ECLI:NL:RBROT:2026:4490

ECLI:NL:RBROT:2026:4490

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 10-405416-24 en 10-130373-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewezen is dat de verdachte rondom de jaarwisseling van 2024-2025 drie mannen heeft vermoord door hen neer te schieten met een vuurwapen dat hij in die periode voorhanden heeft gehad. Ook heeft hij in juni 2024 geprobeerd om iemand te doden door deze persoon meerdere keren met een mes te steken. De drie moorden worden de verdachte in sterk verminderde mate toegerekend en de poging doodslag in verminderde mate. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar, met aftrek van voorarrest en tot een niet-gemaximeerde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. De vorderingen van de elf benadeelde partijen worden grotendeels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10-405416-24 en 10-130373-25

Datum uitspraak: 17 april 2026

Datum zitting: 1 en 3 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteland] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

Advocaat van de verdachte: mr. W.B.M. Bos.

Officieren van justitie: mrs. A.H.A. de Bruijne en J. Spaans.

Benadeelde partijen:

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , bijgestaan door mrs. T. Farber en J.N. Rensen,

[benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] , bijgestaan door mr. M.P. de Klerk,

[benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] , bijgestaan door mr. S.M. Diekstra, en

[benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] , bijgestaan door mr. F.J.M. Hamers.

Kern van het vonnis

Bewezen is dat de verdachte rondom de jaarwisseling van 2024-2025 drie mannen heeft vermoord door hen neer te schieten met een vuurwapen dat hij in die periode voorhanden heeft gehad. Ook heeft hij in juni 2024 geprobeerd om iemand te doden door deze persoon meerdere keren met een mes te steken. De drie moorden worden de verdachte in sterk verminderde mate toegerekend en de poging doodslag in verminderde mate. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar, met aftrek van voorarrest en tot een niet-gemaximeerde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). De vorderingen van de elf benadeelde partijen worden grotendeels toegewezen.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte, kort samengevat, van het vermoorden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , door deze drie mannen neer te schieten met een vuurwapen. Daarnaast beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan dat hij een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Tot slot beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een poging tot doodslag op [slachtoffer 4] .

De volledige tenlastelegging houdt in dat:

Parketnummer 10-405416-24

1.

hij op of omstreeks 21 december 2024 te Rotterdam,

[slachtoffer 1]

opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen meerdere kogel(s) op die [slachtoffer 1] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, in het hoofd, althans het lichaam is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2024 te Rotterdam

[slachtoffer 2]

opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen meerdere kogel(s) op die [slachtoffer 2] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, in de rug en/of het hoofd, althans het lichaam is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2025 te Rotterdam,

[slachtoffer 3]

opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,

van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 3] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 3] in de nek en/of het hoofd, althans het lichaam is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2024 tot en met 2 januari 2025 te

Rotterdam, althans in Nederland,

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en

munitie,

te weten een vuurwapen de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Blow, model TR34, kaliber 9 mm kort (.380 auto),

voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 10-130373-25

hij op of omstreeks 12 juni 2024 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 4]

opzettelijk

van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes in de rug en/of schouder en/of het gezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten.

Conclusie van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat:

Parketnummer 10-405416-24

1.

hij op 21 december 2024 te Rotterdam [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen meerdere kogels op die [slachtoffer 1] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 1] in het hoofd is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 28 december 2024 te Rotterdam [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen meerdere kogels op die [slachtoffer 2] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 2] in de rug en het hoofd is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

3.

hij op 2 januari 2025 te Rotterdam [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel op die [slachtoffer 3] af te vuren, waardoor die [slachtoffer 3] in de nek en het hoofd is geraakt en ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;

4.

hij in de periode van 20 december 2024 tot en met 2 januari 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Blow, model TR34, kaliber 9 mm kort (.380 auto), voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 10-130373-25

hij op 12 juni 2024 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes in de rug en schouder en/of het gezicht van die [slachtoffer 4] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

Parketnummer 10-405416-24

1. Verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 1 april 2026.

2. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2025, inhoudende het forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden ( [slachtoffer 1] ).

3. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 april 2025, inhoudende het forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden ( [slachtoffer 2] ).

4. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 juni 2025, inhoudende het forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden ( [slachtoffer 3] ).

5. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 januari 2025, inhoudende het wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van meerdere schietincidenten in Rotterdam en het aantreffen van een vuurwapen op 2 januari 2025 in Rotterdam.

6. Het proces-verbaal van onderzoek vuurwapen.

Parketnummer 10-130373-25

1. Verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 1 april 2026.

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte van [slachtoffer 4] .

3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen verwondingen slachtoffer ziekenhuis.

4. De letselbeschrijving van de forensisch arts.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 10-405416-24

Feit 1, feit 2 en feit 3, telkens:

moord;

Feit 4:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Parketnummer 10-130373-25

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Beroep op schulduitsluitingsgrond

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van alle feiten, maar in ieder geval ten aanzien van de drie moorden onder parketnummer 10-405416-24 volledig ontoerekeningsvatbaar is. De verdachte is daarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader

Gelet op het bepaalde in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan het ten laste gelegde niet aan de verdachte worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit (ECLI:NL:HR:2023:1295).

Advies gedragsdeskundigen

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte wordt in de eerste plaats acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 23 februari 2026, ondertekend door klinisch psycholoog [naam 1] en psychiater [naam 2] . De psycholoog en psychiater hebben ter zitting hun onderzoeksbevindingen toegelicht en vragen van de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging beantwoord.

De hieruit volgende bevindingen en conclusies van de psychiater en psycholoog vat de rechtbank als volgt samen.

Uit het forensisch milieuonderzoek wordt duidelijk dat de verdachte is opgegroeid in een situatie die gekenmerkt wordt door affectieve verwaarlozing en instabiliteit. Hij heeft wisselende opvoeders en woonplekken gehad, waaronder ook verblijf in pleeggezinnen. Het heeft hem structureel aan liefde, aandacht en bevestiging ontbroken. Dit heeft een ongunstige invloed gehad op zijn hechtingsmogelijkheden en persoonlijkheidsontwikkeling. De verdachte heeft hierdoor al vroeg geleerd niet op anderen te rekenen voor veiligheid en emotionele of praktische ondersteuning, terwijl structuur, steun, veiligheid en betrouwbaarheid gezien zijn intelligentie juist van groot belang waren in deze vroege levensfase.

Bij de verdachte is sprake van schizofrenie. De diagnose schizofrenie volgt zowel uit de zogenoemde ‘positieve’ symptomen, dat wil zeggen (vooral) formele denkstoornissen en auditieve hallucinaties, als uit de ‘negatieve’ symptomen van schizofrenie, dat wil zeggen een vlak affect, weinig emotionaliteit, de neiging tot terugtrekken, een gebrek aan motivatie en initiatiefloosheid.

Deze schizofrenie lijkt rond zijn 22e levensjaar (2022-2023) voor het eerst tot uiting te zijn gekomen, aanvankelijk door het horen van stemmen en later ook door in zichzelf lachen, praten tegen stemmen, verward praten en andere vreemde gedragingen.

Naast de psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie spelen bij de verdachte twee andere stoornisgebieden een relevante en complicerende rol: zijn beperkte intelligentie en zijn cannabisgebruik. Het niveau van intellectueel functioneren van de verdachte wordt geschat op een lichte verstandelijke beperking.

Daarnaast heeft hij een matige stoornis in het cannabisgebruik. Hoewel hij subjectief kan ervaren dat hij zich prettiger voelt, is van cannabisgebruik bekend dat dit bij psychosegevoelige personen psychotische klachten kan uitlokken of versterken.

De beschreven stoornisgebieden, schizofrenie, de verstandelijke beperking en het cannabisgebruik zijn weliswaar afzonderlijk vast te stellen, maar zijn onderling sterk verweven. Door de positieve en negatieve symptomen van schizofrenie is de verdachte nauwelijks in staat zijn leven adequaat vorm te geven. Zijn verstandelijke beperking heeft hierop een ongunstige invloed. Omdat hij zelf onvoldoende in staat is het overzicht te houden en richting te geven aan zijn gedragingen, is hij beïnvloedbaar voor externe druk, maar ook voor interne factoren, zoals opdrachtgevende stemmen. Cannabisgebruik kan bij negatieve symptomen het maken van sociaal contact vergemakkelijken, maar kan op de lange duur het risico op psychotische symptomen doen toenemen.

