ECLI:NL:RBROT:2026:4377

ECLI:NL:RBROT:2026:4377

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 10/124864-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor een poging doodslag waarbij het slachtoffer drie keer met een mes is gestoken. Beroep op noodweer(exces) verworpen. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/124864-25

Datum uitspraak: 8 april 2026

Datum zitting: 25 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven op het adres:

[adres] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. B. Çiçek

Officier van justitie: mr. N. Aandewiel

Benadeelde partij: [slachtoffer]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. J. Vermaat

Kern van het vonnis

Veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor een poging doodslag waarbij het slachtoffer drie keer met een mes is gestoken. Beroep op noodweer(exces) verworpen. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met een ander, geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een mes in de rug, de lies en/of de kuit te steken. De subsidiaire beschuldiging ziet op het in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de meer subsidiaire beschuldiging op een poging daartoe.

De tenlastelegging houdt in dat:

primair

hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een slagaderlijke bloeding in de lies, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam te steken;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot doodslag.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de poging tot doodslag. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Daarnaast heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweer(exces). Op deze verweren zal nader worden ingegaan bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Bekennende verklaring van de verdachte

U, de voorzitter, vraagt mij wat er op 21 april 2025 is gebeurd bij het Tuschinskipark in Rotterdam.

Ik had een mes in mijn zak. Ik trok het mes en stak [slachtoffer] in zijn onderbeen. Ik heb hem daarna in zijn rechter bovenbeen gestoken. Daarna heb ik hem voor de derde keer gestoken, boven in de schouder aan zijn rechterkant.

2. Schriftelijk stuk

Forensisch Medische Letselrapportage, betreffende [slachtoffer] d.d. 5 augustus 2025

Letselvertaling op basis van medische informatie Erasmus MC afdeling spoedeisende hulp, betreffende consult op 22-04-2025.

Objectieve bevindingen:

- Steekverwonding ter plaatse van rechter schouderblad, met daarbij klaplong.

- Steekverwonding rechter bovenbeen, aldaar kleine bloeding.

- Steekverwonding rechter onderbeen.

Bewijsmotivering

Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen dient de rechtbank vast te stellen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – was gericht op de dood van het slachtoffer. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte de bedoeling had om het slachtoffer te doden. Er is dan ook geen sprake van vol opzet.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van voorwaardelijk opzet, gericht op de dood van het slachtoffer. Daarvoor is vereist dat de verdachte moet hebben geweten dat door zijn handelen de aanmerkelijke kans bestond dat de dood van het slachtoffer zou intreden en dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De verdachte heeft het slachtoffer in zijn rechter schouderblad, rechter boven- en onderbeen gestoken. Het slachtoffer heeft daardoor steekwonden en een klaplong opgelopen. Omdat één van de longen is geraakt, moet de verdachte met kracht op het slachtoffer hebben ingestoken. Het is algemeen bekend dat letsel aan vitale organen kan leiden tot de dood.

Anders dan de verdediging komt de rechtbank gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte moet hebben geweten dat, toen hij driemaal met kracht met een mes instak op het slachtoffer (in het bijzonder op het bovenlichaam), er een aanmerkelijke kans bestond dat hij vitale organen in het lichaam van het slachtoffer zou raken waardoor het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden, en dat hij deze kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht het medeplegen niet bewezen omdat niet vastgesteld kan worden dat de medeverdachte ook heeft gestoken en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

primair

hij op 21 april 2025 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, in de rug, het bovenbeen en de kuit, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

primair

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Beroep op noodweer(exces)

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, omdat hem een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was. Het slachtoffer greep naar zijn broek, waarna hij met de broer van de verdachte (tevens medeverdachte) in gevecht raakte en in het water belandde. Het slachtoffer heeft de broer van de verdachte vervolgens flink aangepakt met een voorwerp in zijn hand. Met het mes dat de verdachte bij zich had, heeft hij geprobeerd om het slachtoffer te verwonden zodat het slachtoffer de broer van verdachte los zou laten.

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte die het gevolg was van de chaos waarin hij was beland. Hij heeft gehandeld in pure paniek, met de angst dat zijn broer de confrontatie met het slachtoffer niet zou overleven.

Oordeel van de rechtbank

Het beroep op noodweer slaag niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer en zijn broer bij een schermutseling in het water zijn beland. Het slachtoffer hield de broer van de verdachte vast. De verdachte is vervolgens op het slachtoffer gesprongen om zijn broer los te krijgen. Omdat het de verdachte niet lukte zijn broer uit de greep van het slachtoffer te bevrijden, heeft de verdachte een mes getrokken en het slachtoffer gestoken.

