Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 februari 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 2 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Herbel B.V., wiens vordering in behandeling is bij Velthoven de Koning Gerechtsdeurwaarders B.V. (hierna: Herbel);
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 30 januari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 2 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 12 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift negen concurrente schuldeisers met dertien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 11.748,27 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 12 juni 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en de schuldeisers verzocht worden de betreffende schulden kwijt te schelden. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat het aanbod een prognose-aanbod betreft.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WW-uitkering. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij inmiddels weer aan het werk is voor 37,5 uur per week als schilder op basis van een uitzendovereenkomst. Ten aanzien van het hierna te bespreken verweer heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de huur over 2025 geheel is betaald en dat de huurbetalingen voor 2026 ook zijn gewaarborgd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Acht schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Herbel stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 6.097,39 op verzoeker, welke 51,9% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
Herbel stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Herbel heeft een vordering uit hoofde van een huurachterstand. Herbel heeft verklaard dat de huur niet altijd op tijd en volledig wordt betaald door verzoeker. Om die reden wenst zij de huurovereenkomst van verzoeker te ontbinden en over te gaan tot ontruiming van de woning. Voorts heeft Herbel meerdere percentages aangeboden gekregen en is het voor haar niet helder welk percentage thans geldt als het actuele aanbod. Herbel heeft verklaard uitsluitend akkoord te gaan met een regeling waarbij de volledige schuldenlast wordt voldaan en staat niet open voor (gedeeltelijke) kwijtschelding van de vordering.
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Herbel bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Herbel in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Herbel een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 51,9%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk acht van de negen schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk en dat hij een WW-uitkering ontvangt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker inmiddels weer beschikt over een fulltime baan. Hij is aan het werk voor 37,5 uur per week op basis van een uitzendovereenkomst. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Ten aanzien van het verweer merkt de rechtbank op dat verzoeker onder beschermingsbewind staat. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Herbel, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Herbel te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Herbel zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Herbel om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Herbel in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.