In het rapport wordt gesproken over een ernstig beperkte en in psychiatrisch opzicht kwetsbare man.

In de periode 2022-2023 heeft de verdachte diverse stresserende omstandigheden ervaren. Hij heeft schulden, hij moet uit zijn huis, is weer bij zijn moeder gaan wonen, moest daarna weer weg bij zijn moeder en is bij zijn vader gaan wonen die maar zelden thuis was. Deze omstandigheden hebben geleid tot cognitieve overvraging en zijn daarmee, met het cannabisgebruik, waarschijnlijk uitlokkend geweest voor de psychose.

De psychotische kenmerken zijn evenwel niet alleen het gevolg van die overvraging en het gebruik van cannabis. Dit wordt duidelijk doordat ook binnen de hoog gestructureerde setting van het PPC en het PBC en bij abstinentie van middelen, nog steeds sprake is van psychotische (rest)verschijnselen.

Door de combinatie van vooral de schizofrenie en de verstandelijke beperking kan geen goed zicht worden verkregen op de onderliggende persoonlijkheidsontwikkeling en kan een separate persoonlijkheidsstoornis niet worden aangetoond, maar ook niet worden uitgesloten. Onder invloed van hechtingsproblematiek is er wel sprake van scheefgroei van de persoonlijkheid. Door de ernst van de eerdergenoemde en op de voorgrond staande problematiek is deze scheefgroei op dit moment niet te classificeren als persoonlijkheidsstoornis. Het geheel van zijn problematiek heeft wel geleid tot een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling.

Hoewel de verdachte weet dat hij geen mensen om het leven mag brengen, was hij door de

combinatie van het psychotische toestandsbeeld en zijn verstandelijke beperking niet goed in staat de werkelijke betekenis en gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers en voor zichzelf te overzien of om naar die kennis te handelen. Dit leidt tot het advies om de ten laste gelegde levensdelicten en het wapenbezit in tenminste sterk verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Op de ten laste gelegde poging doodslag die in juni 2024 heeft plaatsgevonden hebben de deskundigen minder zicht verkregen. Met name ontbreekt een meer gedetailleerd beeld van de omstandigheden waar de verdachte destijds in verkeerde. Echter, inherent aan de chroniciteit van de vastgestelde stoornissen moet ervan uitgegaan worden dat deze stoornissen ook toen aanwezig waren. Maar het precieze toestandsbeeld is minder nauwkeurig te reconstrueren. Vanwege deze onzekerheid wordt geadviseerd dit feit, indien bewezen, in tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Oordeel van de rechtbank

Op basis van het hiervoor besproken rapport stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Om in juridische zin een feit niet aan een verdachte toe te rekenen, is echter daarnaast vereist, zoals ook volgt uit het hiervoor weergegeven beoordelingskader, dat de verdachte als gevolg van die stoornis in het geheel niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of in het geheel niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Dat hiervan sprake was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volgt niet uit de conclusies van de deskundigen en de rechtbank ziet geen reden om van de conclusies af te wijken. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de drie moorden en het wapenbezit de verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend en dat de poging doodslag hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

In aanvulling op de conclusies van de deskundigen neemt de rechtbank ten aanzien van de drie moorden en het wapenbezit bij haar oordeel nog het volgende in overweging. Hoewel de psychische problematiek van de verdachte onmiskenbaar een grote rol heeft gespeeld bij het plegen van de feiten, kan de rechtbank bij de mate van toerekenbaarheid niet voorbij gaan aan het planmatige karakter van de moorden en het wapenbezit en andere feiten en omstandigheden over het besef bij de verdachte van de wederrechtelijkheid van de strafbare feiten. De verdachte is via Snapchat in contact gekomen met personen die hem een vuurwapen konden verkopen en hij heeft daadwerkelijk een vuurwapen gekocht. Een dag na de aankoop van het vuurwapen op 20 december 2024 heeft hij het eerste slachtoffer doodgeschoten. Dat de verdachte over voldoende capaciteit beschikte om de betekenis van zijn gedragingen in ieder geval in enige mate te beseffen, leidt de rechtbank onder meer af uit de omstandigheid dat de verdachte het vuurwapen vanaf het balkon naar beneden gooide toen de politie voor zijn deur stond.

