Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-053928-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
Datum zitting: 2 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 op [geboorteland],
ingeschreven op het adres: [adres 1], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. S. Lodder
Officier van justitie: mr. M. Vollebregt
Benadeelde partijen:
Bijgestaan door mr. L. van Gaalen – van Beuzekom
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers
[benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]
Bijgestaan door mr. M. Veldman
[benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8]
Bijgestaan door mr. N.D. de Fluiter
[benadeelde partij 9]
Kern van het vonnis
Het gaat in deze zaak om een schietpartij in een partycentrum, waarbij eenmaal is geschoten. De kogel is door het lichaam van het ene slachtoffer gegaan en daarna in het lichaam van een ander slachtoffer beland, die daardoor is komen te overlijden. Vervolgens is buiten geschoten op weer een ander slachtoffer. De rechtbank stelt vast dat er binnen en buiten met hetzelfde vuurwapen is geschoten, maar kan niet vaststellen dat de verdachte bij beide schietmomenten de schutter is geweest. De verdachte wordt vrijgesproken van de doodslag en poging tot doodslag in het partycentrum en wordt veroordeeld voor een poging tot doodslag op het slachtoffer buiten en voor het voorhanden hebben van een vuurwapen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.
1. Tenlastelegging
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1
hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Rotterdam [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op, althans in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten;
2
hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op, althans in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 primair
hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op, althans in de richting van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 subsidiair
hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen op, althans in de richting van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 2 februari 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II en/of Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet voor handen heeft gehad.
2. Bewijsoverweging en gedeeltelijke vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3 en heeft zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 2 februari 2025 kwam omstreeks 03:45 uur bij de politie een melding binnen over een schietpartij in partycentrum Sunrise in Rotterdam. Vast staat dat [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) in zijn rug is geschoten, dat de kogel door zijn lichaam heen is gegaan en dat deze vervolgens in de buik van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) terecht is gekomen. Als gevolg daarvan is [slachtoffer 2] gewond geraakt en is [slachtoffer 1] een dag later overleden. Nadat binnen was geschoten, is [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) achter een groep mannen aangelopen die het partycentrum verlieten. De verdachte hoorde bij deze groep mannen. Op de Benjamin Franklinstraat heeft de verdachte, zoals hij ter zitting heeft bekend, op [slachtoffer 3] geschoten. [slachtoffer 3] is hierbij niet geraakt.
Feit 1 (doodslag [slachtoffer 1]) en 2 (poging doodslag [slachtoffer 2]) | schieten binnen
De rechtbank ziet zich voor de vragen gesteld (1) of er binnen en buiten met hetzelfde wapen is geschoten en (2) of er binnen en buiten is geschoten door één en dezelfde schutter, te weten de verdachte. Deze vragen zullen achtereenvolgend worden besproken.
Hetzelfde wapen?
In het lichaam van [slachtoffer 1] is een kogel aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat de kogel het best past bij het kaliber 9mm Parabellum en bij een ouder patroon van het merk Sellier & Bellot. Op de Benjamin Franklinstraat is een huls aangetroffen, die is voorzien van de bodemstempel S&B 9mm LUGER. Op de huls zijn ook kenmerken aangetroffen die worden gezien bij oudere patronen van het merk Sellier & Bellot. Het voorgaande betekent dat de kogel qua kaliber en uitvoering bij de huls past. Dergelijke patronen werden tot circa 2010 veel gebruikt bij schietincidenten in Nederland, maar tegenwoordig nog maar zelden. De deskundige van het NFI, [naam 1], heeft ter zitting toegelicht dat de kans vrij klein is dat bij de schietincidenten binnen en buiten twee verschillende wapens zijn gebruikt die waren geladen met diezelfde zeldzame munitie.
Gelet op de bevindingen van het NFI, tezamen met de toelichting van de deskundige ter zitting, concludeert de rechtbank dat de aangetroffen huls buiten en de kogel in het lichaam van [slachtoffer 1] afkomstig zijn uit hetzelfde vuurwapen.
Dezelfde schutter?
