RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
Dienst Toeslagen
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2542
(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),
en
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Met drie afzonderlijke besluiten van 26 augustus 2022 (UHT-DH5 A, UHT-DH A en UHT-DCI A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
Met een besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de Dienst Toeslagen bij de afwijzingen van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft op 18 maart 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft met berichten van 12 februari 2026 en 9 maart 2026 haar beroepsgronden aangevuld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Eiseres heeft beroep ingesteld, kort gezegd, omdat zij meer duidelijkheid wilde krijgen over de afwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan de weigering door de Dienst Toeslagen van het verzoek van eiseres van 25 september 2017 om een persoonlijke betalingsregeling. Eiseres wenste op die manier te kunnen nagaan of zij recht heeft op een tegemoetkoming wegens een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (OGS). Eiseres heeft zich daarom in beroep op het standpunt gesteld dat de Dienst Toeslagen daarover meer informatie dient te geven.
De Dienst Toeslagen heeft ter zitting bevestigd dat, anders dan was aangenomen in het bestreden besluit en in het verweerschrift, de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om een persoonlijke betalingsregeling inderdaad heeft geweigerd.
Pas tijdens de zitting heeft de Dienst Toeslagen een stuk overgelegd waaruit de reden blijkt waarom de Dienst Toeslagen het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling heeft geweigerd, namelijk dat de waarde van de bezittingen van eiseres destijds meer dan € 4.000,- bedroeg.
In reactie hierop heeft eiseres verklaard dat deze nieuwe informatie voor haar aanleiding vormt de gronden van beroep niet langer te handhaven.
Nu er niet langer beroepsgronden zijn die beoordeeld dienen te worden, zal de rechtbank het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet wel aanleiding de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Pas ter zitting is de Dienst Toeslagen met nadere informatie gekomen die van belang is voor de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming. De Dienst Toeslagen heeft ter zitting erkend dat het stuk eerder ter beschikking gesteld had moeten worden.
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarover overweegt de rechtbank het volgende. Het is vaste rechtspraak dat, afgezien van bijzondere omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden wanneer de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen, te weten 7 oktober 2022. Op de datum van de uitspraak is de termijn met (afgerond naar boven) achttien maanden overschreden. De hoogte van de schadevergoeding is € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De aan eiseres toe te kennen schadevergoeding bedraagt dan € 1.500,-. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de Dienst Toeslagen is toe te rekenen, zal de rechtbank de Dienst Toeslagen veroordelen de schadevergoeding te betalen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Ook moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoeden.
De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.