Gelet op het voorgaande kan, anders dan de raadsman heeft aangevoerd, van volledige ontoerekeningsvatbaarheid geen sprake zijn. Het verweer wordt dan ook verworpen en de feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf en maatregel

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor alle ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest, in combinatie met de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Standpunt van de verdediging

Verzocht wordt om de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in een periode van minder dan twee weken willekeurig drie mannen vermoord. De eerste moord vond plaats op 21 december 2024. De verdachte heeft toen [slachtoffer 1] met een vuurwapen neergeschoten. Op 28 december 2024 schoot de verdachte [slachtoffer 2] neer en tot slot schoot de verdachte op 2 januari 2025 [slachtoffer 3] neer. De verdachte heeft zijn eerste twee slachtoffers in de rug geschoten en daarna in het hoofd. Hij heeft [slachtoffer 2] , die na het schot in zijn rug door zijn knieën was gegaan, van achteren schuin van boven naar beneden door zijn achterhoofd geschoten. Dit wekt de indruk van een executie. Alle drie de slachtoffers liepen nietsvermoedend over straat toen zij door de verdachte werden neergeschoten en hadden geen schijn van kans. Het vuurwapen had de verdachte een dag voor de eerste moord aangeschaft.

De moorden zijn zinloos en voor de nabestaanden nauwelijks te bevatten; zij moeten hun geliefde voor altijd missen. Op indringende en indrukwekkende wijze hebben enkele nabestaanden op de zitting woorden gegeven aan het verdriet en leed dat het plotselinge en gewelddadige verlies van hun geliefde heeft veroorzaakt.

Ook in de samenleving in het algemeen en in het stadsdeel IJsselmonde in het bijzonder hebben de feiten en de gedachte dat er iemand in de buurt rondliep die willekeurig mensen doodschoot tot grote angst, onrust en gevoelens van onveiligheid geleid, ook (lang) nadat de verdachte was opgepakt. Bij de behandeling van de zaak tegen de verdachte is gebleken dat de ernst van de feiten in de samenleving nog steeds wordt gevoeld.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer 4] meermalen te steken met een mes waardoor dit slachtoffer levensbedreigend letsel heeft opgelopen. Van en over dit slachtoffer is de rechtbank niet veel bekend geworden, maar het is duidelijk dat ook hem een ernstig strafbaar feit is aangedaan.

Tenslotte heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. In het licht van de bovenstaande feiten verbleekt dit misdrijf maar niet vergeten mag worden dat juist omdat met vuurwapens zulke ernstige misdrijven kunnen worden gepleegd alleen al het bezit ervan een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 27 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapporten van deskundigen en hun verklaringen op de zitting

Ook in het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank acht geslagen op de eerder genoemde Pro Justitia-rapportage van het PBC. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is bij de verdachte sprake van schizofrenie, een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van cannabis.

De deskundigen hebben het volgende gerapporteerd. Ondanks dat de verdachte, na jaren onbehandeld te zijn gebleven, sinds zijn aanhouding is ingesteld op antipsychotische medicatie en hij zich binnen een gestructureerde omgeving bevindt zonder middelengebruik, is er nog steeds sprake van psychotische (rest)verschijnselen in het kader van de schizofrenie. Daarmee wordt, indien de verdachte onbehandeld zou terugkeren naar de omstandigheden van voor zijn aanhouding, het risico op herhaling op nieuwe levensdelicten als hoog ingeschat, zowel op de korte als op de lange termijn. Gezien de chronische aard van de stoornis wordt een intensieve en langdurige behandeling noodzakelijk geacht. De verdachte zal vermoedelijk blijvend afhankelijk zijn van enige vorm van begeleiding en toezicht. Ten tijde van het schrijven van het rapport ontbrak bij hem echter het ziekte-inzicht en de intrinsieke motivatie voor behandeling. Daarom adviseren de deskundigen dat de intensieve behandeling, die in eerste instantie alleen klinisch kan plaatsvinden, in een gedwongen kader uitgevoerd wordt. De benodigde hoge zorgintensiteit, de daarmee samenhangende duur van de behandeling en het hoge beveiligingsniveau maken dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging het enige passende juridische kader is.