De verdachte heeft bekend dat hij degene is die op de Benjamin Franklinstraat heeft geschoten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook degene is geweest die binnen heeft geschoten, onder meer gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de schietmomenten en de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Er zijn geen camerabeelden beschikbaar van het schietincident binnen in het partycentrum. Bovendien ontbreekt forensisch bewijs op basis waarvan de verdachte kan worden gekoppeld aan de schietpartij binnen. Het vuurwapen waarmee is geschoten, is niet gevonden, dus ook wat dat betreft is geen technisch bewijs beschikbaar. Er is dus geen objectief bewijs dat er op duidt dat de verdachte binnen heeft geschoten.
Uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat er binnen een discussie was tussen enerzijds [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en anderzijds verschillende donkergetinte mannen. [naam 2] heeft verklaard dat er een schot te horen was, waarna hij [slachtoffer 2] direct naar buiten heeft geduwd omdat hij dacht dat [slachtoffer 2] degene was die geschoten had. Hij heeft verklaard dat hij vervolgens ook naar buiten is gegaan en tot aan de hoek van de Benjamin Franklinstraat met een groepje mannen is meegelopen. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] blijkt ook dat er binnen één keer is geschoten, dat [slachtoffer 2] naar buiten is gegaan en dat de groep waartoe de schutter behoorde, ook naar buiten is gegaan. [slachtoffer 3] verklaart dat hij die groep naar buiten is gevolgd. De camerabeelden bij de uitgang van het partycentrum bevestigen deze verklaringen: [slachtoffer 2] komt om 03:53:38 uur naar buiten, [naam 2] volgt na één seconde en weer een seconde later komt de verdachte met twee andere personen naar buiten. [slachtoffer 3] volgt om 03:53:46 uur. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich bevond in de groep mannen die een discussie had met [slachtoffer 2] en dat één van de personen uit deze groep op [slachtoffer 2] heeft geschoten. De verklaring van de verdachte, dat hij op het moment van het schieten bij de VIP-ruimte in de zaal stond en dat hij later het wapen waarmee was geschoten heeft opgeraapt, is ongeloofwaardig. Welke personen er om [slachtoffer 2] heen hebben gestaan op het moment van het schot, is echter onduidelijk gebleven. De uiterlijke kenmerken van personen in de groep van de schutter die door [getuige] zijn omschreven, passen bij meerdere betrokkenen in dit dossier.
Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat hij niet heeft gezien wie er op hem heeft geschoten. Dat is ook logisch te verklaren, omdat [slachtoffer 2] van achteren in zijn rug is beschoten. [slachtoffer 3] is de enige persoon geweest die iets van het daadwerkelijke schieten in het partycentrum heeft zien gebeuren, maar ook hij kan geen schutter aanwijzen. Overige getuigen wijzen ook geen specifieke schutter aan. Bovendien verklaren verschillende getuigen niet meer te weten wat er is gebeurd in het partycentrum, waardoor er voor de rechtbank veel onduidelijkheden blijven bestaan over de gebeurtenissen.
Op basis van de getuigenverklaringen kan dan ook niet worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die binnen het schot heeft gelost. De verdachte heeft steeds stellig ontkend dat hij degene is geweest die binnen heeft geschoten. Daarbij is van belang dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, dat iemand anders heeft geschoten, op grond van de informatie uit het dossier niet zonder meer valt uit te sluiten.
Al met al valt niet eenduidig vast te stellen wat er binnen in het partycentrum is gebeurd rond het moment waarop is geschoten. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met onvoldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte ook de schutter in het partycentrum is geweest. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de beschuldigingen onder feit 1 en 2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 3 primair (poging doodslag [slachtoffer 3]) en 4 (voorhanden hebben vuurwapen)
Bewezen is dat de verdachte de onder 3 primair en onder 4 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.6.
De bewezenverklaring van die feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Op 2 februari 2025 was ik in partycentrum Sunrise in Rotterdam. Buiten had ik een wapen in mijn broeksband. Een man kwam naar buiten. Ik heb het wapen doorgeladen en heb geschoten. U vraagt mij wanneer ik het wapen heb weggegooid. Toen ik had geschoten kon ik er niks meer mee doen omdat ik daar buiten toch op iemand had geschoten.
