Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 9 maart 2026
[verzoeker] ,
[adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 17 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting, op 16 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 23 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:
Schuldhulpverlening heeft na de zitting, op 27 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een WW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 145.627,60 (inclusief een niet-saneerbare vordering van 105.739,99).
3. De beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schadevergoedingsmaatregel
Uit het overzicht van het CJIB van 9 februari 2026 blijkt dat aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 105.739,99 is opgelegd. Verzoeker is op
28 maart 2024 door de politierechter veroordeeld terzake verduistering in dienstbetrekking gepleegd in de periode van 1 augustus 2021 tot en met 21 september 2021. Voor dit strafbare feit is aan hem naast de genoemde schadevergoedingsmaatregel een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verzoeker heeft verklaard dat hij en zijn partner in die periode het financieel niet breed hadden. Hij wilde zijn partner financieel ondersteunen waardoor hij ervoor heeft gekozen om spullen van zijn werk te stelen om deze vervolgens door te verkopen. Deze schuld is naar haar aard niet te goeder trouw ontstaan en staat aan toelating in de weg.
Kinderopvangtoeslagen affaire
Gebleken is dat verzoeker op 8 januari 2025 is aangemerkt als ex-partner van een gedupeerde toeslagouder. Hierdoor valt hij onder de ex-toeslagpartnerregeling. Een deel van de schulden van verzoeker is kwijtgescholden of door de Belastingdienst betaald. Daarnaast heeft verzoeker van de Belastingdienst op 22 januari 2025 als compensatie een tegemoetkoming van € 10.000,00 ontvangen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij dit bedrag heeft aangewend om van te leven en anderen heeft terugbetaald die al voor langere periode op hun geld zaten te wachten. De tegemoetkoming heeft verzoeker niet gebruikt voor zijn (gezamenlijke) schuldeisers zoals vermeld op de schuldenlijst.
Geen wending ten goede
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker zich onder budgetbeheer heeft laten stellen. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkeling onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) is om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Onvoldoende gebleken is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Nakoming verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De verplichtingen waaraan verzoeker tijdens de schuldsaneringsregeling moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. De rechtbank oordeelt dat in het voorliggende geval niet aannemelijk is dat verzoeker aan deze verplichtingen zal voldoen. Zo heeft verzoeker gedurende het minnelijk traject een nieuwe schuld laten ontstaan door een advocaat in te schakelen vanwege het betwisten van een schuld zonder dit eerst met zijn schuldhulpverlener te overleggen. Gedurende het minnelijk traject is er met deze schuldeiser een betalingsregeling getroffen en is die schuld deels ingelopen. De rechtbank is van mening dat de overige schuldeisers hierdoor zijn benadeeld. Verder is uit de bankafschriften van verzoeker gebleken dat hij regelmatig online gokt, meerdere keren per dag. Ter zitting heeft verzoeker hierover verklaard dat hij weinig geld had om van te leven en door het gokken wilde proberen zijn financiële situatie te verbeteren. Hij heeft verklaard dat er van een verslaving geen sprake zou zijn. Het gokken van verzoeker duidt niet op een saneringsgezinde houding. Hoewel verzoeker stelt dat van een verslaving geen sprake is, is de rechtbank niet overtuigd dat verzoeker de omstandigheden van het onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Daarnaast heeft verzoeker, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij vanuit het UWV de verplichting heeft om minimaal vier sollicitaties per maand te doen en dat hij aan die verplichting voldoet. Deze sollicitatiebewijzen zijn echter niet aan de rechtbank versterkt.
Door bovenstaande omstandigheden kan de rechtbank geen volledig en zorgvuldig oordeel vormen over de vraag of sprake is van een saneringsgezinde houding en een stabiele situatie bij verzoeker, waarbij de inkomsten en uitgaven in balans zijn, ondanks het budgetbeheer. Er is weliswaar aangevoerd dat verzoeker ex-partner is van een gedupeerde toeslagouder en dat de schulden gedurende deze periode zijn ontstaan, maar die omstandigheid vindt de rechtbank onvoldoende om hierover anders te oordelen.
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.