Oplegging straf en maatregel

Gevangenisstraf

In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechtbank beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de rechtbank binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen (hoogte van de) straf en in de keuze en de weging van de factoren die zij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de rechtbank in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. Wel zal de rechtbank inzicht moeten bieden in de beweegredenen die tot de straf hebben geleid. Dat klemt te meer wanneer er, zoals in deze zaak, uitdrukkelijk gemotiveerde standpunten zijn ingenomen door de officier van justitie en door de raadsman. Dit alles neemt niet weg dat mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang kunnen zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf de rechtbank slechts tot op zekere hoogte inzicht kan verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing (HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.4 en HR 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:477, r.o. 2.4).

De door de verdachte gepleegde strafbare feiten zijn, zoals hierboven onder 4.3.1 uiteen is gezet, heel ernstig en worden bedreigd met een maximale tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar of met een levenslange gevangenisstraf. Bij een volledige toerekeningsvatbare verdachte zouden deze feiten zonder enige twijfel tot een levenslange gevangenisstraf hebben geleid. Een dergelijke gevangenisstraf is nu niet op zijn plaats omdat de feiten waarop een levenslange gevangenisstraf staat de verdachte in sterk verminderde mate worden toegerekend. Dit leidt tot een aanzienlijke strafvermindering. Het leidt er niet toe dat er helemaal geen straf wordt opgelegd zoals de raadsman heeft bepleit. Want de verdachte heeft drie misdrijven gepleegd die behoren tot de zwaarste categorie misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Die misdrijven hebben tot grote maatschappelijke beroering geleid en zijn een grote inbreuk op de rechtsorde door de volstrekte willekeur, door de zinloosheid van de misdrijven en niet in de laatste plaats door de executie-stijl waarmee de verdachte in elk geval een van de moorden heeft gepleegd. Dan weegt het strafdoel van genoegdoening en van herstel van de rechtsorde, met ander woorden van vergelding, heel zwaar en is er minder ruimte om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, hoe zeer de rechtbank ook ziet in welke omstandigheden de verdachte heeft verkeerd.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf weegt het persoonlijke belang van de verdachte bij een snelle behandeling van zijn psychische problematiek dus niet op tegen de ernst van de feiten.

Natuurlijk is er ook een algemeen belang bij behandeling van de verdachte, namelijk voorkomen dat de verdachte in herhaling vervalt, maar dat belang kan ook worden gediend door het opleggen van een langdurige gevangenisstraf met daarnaast tbs met dwangverpleging.

Naast het voorgaande wordt bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte en, gelet op de vastgestelde stoornissen, de lange weg die de verdachte nog heeft te gaan in het hierna te bespreken tbs-traject. Voor de rechtbank wegen deze strafverminderende omstandigheden zwaarder dan voor de officier van justitie en zij legt daarom een lagere gevangenisstraf op dan is geëist.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar passend en geboden.

Terbeschikkingstelling (tbs)

De rechtbank onderschrijft de conclusie van de psycholoog en de psychiater dat oplegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is.

Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals hiervoor uiteengezet. Daarnaast zijn de feiten misdrijven waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd.

De feiten ter zake waarvan de tbs-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd, zijn misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom kan de terbeschikkingstelling langer duren dan vier jaar.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de tbs-maatregel volgens de rechtbank zou moeten beginnen. De rechtbank ziet daar gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen aanleiding toe en heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf mede rekening gehouden met het moment van aanvang van de tbs-behandeling.