Anders dan door de verdediging is betoogd zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zichzelf of zijn broer met een mes moest verdedigen. Uit de verklaring van de verdachte ter zitting volgt dat het slachtoffer zijn broer vasthield en niet losliet. Ook op basis van de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de geweldssituatie – waarin het slachtoffer, de verdachte en zijn broer verzeild raakten – van dien aard was dat zijn broer dusdanig in gevaar was dat de verdachte moest ingrijpen om zijn broer te beschermen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Omdat er geen sprake is van een noodweersituatie behoeft een situatie van noodweerexces niet meer te worden besproken. Ook dit verweer wordt verworpen.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het locatieverbod.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de hoogte van de gevangenisstraf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling. Tevens is verzocht om geen locatieverbod op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft het slachtoffer op de openbare weg in zijn rug, boven- en onderbeen gestoken. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer verschillende steekwonden en een klaplong opgelopen.

Door zijn handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. De verdachte is na het steekincident direct weggerend, zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. Als de verdachte niet door omstanders en hulpdiensten was geholpen hadden de gevolgen voor hem veel ernstiger kunnen zijn. Dit soort strafbare feiten is in zijn algemeenheid schokkend voor de samenleving en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 december 2025 blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 14 juli 2025 staat het volgende.

De reclassering kan geen risicofactoren benoemen die tot herhaald gedrag zouden kunnen leiden, omdat de verdachte ten tijde van het gesprek met de reclassering ontkende. Wel ziet de reclassering enkele problemen in zijn bestaan. Zo heeft de verdachte een beperkte dagbesteding, gaat hij (ook) met jongeren om die politiecontacten hebben en blowt hij dagelijks. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, een ambulante behandeling indien nodig, een contactverbod met het slachtoffer, een locatieverbod, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit dient een gevangenisstraf te worden opgelegd. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Er wordt een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf wordt 8 maanden voorwaardelijk opgelegd.

Het voorwaardelijke deel van de straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan het voorwaardelijke van de straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van een locatieverbod. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.De bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht, een ambulante behandeling indien nodig, een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] , dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf heeft uitgezeten.

5. Vordering van de benadeelde partij

Vordering [slachtoffer]

(bijgestaan door mr. J. Vermaat) heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 17.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk met zijn broer worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 12.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen, omdat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Daarnaast is de causaliteit tussen het handelen van de verdachte en een deel van de gevorderde schade onvoldoende duidelijk.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. Hij heeft als gevolg van het steekincident een klaplong opgelopen en steekwonden die gehecht moesten worden. Deze wonden hebben littekens op zijn schouderblad, rechter boven- en onderbeen opgeleverd. Ook is de benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon aangetast. De aard en ernst van het bewezen verklaarde misdrijf in deze zaak zijn van dien aard dat het in de rede ligt dat de benadeelde partij daar ook geestelijk letsel van heeft ondervonden en dus ook op die grond recht heeft op vergoeding van immateriële schade (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 7.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het (geestelijk) letsel. Verder is bij de begroting gekeken naar de schadebedragen uit de ‘Rotterdamse Schaal’. De vordering wordt tot het hiervoor genoemde bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Beoordeling van dit gedeelte van de vordering leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Dit geldt ook voor het beroep dat door de verdediging gedaan is op eigen schuld van het slachtoffer.

Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 7.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd dat de schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 april 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op (als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht). Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat de 8 (acht) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zal zich gedurende de proeftijd melden bij de reclassering, zo lang en zo frequent als deze dit nodig acht. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak. Hij dient zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De verdachte dient telefonisch en per post bereikbaar te zijn. Indien er sprake is van een behandeling zal de reclassering voortgang controleren en evaluaties bijwonen;

2. Indien ten tijde van de meldplicht blijkt dat behandeling aan de orde lijkt, voert de verdachte een intakegesprek bij forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Wanneer hieruit een behandeladvies voortvloeit, krijgt hij de inspanningsverplichting deze op positieve wijze te volgen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De behandeling/begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling/begeleiding.

Indien ten tijde van de meldplicht een behandeling ten behoeve van het middelengebruik nodig blijkt, krijgt de verdachte de inspanningsverplichting een intakegesprek te voeren bij de forensische verslavingszorg. Wanneer hieruit een behandeladvies voortvloeit, krijgt hij de inspanningsverplichting deze op positieve wijze te volgen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. de verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2005;

4. de verdachte zal de inburgeringscursus op positieve wijze afsluiten. Daarnaast spant hij zich in voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding met een vaste structuur;

5. de verdachte zal meewerken aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik beter in beeld te krijgen en zo mogelijk beter te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle welke bij voorkeur plaats dient te vinden met de RUMA-marker. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. Bij ernstige bezwaren tegen het gebruik van de RUMA-marker is de reclassering genoodzaakt tot het doen van visuele controles, uitgevoerd door een externe partij, gevestigd te Rotterdam.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Vordering benadeelde partij

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 7.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf

21 april 2025 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering alleen kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit primair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] aan de staat € 7.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 62 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L. Luiten, voorzitter,

en mrs. D.C.J. Peeck en J.A. Terstegge, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.

Mr. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.L. Luiten

Griffier

  • mr. K. Dere

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?