling waarbij de minderjarige uiteindelijk om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17:30 uur bij de vader verblijft. De omgang elke woensdag van 12:45 tot 17:30 uur blijft daarnaast bestaan. De rechtbank vertrouwt erop dat de oom en tante de minderjarige op de uitbreiding van de omgang zullen voorbereiden en in de gaten zullen houden of de minderjarige hier goed aan kan wennen.
Met betrekking tot de schoolvakanties en feestdagen geldt dat het uitgangspunt verdeling bij helfte is. De rechtbank acht het echter niet in het belang van de minderjarige om dat op dit moment, waarop de minderjarige nog niet één overnachting bij de vader heeft gehad, in een omgangsregeling vast te leggen. Het is aan partijen om dit in onderling overleg vorm te geven.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek van de vader om hem te belasten met het gezag over de minderjarige;
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht bij de vader zal zijn als volgt:
- iedere woensdag van 12:45 tot 17:30 uur;
en daarnaast:
- in het weekend van 28 februari/1 maart 2026 en in het weekend van
14/15 maart 2026; van zaterdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur;
in de weekenden van 28/29 maart 2026, 11/12 april 2026, 25/26 april 2026 en 9/10 mei 2026; van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:30 uur;
en vervolgens telkens om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17:30 uur;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Veer, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 19 februari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.