Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-394763-24
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Datum zitting: 27 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op september 2005 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode] [verblijfplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Al-Aukaili
Officier van justitie: mr. S.H. Stein
Benadeelde partij: [benadeelde]
Advocaat van de benadeelde partij: mr. J.C.P. van Kollenburg
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling. Hij heeft het slachtoffer meermaals op het hoofd geslagen met een nepwapen. Ook wordt de verdachte veroordeeld voor het bezit van een hoeveelheid cocaïne en het voorhanden hebben van een nepwapen. De rechtbank gaat uit van de verklaring van de verdachte dat de ponypacks cocaïne bevatten. Aan de verdachte wordt een taakstraf van 100 uur opgelegd met aftrek van voorarrest, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel zijn bijzondere voorwaarden gekoppeld. De vordering voor immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij wordt toegewezen. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij eerdere beslissing is geschorst.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op of omstreeks 8 december 2024 in Rockanje van [slachtoffer] een mobiele telefoon en ID-kaart heeft gestolen voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door geweld of dat hij die dag [slachtoffer] heeft mishandeld, dat hij opzettelijk ongeveer 4,3 gram cocaïne aanwezig heeft gehad en dat hij een nagebootst pistool voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1
primair
hij op of omstreeks 08 december 2024 te Rockanje, gemeente Voorne aan Zee, in/uit een tuin, gelegen aan de openbare weg, de Vogelgaarde een mobiele telefoon en/of een ID-kaart, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- zich op te dringen aan die [slachtoffer] , althans een dreigende/intimiderende houding jegens die [slachtoffer] aan te nemen en/of
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen / voor te houden en/of
- dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te drukken en/of duwen en/of
- meermalen (met kracht) met dit op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of
- ( daarbij) aan die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: “moet ik je nu neerschieten of later” en/of “Wat doe je stoer”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
subsidiair
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Rockanje, gemeente Voorne aan Zee [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen (met kracht) met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;
2
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 ponypacks/eenheden, bevattende ongeveer 4,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij op of omstreeks 10 december 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam een wapen van categorie I, onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk: Walther, type/model: PPQ, voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit onder 1, maar moet worden veroordeeld voor het aldaar subsidiair tenlastegelegde. Ook moet de verdachte worden veroordeeld voor feit 2 en feit 3. De officier van justitie acht ten aanzien van feit 2 het bezit van een hoeveelheid cocaïne bewezen, omdat het nettogewicht niet is vastgesteld.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair en feit 2. De verdachte had niet het oogmerk om zich de telefoon en ID-kaart toe te eigenen en het geweld is niet aangewend om de diefstal mogelijk te maken of te vergemakkelijken. De cocaïne is niet door het NFI getest. De verdediging heeft partieel vrijspraak verzocht voor feit 1 subsidiair, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte met kracht heeft geslagen.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 (primair)
De primaire beschuldiging onder feit 1 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling (feit 1 subsidiair), het bezit van een hoeveelheid cocaïne (feit 2) en het bezit van een verboden nepwapen (feit 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
De verdachte heeft feit 1 (subsidiair) en feit 3 bekend en er is door de verdediging geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Feit 1
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer]
Feit 3
3. Verklaring van de verdachte
4. Proces-verbaal van de politie
5. Omschrijvingsproces-verbaal van de politie
Feit 2
6. Verklaring van de verdachte
De ponypacks met cocaïne die op 10 december 2024 aan de [adres] in Rozenburg zijn aangetroffen zijn van mij. Voor eigen gebruik. Ik gebruik sporadisch cocaïne.
7. Kennisgeving van inbeslagneming
Plaats [adres] Rozenburg, binnen de gemeente Rotterdam
Datum 10 december 2024
Beslagene [verdachte]
Goednummer [beslagnummer]
Inhoud/specificatie 4x ponypack
8. Proces-verbaal van bevindingen
Op 10 december 2024 is [beslagnummer] onderzocht op de aanwezigheid van verdovende middelen. De TRUNARC handheld Narcotics analyser test positief voor de aanwezigheid van cocaïne HCI.
