ECLI:NL:RBROT:2026:4464

ECLI:NL:RBROT:2026:4464

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer NL:TZ:2606965:R-RK en NL:TZ:2606966:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Moratorium toegewezen. Zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Zittingsplaats Rotterdam

Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]

Uitspraak van 3 april 2026

In de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoekster.

1. De procedure

Verzoekster heeft op 18 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 18 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 27 maart 2026.

Ter zitting van 27 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

Verzoekster heeft inkomen vanuit de DUO van € 1.300,- per maand. Daarnaast werkt verzoekster als freelancer, waarmee zijn een inkomen van circa € 250,- per maand genereert. Ook ontvangt verzoekster huur- en zorgtoeslag. De huur bedraagt € 596,98 per maand. Verzoekster heeft de huurtermijnen vanaf december 2025 tot en met april 2026 betaald. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waarmee voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.

3. Het verweer

Er is sprake van een totale huurachterstand van € 5.242,-. Verzoekster is twee keer eerder een minnelijk schuldhulpverleningstraject gestart. Beide trajecten zijn niet afgerond. Verweerster vraagt zich af waarom het nu, voor de derde keer, wel zal slagen.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 28 januari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 september 2025 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen van december 2025 tot en met april 2026 zijn betaald. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Daarnaast zal er opnieuw een schuldhulpverleningstraject worden opgestart voor verzoekster. De rechtbank heeft op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat het minnelijk traject niet binnen zes maanden zal zijn afgerond. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij zich ervan bewust is dat dit haar laatste kans is om tot een oplossing met haar schuldeisers te komen en dat zij zeer gemotiveerd is.

Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank biedt verzoekster dus nog één keer de kans om het schuldhulpverleningstraject te doorlopen.

De rechtbank acht wel termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn (binnen een maand) zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 18 maart 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.G.E. Prenger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?