Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/124868-25
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum zitting: 25 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Durdu
Officier van justitie: mr. N. Aandewiel
Benadeelde partij: [slachtoffer]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. J. Vermaat
Kern van het vonnis
De verdachte wordt integraal vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag, dan wel het medeplegen van zware mishandeling dan wel een poging daartoe.
De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – samen met een ander, geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een mes in de rug, de lies en/of de kuit te steken. De subsidiaire beschuldiging ziet op het in vereniging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de meer subsidiaire beschuldiging op een poging daartoe.
De tenlastelegging houdt in dat:
primair
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een slagaderlijke bloeding in de lies, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam te steken;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp puntig voorwerp, in de rug, de lies en/of de kuit, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot doodslag.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Er kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de bekennende verklaring bij de politie, omdat de verdachte die verklaring heeft afgelegd om zijn broer [medeverdachte] vrij te pleiten. Uit het proces-verbaal van dat verhoor blijkt dat de verdachte geen daderwetenschap had.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de beschuldiging niet bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Vaststaat dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] op 21 april 2025 laat in de avond hebben ontmoet bij het Tuschinskipark in Rotterdam. Zij hebben ruzie gekregen waarbij geslagen en geduwd zou zijn. De verdachten en het slachtoffer zijn op enig moment in het water van de Coolhaven beland, waar het slachtoffer is gestoken. De verdachten zijn uit het water gekomen en weggerend. Het slachtoffer is door een omstander uit het water gehaald. Het slachtoffer bleek potentieel dodelijk letsel te hebben.
Omstanders hebben verklaringen afgelegd over wat er tussen de verdachten en het slachtoffer is voorgevallen. Het is niet mogelijk om op basis van deze verklaringen vast te stellen wat er precies gebeurd is en welke rol de verdachte daarin heeft gehad omdat deze getuigen niet consistent hebben verklaard en hun verklaringen op belangrijke punten uiteenlopen.
Uit het politieverhoor van de verdachte blijkt dat de verdachte zijn verklaring een aantal keren bijstelde op basis van de informatie die hij gedurende het verhoor van de verbalisanten kreeg. Zo geeft één van de verbalisanten aan dat het slachtoffer met fors letsel naar het ziekenhuis is vervoerd en vraagt aan de verdachte hoe het slachtoffer aan het letsel is gekomen. De verdachte antwoordt dan dat zij hebben gevochten en elkaar hebben geslagen. De verbalisant geeft vervolgens aan dat het letsel niet is ontstaan door slaan of klappen en herhaalt de vraag. De verdachte zegt dan “Dus niet door klappen ontstaan?”, “Misschien door een steen, ik heb op dat moment alles gepakt wat ik kon pakken”. Pas als de verbalisanten hem voorhouden dat het slachtoffer zegt dat hij gestoken is door de verdachte en zijn broer, zegt de verdachte dat hij het slachtoffer heeft gestoken met het mes dat hij eerder van hem heeft afgepakt. Dit verloop lijkt te passen bij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij zijn broer wilde vrij te pleiten.
De medeverdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat hij het slachtoffer met een mes heeft gestoken. De medeverdachte heeft deze verklaring afgelegd zonder dat hem verteld was wat de aangifte was of welk letsel het slachtoffer had. De rechtbank acht deze verklaring meer betrouwbaar dan de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij het slachtoffer heeft gestoken.
Gelet op het voorgaande en op basis van het dossier kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte het slachtoffer heeft gestoken. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het medeplegen van een poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling dan wel een poging daartoe.
3. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
(bijgestaan door mr. J. Vermaat) heeft als benadeelde partij voor het ten laste gelegde feit € 17.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.
De rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
4. Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-.
5. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.L. Luiten, voorzitter,
en mrs. D.C.J. Peeck en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.
Mr. Terstegge is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.