5. Vorderingen van de benadeelde partijen

Inleiding

In de zaak met parketnummer 10-405416-24 hebben elf nabestaanden als benadeelde partij verzocht om een schadevergoeding:

Feit 1:

[benadeelde partij 1] (paragraaf 5.3)

[benadeelde partij 2] (paragraaf 5.4)

[benadeelde partij 3] (paragraaf 5.5)

[benadeelde partij 4] (paragraaf 5.6)

Feit 2:

[benadeelde partij 5] (paragraaf 5.7)

[benadeelde partij 6] (paragraaf 5.8)

[benadeelde partij 7] (paragraaf 5.9)

[benadeelde partij 8] (paragraaf 5.10)

Feit 3:

[benadeelde partij 9] (paragraaf 5.11)

[benadeelde partij 10] (paragraaf 5.12)

[benadeelde partij 11] (paragraaf 5.13)

Alle benadeelde partijen hebben wettelijke rente, een proceskostenveroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De officier van justitie heeft zich uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen.

Algemene overwegingen over de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 9] en [benadeelde partij 4]

Affectieschade en shockschade

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 9] vorderen een vergoeding voor affectieschade en voor shockschade. Door de verdediging is niet betwist dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 9] recht hebben op affectieschade. Evenmin heeft de verdediging de feiten en omstandigheden betwist die door voornoemde benadeelde partijen ten grondslag zijn gelegd aan de gevorderde shockschade of heeft de verdediging betwist dat deze benadeelde partijen recht hebben op shockschade.

De verdediging heeft wel verweer gevoerd op het punt van de samenloop van affectieschade en immateriële shockschade en in dat verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958). De verdediging heeft hieraan toegevoegd dat shockschade en affectieschade beide vormen van immateriële schade zijn die deels zowel door het verlies als door de confrontatie met de gevolgen zijn ontstaan en dat vermenging van die schade niet is uit te sluiten. De verdediging heeft de rechtbank erop gewezen dat zij hierin een afweging moet maken. De rechtbank vat dit op als een verweer tegen onbeperkte toewijzing van de gevorderde affectieschade en shockschade.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Affectieschade is immateriële schade (leed en verdriet) als gevolg van – voor zover hier relevant – het overlijden van een naaste. Op grond van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hebben de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten van het slachtoffer recht op vergoeding van affectieschade door de persoon die aansprakelijk is voor het overlijden van het slachtoffer. Vergoeding van affectieschade vindt plaats aan de hand van het Besluit vergoeding affectieschade, waarin vaste vergoedingsbedragen zijn neergelegd. Zoals hierna zal blijken, komen de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 9] in aanmerking voor vergoeding van affectieschade.

Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, kan, afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden, ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht. Aan de hand van verschillende gezichtspunten moet de rechter van geval tot geval beoordelen of sprake is van dergelijk onrechtmatig handelen. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok, ook wel shock- of schokschade genoemd, is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Dit kan zowel materiële als immateriële schade zijn.

In geval van samenloop van affectieschade en immateriële shockschade zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor de shockschade rekening wordt gehouden met de aanspraak op affectieschade. Daarbij moet de rechter, waar mogelijk, ook letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Bij het bepalen van de omvang van de vergoeding van de immateriële shockschade heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, de wijze waarop de benadeelde partij is geconfronteerd met de jegens het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de psychische gevolgen daarvan en de relatie die de benadeelde partij had met het slachtoffer. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de uitspraken HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, Rb Zeeland-West-Brabant 15 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6760 en 6753, Rb Gelderland 20 september 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5281 en Rb Rotterdam 11 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6746. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat sprake is van samenloop met affectieschade kent de rechtbank aan de nabestaanden [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 9] die immateriële shockschade hebben gevorderd een vergoeding van € 20.000,- toe. De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding om onderscheid te maken in de aan de verschillende naasten toe te kennen bedragen. De benadeelde partijen zullen dus voor het meer gevorderde deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft eveneens affectieschade en shockschade gevorderd. Nu deze vordering gemotiveerd is betwist door de verdediging, zal deze hierna bij de behandeling van de vorderingen per benadeelde afzonderlijk worden behandeld.