2. Proces-verbaal van de politie Op 2 februari 2025 was ik, [getuige], in Sunrise. Ik zag dat meerdere mannen zich verzamelden rondom mijn broertje [slachtoffer 2]. Ik zag twee of drie mannen uit het groepje richting de uitgang rennen. Ik rende achter deze mannen aan. Uiteindelijk zag ik de mannen weer lopen vlakbij de parkeerplaatsen. Toen ik hen naderde zag ik dat een van de mannen een vuurwapen op mij richtte en op mij schoot. Het scheelde niet veel of ik was geraakt. Omdat ik bang was geraakt te worden zocht ik dekking door mij een soort van klein te maken en mij terug naar de ingang te begeven.
3. Proces-verbaal van de politie De camerabeelden met zicht op de Benjamin Franklinstraat en een gedeelte van de Galvanistraat in Rotterdam werden gevorderd.
V3 = NN01
G1 = [getuige]
Foto 11 | Op de bewegende beelden rondom dit fotomoment zagen wij dat V3, V4, V1 en V5 via de rechter toegangsdeur Sunrise verlieten. Zij verschijnen met versnelde pas achter elkaar lopende over de Galvanistraat in de richting van de Benjamin Franklinstraat.
Foto 16 | Op de bewegende beelden rondom dit fotomoment zagen wij dat V4 en V5 op de rijbaan liepen. V3 stopte, draaide zich om en liep enkele passen terug richting de Galvanistraat. Wij zagen op de hoek Galvanistraat met de Benjamin Franklinstraat dat een persoon G1 van links in beeld was verschenen. Wij zagen dat G1 in de richting van V3 en V4 liep.
Foto 17 | Op de bewegende beelden rondom dit fotomoment zagen wij dat V3 met zijn hand handelingen ter hoogte van zijn middel verrichtte. Lopende in de richting van G1 strekte V3 zijn rechterarm voor zich uit. Vermoedelijk in de richting van G1. Wij zagen dat G1 zich snel omdraaide en snel wegrende in de richting van de hoek. Wij zagen, op het moment dat V3 net iets voor bij de lantaarnpaal liep, een kleine/korte geelkleurige flits ter hoogte van zijn uitgestrekte rechterhand oplichten. Wij zagen dat G1 op dat moment nog niet de voornoemde hoek om was gerend.
4. Proces-verbaal van de politieWij zagen op het trottoir van de Benjamin Franklinstraat, aangrenzend aan het zalencentrum op circa 25 meter ten zuiden van de hoek van het zalencentrum, een oranje pylon staan waaronder een verschoten patroonhuls aanwezig was. Wij hebben deze patroonhuls veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AARJ1388NL.
5. Deskundigenverslag Wapen- en munitieonderzoekHuls [AARJ1388NL]
Deze huls is voorzien van het bodemstempel ‘S&B 9mm LUGER’. Gezien dit bodemstempel en de afmetingen is de huls van het kaliber 9 mm Parabellum.
De vorm en de ligging van de systeemsporen in de huls vertonen gelijkenis met die van een (semi-)automatisch werkend pistool van het merk Česká Zbrojovka.
Bewijsmotivering feit 3 primair | poging doodslag [slachtoffer 3]
De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte buiten heeft geschoten, maar heeft aangevoerd dat dit geen aanmerkelijke kans, en daarmee voorwaardelijk opzet, oplevert op het (dodelijk) raken van [slachtoffer 3]. Het bestaan van die kans kan niet worden aangenomen op basis van de camerabeelden en bij het ontbreken van informatie over de kogelbaan.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit de camerabeelden en de beschrijving daarvan blijkt dat de verdachte meerdere passen in de richting van [slachtoffer 3] loopt en vervolgens schiet in de richting van de plek waar [slachtoffer 3] staat. Er is te zien dat [slachtoffer 3] zich klein maakt en wegrent, zoals [slachtoffer 3] ook zelf verklaart. Bovendien heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij het wapen heeft weggegooid omdat hij daarmee buiten op iemand heeft geschoten. Gelet op de hierboven beschreven uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en zijn eigen verklaring, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 3] dodelijk zou kunnen raken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het schieten op personen de dood tot gevolg kan hebben. De rechtbank acht daarom de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen.
