ECLI:NL:RBROT:2026:4398

ECLI:NL:RBROT:2026:4398

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 08-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 10-078974-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Op 18 maart 2023 heeft de verdachte aan het slachtoffer één klap in zijn gezicht gegeven, waarna het slachtoffer ten val is gekomen. Door deze val is ernstig schedelhersenletsel ontstaan dat ertoe heeft geleid dat het slachtoffer is overleden. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan mishandeling met de dood als gevolg. Hij wordt vrijgesproken van doodslag alsmede van zware mishandeling met de dood als gevolg. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 180 dagen (zes maanden) met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk en daarbovenop een taakstraf van 150 uur. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-078974-23

Datum uitspraak: 8 april 2026

Datum zitting: 25 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode 1] [woonplaats] ,

feitelijk verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode 2] [verblijfplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. N. Assouiki

Officier van justitie: mr. X.C. van Balen

Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en de erfgenamen van [persoon A]

Advocaat van de benadeelde partijen: mr. F.J.M. Hamers

Kern van het vonnis

Op 18 maart 2023 heeft de verdachte aan het slachtoffer [slachtoffer] één klap in zijn gezicht gegeven, waarna het slachtoffer ten val is gekomen. Door deze val is ernstig schedelhersenletsel ontstaan dat ertoe heeft geleid dat het slachtoffer is overleden. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan mishandeling met de dood als gevolg. Hij wordt vrijgesproken van doodslag alsmede van zware mishandeling met de dood als gevolg. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 180 dagen (zes maanden) met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk en daarbovenop een taakstraf van 150 uur. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - op 18 maart 2023 schuldig heeft gemaakt aan doodslag, subsidiair zware mishandeling met de dood als gevolg en meer subsidiair mishandeling met de dood als gevolg.

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat

primairhij op of omstreeks 18 maart 2023 te Maassluis [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met kracht in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen;

subsidiairhij op of omstreeks 18 maart 2023 te Maassluis aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hersen- en/of schedeltrauma, heeft toegebracht, door met kracht in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair hij op of omstreeks 18 maart 2023 te Maassluis [slachtoffer] heeft mishandeld door met kracht in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het meer subsidiaire feit en wordt vrijgesproken van het primaire (doodslag) en subsidiaire feit (zware mishandeling met de dood tot gevolg).

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit voor het primaire en subsidiaire feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak doodslag en zware mishandeling met de dood als gevolg

Deze beschuldigingen zijn niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

meer subsidiair:hij op 18 maart 2023 te Maassluis [slachtoffer] heeft mishandeld door in/tegen het gezicht, van voornoemde [slachtoffer] te slaan, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte ter terechtzitting

2. Deskundigenverslag

3. Proces-verbaal van de politie, verklaring van getuige [getuige]

Bewijsmotivering

De rechtbank stelt, op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, vast dat de verdachte een klap heeft uitgedeeld aan het slachtoffer [slachtoffer] , waarna het slachtoffer op de straat ten val is gekomen. Op grond van de inhoud van het rapport van de patholoog stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer om het leven is gekomen als gevolg van ernstig schedelhersenletsel door een hevige stomp botsende krachtinwerking die is veroorzaakt door de genoemde val op de straat. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat is bewezen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een klap in het gezicht te geven en dat deze mishandeling de dood ten gevolg heeft gehad.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

meer subsidiair

mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straffen

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Als

bijzondere voorwaarde moet een locatieverbod voor de gemeente Maassluis worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer] met de dood tot gevolg. Het slachtoffer liep in de nacht van 18 maart 2023 met zijn destijds 14-jarige zoon terug van een feest en besloot bij wijze van grap op een raam van een willekeurige woning te kloppen. De verdachte bevond zich in die betreffende woning en is vervolgens achter het slachtoffer aan gelopen om te vragen waarom hij op het raam had geklopt. Hoewel de verdachte op enig moment besloot stil te staan en niet verder door te lopen, omdat het slachtoffer toch al verderop was geraakt, besluit het slachtoffer op dat moment terug te keren en met stevige pas op de verdachte af te komen. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een fysieke confrontatie, waarbij het slachtoffer een eerste duw heeft gegeven aan de verdachte. Nadat er gedurende drie seconden over en weer werd geduwd, heeft de verdachte één klap in het gezicht van het slachtoffer gegeven, waarna het slachtoffer direct op de grond is gevallen. Mogelijk ontbrak op dat moment een valreflex bij het slachtoffer als gevolg van de klap, al dan niet in samenhang met de alcohol die het slachtoffer vóór het incident had gedronken. Maar, zoals de patholoog het verwoordt, ook zonder toxicologische beïnvloeding kunnen bij een val van stahoogte, waarbij het hoofd onbeschermd op een (harde) ondergrond terechtkomt, voldoende krachten vrijkomen om het vastgestelde letsel te veroorzaken. Als gevolg van deze val is bij het slachtoffer ernstig schedelhersenletsel ontstaan, dat er uiteindelijk toe heeft geleid dat het slachtoffer later in het ziekenhuis is overleden.

Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte gericht het slachtoffer op zodanige wijze heeft geslagen dat daaruit kan worden afgeleid dat het zijn bedoeling was om hem bewusteloos te slaan, noch dat dit met zulke kracht gebeurde dat dit een logisch gevolg daarvan was of kon zijn. De val van het slachtoffer was uiteindelijk ontstellend ongelukkig, met vreselijke en verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer, maar ook voor de verdachte die met diens dood op zijn geweten verder moet leven.

En hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden, worden de fatale gevolgen van zijn gedragingen wel aan hem toegerekend. Door het handelen van verdachte is het slachtoffer namelijk zijn leven kwijtgeraakt. Het overlijden van het slachtoffer heeft daarnaast onherstelbaar leed veroorzaakt voor zijn nabestaanden. Zij zullen hem voor altijd moeten missen. Uit de slachtofferverklaring van de zoon van het slachtoffer blijkt de enorme impact die het overlijden van zijn vader op zijn leven heeft en op dat van de rest van de familie en de vrienden van het slachtoffer.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 6 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapporten van deskundige en de reclassering

In het rapport van psycholoog [persoon B] van 23 juni 2023 staat onder meer het volgende. Volgens de psycholoog is er geen sprake van een psychische stoornis of een verstandelijke beperking die kan hebben doorgewerkt tijdens het strafbare feit. De verdachte had weliswaar alcohol genuttigd, maar zijn keuzevrijheid werd daardoor niet ingeperkt.

Het recidiverisico wordt verder als laag ingeschat. Volgens de psycholoog beschikt de verdachte over voldoende zelfcontrole, empathie en copingvaardigheden. Hij heeft geen gewelddadige denkbeelden of intenties en keurt agressieve uitingen af. Ook is er veel stabiliteit ontstaan in de leven van de verdachte. Daarnaast is er geen sprake van overmatig middelengebruik. De psycholoog ziet geen problemen met betrekking tot de leefomstandigheden en het (sociale) netwerk van de verdachte. De psycholoog onthoudt zich van een strafrechtelijk interventie advies, omdat er geen sprake is van een psychische stoornis of verstandelijke beperking bij de verdachte.

Fivoor heeft op 28 juni 2023 en 24 maart 2026 over de verdachte gerapporteerd. In de rapporten staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Er zijn geen signalen van herhaal risicovol of agressief gedrag. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering overwegend stabiel. Er is geen sprake van middelengebruik, psychiatrische problematiek of een negatief sociaal netwerk. De verdachte heeft een beperkte schuldenlast van circa € 3.000,-. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.Volgens de reclassering kan het opleggen van een gevangenisstraf aanmerkelijk gevolgen hebben voor de verdachte, zoals het verlies van inkomsten en dagbesteding. De verdachte is in staat om een taakstraf uit te voeren of een financiële sanctie te voldoen.

Overige persoonlijke omstandigheden

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft eerder excuses willen aanbieden aan de nabestaanden van het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen vanwege het opgelegde contactverbod. De verdachte staat open voor mediation. Hij woont samen met zijn partner in een huurwoning en is werkzaam als rioleringsmonteur. De verdachte is al enige tijd geleden gestopt met het nuttigen van alcohol. De partner van de verdachte is vijf maanden zwanger en hij wenst de oma van zijn partner te bezoeken in Maassluis zodra zijn kind is geboren, maar het gevorderde locatieverbod zou hem dat onmogelijk maken. De verdachte heeft verder geen binding met Maassluis en hij is niet van plan de nabestaanden van het slachtoffer op te zoeken of daar om andere reden te zijn.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en twee weken verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Hoewel tijdsverloop niets afdoet aan de ernst van het feit en de consequenties die het heeft gehad (en nog steeds heeft voor de nabestaanden), is dit wel een omstandigheid die de rechtbank dient mee te wegen bij de hierna op te leggen straffen.

