RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 25 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 27 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 maart 2026.
Ter zitting van 18 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
Verweerster heeft voorafgaand aan de zitting op 16 maart 2026 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij inkomen genereert uit een nulurencontract, maar dat hij wekelijks fulltime (36 uur per week) werkt. Het inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur bedraagt € 1.975,- per maand. De huurtermijn van maart 2026 is, weliswaar door een derde, tijdig op 28 februari 2026 voldaan. Verzoeker heeft – sinds kort – beschermingsbewind, waardoor ook voldoende wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald zullen worden.
3. Het verweer
Verweerster stelt zich – kort samengevat – op het volgende standpunt. Tot en met maart 2026 is er sprake van een totale huurachterstand van € 7.386,66. Verzoeker laat de huurachterstand telkens oplopen, om vervolgens een deel van de huurachterstand in te lopen met een fors bedrag. Verweerster heeft er dan ook geen vertrouwen in dat verzoeker tijdens de voorlopige voorziening wel tijdig en volledig zijn lopende huurtermijnen zal voldoen. Ook heeft verzoeker zich pas zeer recent aangemeld voor schuldhulpverlening en beschermingsbewind. Verzoeker heeft nooit eerder geprobeerd een oplossing voor zijn schuldenproblematiek te vinden. Daarnaast is er sprake van overlast in de woning. Verweerster verwijst hiervoor naar de politierapporten van de overlastmeldingen en de brief van de burgemeester van 19 september 2025 omtrent de sluiting van de woning. Het belang van verweerster dient te prefaleren boven het belang van verzoeker. Verweerster verzoekt het verzoek af te wijzen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van maart 2026 is, weliswaar door een derde, tijdig op 28 februari 2026 voldaan. Daarnaast is beschermingsbewind inmiddels uitgesproken, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
Ten aanzien van het verweer inzake de overlast, oordeelt de rechtbank dat dit niet meegewogen kan worden in de beoordeling van onderhavig verzoekschrift. De rechtbank neemt immers als uitgangspunt het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 30 januari 2026. In dit vonnis is bepaald dat enkel de betalingsachterstand ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. In dit vonnis is overlast niet als grond opgenomen voor de ontbinding.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 januari 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 27 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.