Bewijsmotivering feit 4 | voorhanden hebben vuurwapen
De verdachte heeft dit feit bekend en er is geen verweer gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Dit feit wordt bewezen verklaard. De rechtbank stelt - gelet op het onderzoek van het NFI naar de kogel en de huls en op de verklaring van de verdachte - vast dat het gaat om een wapen als bedoeld in categorie III van de Wet wapens en munitie.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte
3 primair
op 2 februari 2025 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
op 2 februari 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet voorhanden heeft gehad.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 3 primair
poging tot doodslag;
Feit 4
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, met uitzondering van feit 4, vrijspraak bepleit en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een vuurwapen voorhanden gehad en heeft daar midden op straat mee geschoten op [slachtoffer 3].
De verdachte heeft het leven van [slachtoffer 3] op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Hij mag van geluk spreken dat zijn handelen geen ernstigere gevolgen heeft gehad. Ter zitting is ook gebleken dat de verdachte het dragen van vuurwapens vrij normaal lijkt te vinden en dat hij niet terugdeinst voor het gebruik daarvan. Een schietpartij als deze is voor omstanders en voor de samenleving schokkend. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 27 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft een aantal jaren vastgezeten en was net weer vrij toen hij deze feiten pleegde. Hij verbleef destijds bij een beschermde woonvorm. De verdachte heeft twee kinderen waarmee hij het contact net weer aan het opbouwen was toen hij voor deze zaak vast kwam te zitten.
Oplegging straf
Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf van vier jaren op zijn plaats. Bij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die de laatste tijd in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
De rechtbank komt tot een veel lagere straf dan de gevangenisstraf die de officier van justitie heeft geëist omdat zij – anders dan de officier van justitie – onvoldoende bewijs ziet voor de feiten 1 en 2.
5. Vordering van de benadeelde partijen
De vorderingen
In dit strafproces hebben allereerst verschillende nabestaanden van de overledene [slachtoffer 1] schadevergoeding van de verdachte gevorderd. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] worden bijgestaan door mr. L. van Gaalen – Van Beuzekom, [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] worden bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde partij 5], [benadeelde partij 6], [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] worden bijgestaan door mr. M. Veldman. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] schadevergoeding gevorderd, waarbij hij wordt bijgestaan door mr. N.D. de Fluiter.
De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.
Benadeelde partij
Materiële schade
Immateriële schade
Nader te onderbouwen schade
[benadeelde partij 1]
(levensgezel [slachtoffer 1])
€ 20.000 (affectieschade)
[benadeelde partij 2]
(zoon [slachtoffer 1])
€ 20.000 (affectieschade)
[benadeelde partij 3]
(dochter [slachtoffer 1])
€ 30.000 (schokschade)
€ 17.500 (affectieschade)
€ 5.000
[benadeelde partij 4]
(dochter [slachtoffer 1])
€ 601, 45
€ 30.000 (schokschade)
€ 17.500 (affectieschade)
€ 5.000
[benadeelde partij 5]
(levensgezel [slachtoffer 1])
€ 15.000 (schokschade)
€ 20.000 (affectieschade)
[benadeelde partij 6]
(zoon [slachtoffer 1])
€ 20.000 (affectieschade)
[benadeelde partij 7]
(broer [slachtoffer 1])
€ 17.500 (affectieschade)
[benadeelde partij 8]
(vader [slachtoffer 1])
€ 5.960,87
€ 15.000 (schokschade)
€ 17.500 (affectieschade)
[benadeelde partij 9] (slachtoffer feit 2)
€ 7.601,27
€ 27.500
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen omdat het letsel en de schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd, zijn veroorzaakt bij het eerste schietincident in het partycentrum, waarvan de verdachte onder feit 1 en 2 werd beschuldigd. De verdachte wordt vrijgesproken van die feiten.
De benadeelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vorderingen, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 3 en 4, zoals in hoofdstuk 2.3.6 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3.1 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partijen, te weten:
[benadeelde partij 1]
[benadeelde partij 2]
[benadeelde partij 3]
[benadeelde partij 4]
[benadeelde partij 5]
[benadeelde partij 6]
[benadeelde partij 7]
[benadeelde partij 8] en
[benadeelde partij 9]
niet-ontvankelijk in de vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vorderingen, en begroot deze kosten op nihil.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. M.J.M. van Beckhoven en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing en L.S.F. Claeys, griffiers,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.
L.S.F. Claeys is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.