Oplegging straffen

Gelet op de ernst van het strafbare feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De verdachte heeft al 104 dagen in voorlopige hechtenis gezeten voor dit feit. Daarom wordt aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 180 dagen (zes maanden) met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank ziet af van het opleggen van een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Ook houdt de rechtbank rekening met de bijzondere omstandigheden waaronder de verdachte het strafbare feit heeft begaan. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat de verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Ook heeft de rechtbank er oog voor dat het feit op de verdachte zelf veel impact heeft gehad en dat hij oprecht spijt en verdriet lijkt te hebben van het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Daarnaast weegt de rechtbank, zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van het feit en de onomkeerbare gevolgen daarvan, in strafmatigende zin mee, dat het slachtoffer zelf de confrontatie heeft opgezocht met de verdachte en derhalve dus ook zelf een aandeel heeft gehad in het incident en de ongelukkigheid van de val van het slachtoffer en daarmee de ernstige gevolgen, waarop de verdachte in het geheel niet de bedoeling had. Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen ander strafdoel meer dan vergelding om aan de verdachte een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat laat echter onverlet dat het verschrikkelijk is dat het incident voor het slachtoffer een dodelijke afloop heeft gehad. Daarom wordt vanuit het oogpunt van vergelding aan de verdachte, naast voormelde gevangenisstraf, ook een taakstraf voor de duur van 150 uur opgelegd.

De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan de verdachte een locatieverbod voor de gemeente Maassluis op te leggen gelet op de verklaring van de verdachte dat hij nabestaanden niet zal opzoeken.

5. Vordering van de benadeelde partijen

De nabestaanden van het slachtoffer hebben zich in het geding gevoegd en hebben vergoeding gevorderd van de volgende schade:

[benadeelde 2] (de zoon van het slachtoffer):

- primair € 10.000,-, subsidiair € 7.900,- en meer subsidiair € 1.975,- schade wegens gederfd levensonderhoud;

- € 20.000,- affectieschade;

- € 30.000,- schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze;

- € 5.000,- nader te onderbouwen schade.

[benadeelde 1] (de broer van het slachtoffer):

- € 3.530,40 kosten voor lijkbezorging;

- € 2.000,- nader te onderbouwen schade.

De erfgenamen van [persoon A] (de vader van het slachtoffer):

- € 2.859,55 kosten voor lijkbezorging;

- € 17.500,- affectieschade.

Alle partijen hebben verzocht dat hun vordering wordt vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt toegepast.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van [benadeelde 2] kan worden toegewezen voor een bedrag van € 60.000,-. De vordering van [benadeelde 1] kan worden toegewezen voor een bedrag van

€ 3.530,40. De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] moeten niet ontvankelijk worden verklaard in hun vordering voor wat betreft de nader te onderbouwen schade, omdat het nog ongewis is dat hoger beroep zal volgen. De vordering van de gezamenlijke erfgenamen van [persoon A] kan geheel worden toegewezen.

De officier van justitie verzoekt de rechtbank ten aanzien van alle (toewijsbare) vorderingen de wettelijke rente toe te passen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De vordering van [benadeelde 2] ten aanzien van de affectieschade kan worden toegewezen. De overige schadeposten moeten niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering ten aanzien van schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze is juridisch complex en vergt een zelfstandige onderbouwing. De behandeling van de schadeposten van gederfd levensonderhoud levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De verdediging verzoekt de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft de kosten voor de lijkbezorging te beperken tot de voldoende onderbouwde redelijke kosten. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering ten aanzien van de nader te onderbouwen schade.

De vordering van de erfgenamen van [persoon A] ten aanzien van de affectieschade moet niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het een hoogstpersoonlijk recht is dat in beginsel niet overgaat op erfgenamen. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de kosten van de lijkbezorging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de nabestaanden begrijpelijkerwijs diep zijn getroffen door het plotselinge overlijden van het slachtoffer en dat er sprake is van enorm verdriet. De vorderingen zullen desondanks beoordeeld moeten worden binnen de wettelijke context. Met andere woorden: schadevergoedingsvorderingen kunnen alleen worden toegewezen als daarvoor een wettelijke grondslag aanwezig is en de schade op grond van een juridische beoordeling voor toewijzing in dit strafproces in aanmerking komt.

