ECLI:NL:RBROT:2026:4435

ECLI:NL:RBROT:2026:4435

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 10/334503-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte wordt veroordeeld voor het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van twee vuurwapens en bijbehorende munitie. De rechtbank constateert een onherstelbaar vormverzuim in het opsporingsonderzoek en past strafvermindering toe. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/334503-25

Datum uitspraak: 1 april 2026

Datum zitting: 18 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats]

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],

Advocaat van de verdachte: mr. M.P. Kloppenburg

Officier van justitie: mr. R. Planken

Kern van het vonnis

De verdachte wordt veroordeeld voor het tezamen en in vereniging voorhanden hebben van twee vuurwapens en bijbehorende munitie. De rechtbank constateert een onherstelbaar vormverzuim in het opsporingsonderzoek en past strafvermindering toe. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 8 december 2025 tezamen en in vereniging twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat

hij op of omstreeks 8 december 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (model 17 gen 5), kaliber 9x19 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en/of- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava (model M70), kaliber 7,65 mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten een of meerdere kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad;

2. Bewijs

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat bij de doorzoeking van de auto sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat dit vormverzuim bewijsuitsluiting tot gevolg moet hebben.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een vormverzuim en dat daarom geen aanleiding bestaat voor bewijsuitsluiting.

Oordeel van de rechtbank

Onherstelbaar vormverzuim: geen bewijsuitsluiting

Uit de processen-verbaal van de politie volgt dat er een dreiging was op grillroom Jaffa in de Witte de Withstraat in Rotterdam. Er zou informatie zijn dat mogelijk op Jaffa zou worden geschoten. Jaffa was de nacht ervoor gesloten geweest, maar was op het moment van de doorzoeking van de auto weer open. In verband met de dreiging werd nog wel extra gesurveilleerd. Omstreeks 02:30 uur werd op de hoek van de Witte de Withstraat met de Boomgaardstraat een personenauto gezien. De auto had de lampen aan. Er zaten geen personen in. Het voertuig, dat inmiddels was gaan rijden, werd staande gehouden op de Westersingel. In de auto zaten drie personen, waaronder de verdachte en zijn medeverdachte. [medeverdachte] werd gevraagd waar zij vandaan kwamen en hij antwoordde hierop: “Jaffa, op de Witte de Withstraat.” Hierop werden de inzittenden gefouilleerd waarbij geen bijzonderheden werden aangetroffen. De auto werd doorzocht en er werden in een Louis Vuitton-tasje onder de bijrijdersstoel twee vuurwapens aangetroffen met patroonhouders en patronen.

Bij de controle waren meerdere agenten betrokken. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 1] blijkt dat hij heeft vastgesteld dat de tenaamgestelde van de auto, [medeverdachte], antecedenten had op het gebied van ‘Brandstichting/ontploffingen, gevaar goederen/levensgevaar/zwaar lichamelijk letsel’. Vanwege de dreiging en de antecedenten op [medeverdachte] werd volgens [verbalisant 1] besloten om het voertuig te doorzoeken op basis van de Wet wapens en munitie (Wwm). Uit het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] blijkt eveneens dat de auto is doorzocht op grond van de dreiging op Jaffa en antecedenten van [medeverdachte], die door deze verbalisanten zijn omschreven als ‘antecedenten op ontploffingen/explosies’.

Ter beoordeling staat of deze doorzoeking op basis van de Wwm rechtmatig heeft plaatsgevonden en, indien dit niet het geval is, welke consequenties aan het gestelde vormverzuim verbonden dienen te worden.

Indien een redelijk vermoeden bestaat dat op een plaats wapens of munitie aanwezig zijn, dan kan die plaats op grond van artikel 49 Wwm worden doorzocht ter inbeslagneming. In het geval redelijkerwijs aanleiding bestaat om een voertuig te onderzoeken op wapens en munitie, zonder dat nog sprake is van een redelijk vermoeden op de aanwezigheid hiervan, voorziet artikel 51 Wwm in de opsporingsbevoegdheid om een voertuig te onderzoeken. De bevoegdheid om vervoermiddelen te onderzoeken, is geen doorzoekingsbevoegdheid. Op grond van artikel 51 Wwm zal een opsporingsambtenaar zich daarom moeten beperken tot zoekend rondkijken en zich moeten onthouden van het openen van bijvoorbeeld tassen of afgesloten compartimenten in een vervoermiddel.

