RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 3 april 2026
In de zaak van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 9 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 27 maart 2026.
Ter zitting van 27 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De advocaat van verzoekster heeft op 30 maart 2026 en 1 april 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomen uit arbeid van circa € 1.700,- netto per maand. De partner van verzoekster heeft, sinds kort, een inkomen uit arbeid van circa € 2.100,- netto per maand. Ook ontvangt verzoekster, sinds maart 2026, zorg- en huurtoeslag en kindgebonden budget. De huur bedraagt circa € 670,- per maand. Het inkomen van verzoekster en haar partner is op dit moment ruim voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Ook heeft verzoekster een fonds aangevraagd voor betaling van de huurtermijnen van maart en april 2026. Uit de aanvullende stukken van 1 april 2026 is gebleken dat het fonds de betalingen op 31 maart 2026 aan verweerster heeft verricht. Daarnaast heeft verzoekster, samen met Stichting Nieuw Vaarwater, een verzoek ingediend tot onderbewindstelling. Naar verwachting zal het beschermingsbewind op korte termijn worden uitgesproken, waardoor voldoende aannemelijk is dat lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Ook heeft verzoekster twee minderjarige inwonende kinderen, die belang hebben om in de woning te kunnen blijven wonen.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster psychische problematiek heeft en een gokverslaving. Verzoekster heeft hiervoor hulp gevraagd. Ook heeft zij zich ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen, waardoor zij niet meer kan gokken.
Er loopt een verzetprocedure tegen het ontruimingsvonnis. Verzoekster was van de procedure bij de kantonrechter niet op de hoogte omdat de post daarvoor is gericht aan haar voormalige beschermingsbewindvoerder. Dit terwijl het bewind in januari 2025 al was opgeheven omdat het financieel toen allemaal goed verliep. De situatie van verzoekster is kort daarna echter weer verslechterd, toen zij ging samenwonen. Haar toeslagen werden stopgezet terwijl haar partner vanwege een lopende procedure bij de IND nog geen inkomen in Nederland kon genereren.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 24 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Gebleken is echter, dat bij vonnis van 7 september 2023 aan verzoekster reeds een moratorium ex artikel 287b Fw voor de duur van zes maanden is toegekend. De vraag rijst daarom of het eerdere moratorium aan toewijzing van het onderhavige verzoek in de weg staat (gelet op artikel 287b, vijfde lid, Fw). Naar het oordeel van de rechtbank is dat in dit geval niet aan de orde, nu aan het eerdere moratoriumverzoek een andere executoriale titel (een vonnis van 28 juni 2022) ten grondslag lag. De huurschuld die ten grondslag lag aan het vonnis van 28 juni 2022, is voldaan. Wel kan het feit dat daarna opnieuw een huurschuld is ontstaan die tot een ontruimingstitel heeft geleid, meewegen in de door de rechtbank te maken belangenafweging.
Artikel 287b Fw bevat immers geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar minderjarige kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 29 januari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen inmiddels weer kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster en haar partner hebben het afgelopen jaar een tijd lang weinig inkomen gehad. Inmiddels is die situatie echter gewijzigd en is er voldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. Verzoekster ontvangt sinds maart 2026 weer toeslagen en haar partner heeft sinds kort inkomen uit arbeid. Ook is een aanvraag ingediend bij een aan de Stichting Nieuw Vaarwater gelieerd fonds om de huurtermijnen van maart en april 2026 te voldoen. Uit de aanvullende stukken van 1 april 2026 is gebleken dat het fonds de betalingen op 31 maart 2026 aan verweerster heeft verricht.
Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat het beschermingsbewind naar verwachting op korte termijn (opnieuw) zal worden uitgesproken, waarna er door de Stichting Nieuw Vaarwater als beschermingsbewindvoerder een minnelijk schuldhulpverleningstraject in gang zal worden gezet (als bedoeld in artikel 287b lid 3 Fw jo. artikel 287a lid 7 Fw). Bovendien is daarmee gewaarborgd dat de lopende verplichtingen tijdig zullen worden voldaan.
Verder heeft verzoekster twee minderjarige inwonende kinderen, die belang hebben om in de woning te kunnen blijven wonen.
Ook heeft verzoekster opnieuw hulp gezocht voor haar persoonlijke problematiek. Verzoekster heeft daarmee verschillende stappen gezet om de situatie die heeft geleid tot het (voor een tweede keer) laten ontstaan van een huurschuld, onder controle te krijgen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster en haar kinderen naar het oordeel van de rechtbank toch zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 29 januari 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 9 maart 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.