Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 februari 2026
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 8 oktober 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Defam Credit B.V. (hierna: Defam);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Defam heeft voorafgaand aan de zitting, op 6 februari 2026, een verweerschrift toegezonden. In dit verweerschrift is meegedeeld dat Defam verhinderd is om ter zitting te verschijnen.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 3 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 12 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
De uitspraak is bepaald op heden.
2. Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift drie concurrente schuldeisers met vier vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 34.228,90 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 30 juli 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 61,61% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster gemotiveerd is om haar schuldenproblematiek op te lossen. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Twee schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Defam stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 19.401,99 op verzoekster, welke 56,68% van de totale schuldenlast beloopt.
3. Het verweer
In haar verweerschrift heeft Defam gesteld dat verzoekster niet in de toestand verkeert dat zij gerechtvaardigd heeft opgehouden te betalen. Evenmin is naar de mening van Defam sprake van een problematische schuldensituatie. Defam is van mening dat de totale schuldenlast over een langere termijn wel afbetaald zou kunnen worden waardoor er geen sprake is van een problematische schuldenlast en een uitzichtloze situatie. Defam stelt dat het derhalve niet redelijk is om akkoord te gaan met een saneringsvoorstel over de periode van 18 maanden. Voorts is verzoekster bij het aangaan van het krediet willens en wetens een langdurige aflosverplichting aangegaan. Defam stelt zich op het standpunt het dat verzoek moet worden afgewezen
4. De beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Defam bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Defam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Defam een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 56,68%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk twee van de drie schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten GR IJsselgemeenten. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoekster reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Defam, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Defam te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Defam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt Defam om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Defam in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.