De rechtbank zal hierna de individuele vorderingen beoordelen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

Materiële schade

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft € 10.000,- (subsidiair € 7.900,- en meer subsidiair € 1.975,-) als vergoeding van materiële schade gevorderd wegens gederfd levensonderhoud. De verdediging heeft de vordering betwist. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Deze post laat zich dan ook niet eenvoudig vaststellen, gelet op de aard en omvang ervan, en de overgelegde stukken bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de zoon is van het slachtoffer en dus tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108 lid 4 BW aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. Nu deze schadepost niet is betwist door de verdediging, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Daarnaast heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW een vergoeding van € 30.000,- aan immateriële schade gevorderd voor aantasting in de persoon op andere wijze, in die zin dat het wegvallen van een vaderfiguur een inbreuk

is op de ontwikkeling en het (zelf)vertrouwen van een kind en leidt tot een onwettige inmenging in het gezinsleven. De verdediging heeft dit deel van de vordering betwist. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Deze post laat zich dan ook niet eenvoudig vaststellen, gelet op de aard en omvang ervan, en de overgelegde stukken bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nader te onderbouwen schade

De benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

Materiële schade

De benadeelde partij heeft een vergoeding van € 3.530,40 voor de kosten van de lijkbezorging gevorderd. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Nader te onderbouwen schade

De benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering benadeelde partij erfgenamen van [persoon A]

Materiële schade

De erfgenamen van [persoon A] hebben een vergoeding van € 2.859,55 aan kosten voor lijkbezorging gevorderd. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat [persoon A] kort voor de zitting is overleden en dat de vordering daarom is ingediend namens zijn gezamenlijke erfgenamen.

Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd en is door de verdediging niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen ten behoeve van de erfgenamen van [persoon A] .

Immateriële schade

De erfgenamen van [persoon A] hebben € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het recht op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW is een hoogstpersoonlijk recht, in die zin dat de benadeelde zelf beslist of hij hierop aanspraak wenst te maken en daarom zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:106 BW blijkt dat er geen reden is waarom het door het slachtoffer ondergane leed nog tot een vergoedingsplicht leidt ‘als de vergoeding niet meer kan dienen om zijn leed te verzachten of hem genoegdoening te verschaffen’. Volgens de wetgever brengt het ‘bijzondere karakter’ van het recht op immateriële schadevergoeding mee dat deze vergoeding ook ‘daadwerkelijk aan de benadeelde ten goede moet komen, mede omdat hem alleen dan genoegdoening in zijn relatie tot de laedens wordt verschaft’.

In geval van overlijden van de benadeelde kan een aanspraak op een vergoeding van immateriële schade alleen onder algemene titel overgaan (vererven) wanneer de benadeelde aan de wederpartij heeft medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken. Dit komt tot uiting in het mededelingsvereiste van artikel 6:95 lid 2 BW. In onderhavige zaak heeft de advocaat van de benadeelde partij op de zitting aangegeven dat een dergelijke mededeling ontbreekt. Reeds om die reden is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de betwisting daarvan, onvoldoende is onderbouwd dat het recht op vergoeding van de affectieschade door de benadeelde partij is overgedragen aan zijn erfgenamen. De al dan niet toewijsbaarheid van deze post laat zich daardoor nu niet eenvoudig vaststellen. Dit deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2023.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partij (deels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr). Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. Voor de toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 125 dagen, voor de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] maximaal 35 dagen en voor de erfgenamen van [persoon A] maximaal 28 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Schematisch overzicht schadevergoedingen

Bovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Benadeelde partij

Toegewezen materiële schade

Toegewezen immateriële schade

Totaal toegewezen schade

Aantal dagen gijzeling

[benadeelde 2]

€ 0,-

€ 20.000,-

€ 20.000,-

125

[benadeelde 1]

€ 3.530,40

€ 0,-

€ 3.530,40

35

De erfgenamen van [persoon A]

€ 2.859,55

€ 0,-

€ 2.859,55

28

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 76 (zesenzeventig) dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte om aan de in de onderstaande tabel genoemde benadeelde partijen te betalen de daarin genoemde bedragen aan materiële en/of immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 maart 2023, tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

verklaart de benadeelde partij de erfgenamen van [persoon A] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten gemaakt door de benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en de erfgenamen van [persoon A] , tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft aan de staat om ten behoeve van de in de bovenstaande tabel genoemde benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en de erfgenamen van [persoon A] , te betalen de daarin genoemde bedragen, en de wettelijke rente vanaf 18 maart 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van het in de bovenstaande tabel genoemde aantal dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Daum, voorzitter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en H.C. van Vuren, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. E.H. Karakus en C.M. Geluk, griffiers,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 8 april 2026.

Mr. Van Vuren is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Daum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?