RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 25 maart 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 17 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 maart 2026.
Ter zitting van 18 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker ontvangt inkomen uit een Participatiewet-uitkering. De huur bedraagt € 1.059,01 per maand. Het inkomen van verzoeker is te laag om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Verzoeker heeft het afgelopen jaar wel maandelijks een bedrag van € 500,- betaald. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat er woonkostentoeslag is aangevraagd, om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Naar alle waarschijnlijkheid zal er niet voor 1 april 2026 een beslissing zijn genomen op de aanvraag woonkostentoeslag. Schuldhulpverlening wil proberen de huurtermijn van april 2026 te betalen vanuit een fonds. Verzoeker verblijft op dit moment, gedurende nog drie weken, bij Antes.
3. Het verweer
Ter zitting heeft verweerster het volgende verklaard. Verzoeker heeft nimmer op berichten van verweerster gereageer. Bij de kantonrechter is verzoeker niet verschenen. Verweerster vindt het dan ook opmerkelijk dat verzoeker nu pas in actie komt. Verzoeker voert nu, voor het eerst, aan dat de lopende huurtermijnen te hoog zijn. Verweerster wordt zeer onevenredig zwaar getroffen bij toewijzing van de voorlopige voorziening. Er is inmiddels sprake van een totale huurachterstand van circa € 15.000,-, exclusief kosten en rente. Verweerster verzoekt het verzoek af te wijzen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 2 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 februari 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 24 december 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat het inkomen van verzoeker (een participatiewet-uitkering) te laag is om de lopende huurtermijnen (van € 1.059,01) te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat er woonkostentoeslag is aangevraagd om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Schuldhulpverlening heeft noch met stukken onderbouwd dat deze aanvraag is ingediend noch inzichtelijk gemaakt wanneer op deze aanvraag zal worden beslist. Ook is de verklaring van schuldhulpverlening dat de huurtermijn van april 2026 mogelijk kan worden voldaan vanuit een fonds een te onzekere factor voor de rechtbank om te kunnen oordelen dat voldoende gewaarborgd is dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat – op dit moment – het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject – op dit moment – niet is afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het verzoeker vrij staat een hernieuwd verzoek te doen. Voorts staat het verzoeker vrij om een gemotiveerd en volledig verzoekschrift ex artikel 284 Fw in te dienen, al dan niet gepaard met een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Fw.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.