Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/334502-25
Datum uitspraak: 1 april 2026
Datum zitting: 18 maart 2026
Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],
Advocaat van de verdachte: mr. K.T. Kan
Officier van justitie: mr. R. Planken
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van twee vuurwapens en bijbehorende munitie. De rechtbank constateert een onherstelbaar vormverzuim in het opsporingsonderzoek en past strafvermindering toe. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – op 8 december 2025 tezamen en in vereniging twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 8 december 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (model 17 gen 5), kaliber 9x19 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en/of- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava (model M70), kaliber 7,65 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad;
2. Bewijs
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat bij de doorzoeking van de auto sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat dit vormverzuim bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een vormverzuim en dat daarom geen aanleiding bestaat voor bewijsuitsluiting.
Oordeel van de rechtbank
Onherstelbaar vormverzuim: geen bewijsuitsluiting
Uit de processen-verbaal van politie volgt dat er een dreiging was op grillroom Jaffa (hierna: Jaffa) in de Witte de Withstraat in Rotterdam. Er zou informatie zijn dat mogelijk op Jaffa zou worden geschoten. Jaffa was de nacht ervoor gesloten geweest, maar was op het moment van de doorzoeking van de auto weer open. In verband met de dreiging werd nog wel extra gesurveilleerd. Omstreeks 02:30 uur werd op de hoek van de Witte de Withstraat met de Boomgaardstraat een personenauto gezien. De auto had de lampen aan. Er zaten geen personen in. Het voertuig dat inmiddels was gaan rijden werd staande gehouden op de Westersingel. In de auto zaten drie personen, waaronder de verdachte en zijn medeverdachte. [verdachte] werd gevraagd waar zij vandaan kwamen en hij antwoordde hierop: “Jaffa, op de Witte de Withstraat.” Hierop werden de inzittenden gefouilleerd waarbij geen bijzonderheden werden aangetroffen. De auto werd doorzocht en er werden in een Louis Vuitton-tasje onder de bijrijdersstoel twee vuurwapens aangetroffen met patroonhouders en patronen.
Bij de controle waren meerdere agenten betrokken. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] blijkt dat hij heeft vastgesteld dat de tenaamgestelde van de auto, de verdachte, antecedenten had op het gebied van ‘Brandstichting/ontploffingen, gevaar goederen/levensgevaar/zwaar lichamelijk letsel’. Vanwege de dreiging en de antecedenten op de verdachte werd volgens [verbalisant 1] besloten om het voertuig te doorzoeken op basis van de Wet wapens en munitie (Wwm). Uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt eveneens dat de auto is doorzocht op grond van de dreiging op Jaffa en antecedenten van [verdachte], die door deze verbalisanten zijn omschreven als ‘antecedenten op ontploffingen/explosies’.
Ter beoordeling staat of deze doorzoeking op basis van de Wwm rechtmatig heeft plaatsgevonden en, indien dit niet het geval is, welke consequenties aan het gestelde vormverzuim verbonden dienen te worden.
Indien een redelijk vermoeden bestaat dat op een plaats wapens of munitie aanwezig zijn, dan kan die plaats op grond van artikel 49 Wwm worden doorzocht ter inbeslagneming. In het geval redelijkerwijs aanleiding bestaat om een voertuig te onderzoeken op wapens en munitie, zonder dat nog sprake is van een redelijk vermoeden op de aanwezigheid hiervan, voorziet artikel 51 Wwm in de opsporingsbevoegdheid om een voertuig te onderzoeken. De bevoegdheid om vervoermiddelen te onderzoeken, is geen doorzoekingsbevoegdheid. Op grond van artikel 51 Wwm zal een opsporingsambtenaar zich daarom moeten beperken tot zoekend rondkijken en zich moeten onthouden van het openen van bijvoorbeeld tassen of afgesloten compartimenten in een vervoermiddel.
Naar het oordeel van de rechtbank konden de verbalisanten op basis van de genoemde feiten en omstandigheden redelijkerwijs g niet vermoeden dat zich in de auto wapens of munitie bevonden.
De opsporingsambtenaren waren derhalve niet bevoegd om op grond van artikel 49 Wwm de auto te doorzoeken. Evenmin bestonden voldoende aanwijzingen om redelijkerwijs aanleiding te zien voor onderzoek aan de auto op grond van artikel 51 Wwm. Bij dit alles wordt in aanmerking genomen dat de dreiging op Jaffa kennelijk inmiddels was afgenomen, er geen verdacht gedrag van de verdachten is waargenomen en de verdachten op het moment van de doorzoeking niet meer in de directe nabijheid van Jaffa waren. Nog afgezien daarvan was van zoekend rondkijken bij het openen van het tasje van de verdachte in elk geval geen sprake.
Dit brengt met zich dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De vraag is of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden.
Het behoeft geen betoog dat het onwenselijk is dat doorzoekingen plaatsvinden zonder toestemming of zonder de vereiste wettelijke basis. Een doorzoeking als de onderhavige maakt immers inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM en dat mag alleen als die inbreuk gerechtvaardigd is. Door de onrechtmatige doorzoeking van de auto en het openen van het tasje is daadwerkelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat nadeel is echter beperkt gebleven. Van schending van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM is geen sprake.
