RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 3 april 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 16 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van de rechtbank van 16 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 27 maart 2026.
Ter zitting van 27 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft, sinds december 2025, inkomen uit een Participatiewet-uitkering (Pw-uitkering). Eerder was zijn aanvraag voor een Pw-uitkering afgewezen, waardoor verzoeker een periode zonder inkomen heeft gezeten. De huur bedraagt € 741,56. De huurtermijn van februari 2026 is, weliswaar te laat, op 11 februari 2026 betaald. Ook is de huurtermijn van maart 2026 door twee deelbetalingen op 11 en 12 maart 2026 betaald. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, zodat gewaarborgd is dat lopende huurtermijnen voortaan tijdig zullen worden betaald. De Pw-uitkering zal bovendien hoger worden, nu zijn zusje zich inmiddels heeft uitgeschreven op het woonadres van verzoeker.
3. Het verweer
Verweerster vindt het belangrijk dat er afspraken worden gemaakt omtrent de huurachterstand. Verweerster onderschrijft dat de huurtermijnen van februari en maart 2026 zijn voldaan. Onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald, heeft verweerster geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek. Ook vindt verweerster budgetbeheer een belangrijke voorwaarde voor toewijzing van het verzoek.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 19 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 juni 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huurtermijnen van februari en maart 2026 betaald. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor voldoende gewaarborgd is dat de lopende huurtermijnen in het vervolg tijdig zullen worden betaald. Ook zal er een schuldhulpverleningstraject gestart worden, waarmee beoogd wordt tot een duurzame oplossing voor de schuldenproblematiek van verzoeker te komen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 juni 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 16 maart 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.