RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 9 maart 2026
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
[verzoekster] heeft voorafgaand aan de zitting, op 16 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 februari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster],
- mevrouw D. Rodrigues, schuldhulpverlener van Geldplein.
[verzoekster] heeft na de zitting, op 25 februari 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan het CJIB met betrekking tot verkeersboetes en de schulden aan de Belastingdienst met betrekking tot het jaar 2023 die zien op inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. [verzoekster] had gedurende de periode dat zij werkzaam was als zelfstandig ondernemer moeten reserveren voor de Belastingdienst maar heeft dit niet gedaan. De schulden aan het CJIB zijn naar haar aard niet te goeder trouw en staan in beginsel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] heeft haar onderneming op 28 juni 2024 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Zij is thans werkzaam in loondienst. Daarnaast heeft [verzoekster] ter zitting verklaard dat zij zich ervan bewust is dat zij geen (nieuwe) boetes mag laten ontstaan en zal hier alert op zijn. Verder staat zij sinds 1 augustus 2024 onder budgetbeheer bij Geldplein. De rechtbank heeft voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
[verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. De afdrachtplicht kan niet worden gecontroleerd, nu niet alle onderliggende stukken bij de vtlb-berekening zijn overgelegd. De rechtbank kan niet vaststellen of het vtlb juist is berekend. Daarnaast blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat [verzoekster] voor 24 uur per week werkzaam is. Daarmee is niet voldaan aan de verplichting om fulltime (36 uur per week) betaalde arbeid te verrichten. Er zijn geen medische stukken waaruit blijkt dat [verzoekster] niet in staat is om fulltime arbeid te verrichten of een officieel besluit tot (gedeeltelijke) vrijstelling van de sollicitatieverplichting overgelegd. Er zijn ook geen sollicitatiebewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] minimaal vier keer per maand heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum]-1987 te [geboorteland],
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam];
aldaar voorheen handelend onder de naam [handelsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 9 maart 2026 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
9 september 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.