Dit alles brengt mee dat er geen plaats is voor bewijsuitsluiting en dat het daartoe strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank komt gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt, tot de slotsom dat strafvermindering dient plaats te vinden zoals verderop in dit vonnis zal worden vermeld.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van politie
Op maandag 8 december 2025 sloot ik aan bij de controle op de Westersingel in Rotterdam. Ik liep richting de rechterkant van het voertuig en keek in het voertuig. Ik zag dat er een Louis Vuitton tasje lag op de grond onder de bijrijdersstoel. Het tasje bevond zicht op de plek waar de voeten stonden van [medeverdachte]. Ik keek in een tasje. Ik zag dat er zich in het tasje een zwart vuurwapen bevond van het merk Glock 17 Gen. Ik zag dat er zich in een apart vak, nog een donkergekleurd vuurwapen te zien was van het merk Crvena Zastava 7.65mm Model 70. Nadat de vuurwapens veiliggesteld waren, zag ik dat er een patroonhouder in de Glock zat. Ik zag dat er 14 patronen in de houder te zien waren. Ik zag dat er ook een patroonhouder in de Crvena zat.
2. Proces-verbaal van de politie
- Het in beslag genomen voorwerpen betreft een pistool van het merk Glock Model 17 gen 5, in het kaliber 9x19 mm, voorzien van serienummer: [serienummer]. In het patroonmagazijn waren 15 kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm aanwezig. Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het in deze zaak aangetroffen vuurwapen: merk Glock Model 17 gen 5, in het kaliber 9x19 mm.
Derhalve is dit pistool met patroonmagazijn een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM. Deze knal/gas/kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
- De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm.
Deze knal/gas/kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het in deze zaak aangetroffen vuurwapen: merk Glock Model 17 gen 5, in het kaliber 9x19 mm.
- Het in beslaggenomenvoorwerp betreft een pistool van het merk Zastava Model M70, in het kaliber 7,65 mm. In het patroonmagazijn waren 5 kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm aanwezig. Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het in deze zaak aangetroffen vuurwapen: merk Zastava Model M70, in het kaliber 7,65 mm.
Derhalve is dit pistool met patroonmagazijn een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM. Deze kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
- De inbeslaggenomen voorwerpen betreffen kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm.
Deze kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie. Deze munitie is geschikt om te worden afgeschoten met het in deze zaak aangetroffen vuurwapen: merk Zastava Model M70, in het kaliber 7,65 mm."
3. Proces-verbaal van de politie
Bij de [medeverdachte] werd een groene iPhone 16 in beslag genomen tijdens de aanhouding. Op de derde video werd gezien dat [medeverdachte] op de bijrijdersstoel van een auto zat met in zijn linkerhand een vuurwapengelijkend voorwerp. Naast hem, op de bestuurdersstoel, zat [verdachte]. Hij pakte uit een Louis Vuitton tas een vuurwapengelijkend voorwerp en hield deze vast. De Louis Vuitton tas werd door [medeverdachte] gedragen. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] zwaaiden meermaals met de vuurwapengelijkende voorwerpen en zij richtten ook meermaals de vuurwapens naar de camera. Deze video werd gemaakt op 8 december 2025 om 01.01:14 uur.
Bewijsmotivering
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 8 december 2025 in Rotterdam samen met de medeverdachte de wetenschap van en feitelijke beschikking over twee vuurwapens en bij behorende munitie heeft gehad. De rechtbank oordeelt dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zowel de vuurwapens als de bijbehorende munitie tezamen en in vereniging voorhanden heeft gehad.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 8 december 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, meerdere wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (model 17 gen 5), kaliber 9x19 mm en (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava (model M70), kaliber 7,65 mm en(bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad;
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
1: de eendaadse samenloop:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de strafbare feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Verder is de gevangenneming van de verdachte gevorderd.
Standpunt van de verdediging
Voor zover de rechtbank toch tot enige bewezenverklaring zou komen en beslist dat geen sprake is van bewijsuitsluiting, heeft de verdediging subsidiair verzocht strafvermindering toe te passen door een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Meer subsidiair is verzocht een groot deel een gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft bovendien verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft samen met een ander twee vuurwapens en bijbehorende munitie in een tas meegevoerd op de openbare weg. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 12 maart 2026 staat het volgende.
De verdachte beschikt over verschillende stabiele en mogelijk beschermende factoren in zijn leven. Er zijn echter nog risicofactoren op verschillende leefgebieden waaronder ook de houding van de verdachte. Het risico op recidive wordt daarom ingeschat als gemiddeld en er wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als voorwaarden een meldplicht, gedragsinterventie, contactverbod met [medeverdachte] en medewerking aan het aflossen van zijn schulden. Tot slot adviseert de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Vormverzuim
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank heeft echter een onherstelbaar vormverzuim geconstateerd, zoals hiervoor overwogen, en daaraan de consequentie verbonden dat strafvermindering dient plaats te vinden. De rechtbank zal daarom twee maanden gevangenisstraf in mindering brengen op voornoemde gevangenisstraf. De rechtbank zal, gelet op het advies van de reclassering, een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden die hierna worden genoemd. Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een contactverbod met de medeverdachte. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
De officier van justitie heeft gevorderd om de gevangenneming van de verdachte te bevelen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding omdat een grond daarvoor onvoldoende is gebleken. De vordering tot gevangenneming zal om die reden worden afgewezen.
Geen toepassing ASR
De verdachte was 20 jaar oud toen hij het strafbare feit pleegde. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, zoals blijkt uit het hiervoor beschreven rapport van Reclassering Nederland, en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, past de rechtbank het jeugdstrafrecht niet toe.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 2 (twee) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mrs. J. van de Klashorst en L.B. Esser, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.