Naar het oordeel van de rechtbank konden de verbalisanten op basis van de genoemde feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet vermoeden dat zich in de auto wapens of munitie bevonden. De opsporingsambtenaren waren derhalve niet bevoegd om op grond van artikel 49 Wwm de auto te doorzoeken. Evenmin bestonden voldoende aanwijzingen om redelijkerwijs aanleiding te zien voor onderzoek aan de auto op grond van artikel 51 Wwm. Bij dit alles wordt in aanmerking genomen dat de dreiging op Jaffa kennelijk inmiddels was afgenomen, er geen verdacht gedrag van de verdachten is waargenomen en de verdachten op het moment van de doorzoeking niet meer in de directe nabijheid van Jaffa waren. Nog afgezien daarvan was van zoekend rondkijken bij het openen van het tasje van de verdachte in elk geval geen sprake.

Dit brengt met zich dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. De vraag is of aan dit vormverzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden.

Het behoeft geen betoog dat het onwenselijk is dat doorzoekingen plaatsvinden zonder toestemming of zonder de vereiste wettelijke basis. Een doorzoeking als de onderhavige maakt immers inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM en dat mag alleen als die inbreuk gerechtvaardigd is. Door de onrechtmatige doorzoeking van de auto en het openen van het tasje is daadwerkelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat nadeel is echter beperkt gebleven. Van schending van verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM is geen sprake.

Dit alles brengt mee dat er geen plaats is voor bewijsuitsluiting en dat het daartoe strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank komt gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor voor de verdachte is veroorzaakt, tot de slotsom dat strafvermindering dient plaats te vinden zoals verderop in dit vonnis zal worden vermeld.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend. Voor het bewezen feit worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie

3. Proces-verbaal van de politie

4. Proces-verbaal van de politie

5. Proces-verbaal van de politie

6. Deskundigenverslag

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

hij op 8 december 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, meerdere wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock (model 17 gen 5), kaliber 9x19 mm en (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm en- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Zastava (model M70), kaliber 7,65 mm en(bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van de Wet wapens munitie, van de categorie III, te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad;

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

1: de eendaadse samenloop:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de strafbare feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts moet aan hem een contactverbod met [medeverdachte] worden opgelegd. Verder is de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot enige bewezenverklaring zou komen, heeft de verdediging bepleit om de gevangenisstraf tot minimaal de helft te verminderen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft samen met een ander twee vuurwapens en bijbehorende munitie in een tas meegevoerd op de openbare weg. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 24 februari 2026 staat het volgende.

Het risico op recidive wordt in geschat als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Er zijn zorgen omtrent de financiën van de verdachte, zijn dagbesteding, sociale netwerk en familie. Zo is er een significante schuld, maar geen dagbesteding en is er geen zicht op zijn sociale netwerk en familie. De reclassering zet daarnaast ook vraagtekens bij de haalbaarheid van een reclasseringstraject, gezien het niet nakomen van afspraken door de verdachte. Desalniettemin adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan het aflossen van zijn schulden.

Oplegging straf

Straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Vormverzuim

De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank heeft echter een onherstelbaar vormverzuim geconstateerd, zoals hiervoor overwogen, en daaraan de consequentie verbonden dat strafvermindering dient plaats te vinden. De rechtbank zal daarom twee maanden gevangenisstraf in mindering brengen op voornoemde gevangenisstraf. De rechtbank zal, gelet op het advies van de reclassering, een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden die hierna worden genoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een contactverbod met de medeverdachte. De voorwaardelijke straf heeft tevens als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

De officier van justitie heeft gevorderd om de gevangenneming van de verdachte te bevelen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding omdat een grond daarvoor onvoldoende is gebleken. De vordering tot gevangenneming zal om die reden worden afgewezen.

5. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen vuurwapens, de munitie, de patronenhouder en het explosief worden onttrokken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank beslist dat de in beslag genomen vuurwapens, munitie, patronenhouder en explosief worden onttrokken aan het verkeer. Het strafbare feit is daarmee gepleegd en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

De overige gevonden munitie en het explosief behoren toe aan de verdachte en zijn tijdens het onderzoek naar het strafbare feit waarvan de verdachte werd verdacht aangetroffen in zijn woning en kunnen dienen tot het plegen of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 2 (twee) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer het vuurwapen Glock 17 gen 5, het vuurwapen Crvena Zastava, 15 stuks Gfl kogelpatronen, 5 stuks S&B kogelpatronen, een Glock verlengde patroonhouder, 2 stuks Luger G.F.L. 9mm kogelpatronen en een Cobra 6.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. J. van de Klashorst en L.B. Esser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. de Lange

Griffier

  • mr. D. Yenice

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?