Bewijsmotivering feit 2
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat er geen gebrek aan bewijs is nu de verdachte ten overstaan van de politie en ook ter terechtzitting heeft verklaard dat de ponypacks inderdaad cocaïne betroffen en dat de cocaïne voor eigen gebruik was. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1 subsidiair
hij op 8 december 2024 te Rockanje, gemeente Voorne aan Zee, [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;
2
hij op 10 december 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4 ponypacks bevattende een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 10 december 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam een wapen van categorie I, onder 7º van de Wet wapens en munitie, dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, te weten een nabootsing van een pistool, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk: Walther, type/model: PPQ, voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair
mishandeling
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 3
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat moet worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, dan wel – voor zover een straf nog passend is – een geheel voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hoewel dit op zichzelf al een ernstig feit is, acht de rechtbank de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden ook kwalijk. De rechtbank sloeg het slachtoffer met een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp in de tuin van een bekende, ofwel een privéruimte. Het is voor het slachtoffer niet duidelijk geweest dat het om een nepwapen ging. Deze gebeurtenissen maken veel indruk en impact. Daar komt bij dat de verdachte ook een hoeveelheid cocaïne en een nepwapen voorhanden heeft gehad.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 16 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport de Reclassering Nederland van 15 mei 2025 staat het volgende. De verdachte is gediagnosticeerd met ODD en beschikt onvoldoende over pro-sociale vaardigheden en beschermende factoren. De reclassering schat daarom het recidiverisico in op hoog en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden meldplicht reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en toestemming verlenen om referenten te raadplegen.
Rapport voortgang de Waag
Uit het voortgangsrapport van de Waag van psycholoog [persoon A] van 18 maart 2026 blijkt dat de verdachte onder behandeling is voor zijn gedragsstoornis en ontwikkeling van pro-sociale vaardigheden. Hoewel afspraken in de eerste periode niet goed werden nagekomen, zijn na een evaluatie op 25 februari 2026 de eerste afspraken weer nagekomen. Hoewel verdachte de behandeling lijkt te willen, is het moeilijk om dit te volgen omdat niet alle leefgebieden op orde zijn.
Verslag Mozaïk 17 februari 2026
Uit het verslag van Mozaïk begeleid wonen van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte sterke wisselingen laat zien in gedrag, bereikbaarheid en stabiliteit. Met passende ondersteuning, consistente begeleiding en duidelijke kaders blijkt doorontwikkeling echter haalbaar.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 100 uur opgelegd, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Van deze taakstraf wordt 60 uur voorwaardelijk opgelegd, omdat de reclassering toezicht en begeleiding noodzakelijk acht. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die door de reclassering zijn geadviseerd. Op deze manier kan de verdachte blijven werken aan de problemen die hij op verschillende leefgebieden ervaart. Hieraan koppelt de rechtbank een proeftijd van 2 jaar.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [slachtoffer]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 450,80 als vergoeding voor materiële schade en € 2.362,50 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade kan volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor de materiële schade, omdat deze schade ziet op het onder
1 primair tenlastegelegde feit, waarvoor vrijspraak is gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat vrijspraak is bepleit voor het feit waarvoor schadevergoeding is gevorderd, dan wel omdat de vordering niet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde feit waarmee de materiële schade rechtstreeks verband houdt. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 subsidiair rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.362,50. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank heeft daarbij gebruikgemaakt van de Rotterdamse schaal, een hulpmiddel dat een overzicht biedt van in de praktijk toegewezen smartengeldbedragen in vergelijkbare gevallen. Hierbij is aangesloten bij de bandbreedte van ‘licht letsel’ in hoofdstuk
13 (€ 1.750,-), waarbij vervolgens rekening is gehouden met een opslag van 20% omdat sprake is van opzettelijk verwijtbaar handelen (€ 350,-). Ook is een correctie gehanteerd in verband met de jonge leeftijd van het slachtoffer (€ 262,50). Dit betekent dat de verdachte in totaal een bedrag van € 2.362,50 als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum van het incident, te weten 8 december 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 23 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde onder feit 1 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 94 uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 60 uur van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in Pameijer of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur, zolang de reclassering dat nodig vindt;
5 de verdachte geeft toestemming voor het raadplegen van referenten (zus) om de reclassering in de gelegenheid te stellen de juiste begeleiding te bieden en betrokkene te ondersteunen bij het behalen van de gestelde doelen;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Voorlopige hechtenis heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 subsidiair), te betalen een bedrag van € 2.362,50 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 december 2024 tot de dag van volledige betaling.
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 subsidiair de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij
[slachtoffer] aan de staat € 2.362,50 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 23 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. G.C. Bos en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 27 maart 2026.
Mr. Bos is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.