Aanvullende toekomstige schade

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 9] hebben vergoeding gevorderd van een bedrag aan toekomstige nog nader te onderbouwen schade. De verdediging heeft dit deel van de vordering van de benadeelde partijen telkens betwist. Het betreft schade die nog niet bekend is en gevorderd is met het oog op een eventuele procedure in hoger beroep. Deze post is dan ook telkens niet onderbouwd. De benadeelde partijen worden daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Hieronder zal per benadeelde partij de resterende vordering worden besproken.

[benadeelde partij 1]

Vordering

[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 resterend gevorderd:

€ 17.322,43 als vergoeding voor materiële schade;

€ 17.500,- als vergoeding voor affectieschade;

€ 36.255,36 als vergoeding van materiële shockschade.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op:

de kosten voor boodschappen ter hoogte van € 331,33 en de schade aan de woning van € 236,15, omdat er geen causaal verband is tussen deze schade en het strafbare feit;

de materiële shockschade van € 36.255,36 in verband met studievertraging, omdat zonder nader onderzoek niet is vast te stellen of dit is veroorzaakt door het strafbare feit.

Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist voor zover die ziet op de kosten voor de uitvaartdienst (€ 9.172,60), de kleding (€ 30,-), de foto’s (€ 72,94) en het grafmonument (€ 4.500,-). Deze onderdelen van de vordering worden toegewezen als niet weersproken en op de wet gegrond.

De vordering wordt ook toegewezen voor zover die ziet op de kosten voor de boodschappen (€ 331,33), omdat deze is gegrond op de wet, voldoende is onderbouwd dat het gaat om kosten die zijn gemaakt in verband met het rouwbezoek en de uitvaart, in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene en de verdediging dit met onvoldoende argumenten heeft weersproken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor de akte van nalatenschap en de kosten voor de woning, omdat voor vergoeding van deze kosten geen wettelijke grondslag bestaat. Anders dan door de benadeelde partij is gesteld, vallen deze kosten niet onder de kosten als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de materiële shockschade in verband met opgelopen studievertraging. De verdediging heeft dit deel van de vordering betwist en vooralsnog is onvoldoende onderbouwd dat de opgelopen studievertraging is ontstaan door geestelijk letsel als gevolg van de schokkende ervaring. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit alles betekent dat de verdachte € 14.106,87 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de dochter van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.

[benadeelde partij 2]

Vordering

[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 1 resterend gevorderd:

€ 8.658,84, subsidiair € 6.575,79 als vergoeding voor materiële schade;

€ 20.000,- als vergoeding voor affectieschade.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan niet worden toegewezen voor zover deze ziet op:

de kosten voor het rijbewijs;

de directe voedingskosten.

Het deel van de vordering dat ziet op de vergoeding voor affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.

Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist voor zover het ziet op de kosten voor de 40e dag ceremonie (€ 2.398,-) en de kleding (€ 186,31). Deze onderdelen van de vordering worden toegewezen als niet weersproken en op de wet gegrond.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het deel van de vordering dat ziet op de directe voedingskosten, omdat niet is gebleken dat het de benadeelde partij is die deze schade heeft geleden.

De benadeelde partij wordt ook niet-ontvankelijk verklaard in het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor het rijbewijs. De verdediging heeft dat deel van de vordering gemotiveerd betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit betekent dat de verdachte € 2.584,31 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de zoon van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-, nu het slachtoffer ook bij zijn vader in huis woonde. Dat dit alleen in het weekend was en de zoon doordeweeks bij zijn moeder woonde, maakt dit niet anders.

[benadeelde partij 3]

Vordering

[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 1 resterend gevorderd:

€ 32.397,84, subsidiair € 28.824,24, meer subsidiair € 7.382,64, meest subsidiair € 3.723,75 voor materiële schade;

€ 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;

€ 2.206,87 als vergoeding voor materiële shockschade.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan niet worden toegewezen voor zover deze ziet op:

de kosten voor levensonderhoud voor zover dit toekomstige schade betreft en voorts is met betrekking tot het fruit geen sprake van een causaal verband tussen de schade en het strafbare feit;

de kosten voor het rijbewijs.

Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit.

De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op het gederfd levensonderhoud (zakgeld en telefoonkosten) tot het moment dat de benadeelde partij 18 jaar wordt (€ 1.320,90). De vordering is in zoverre voldoende onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken.

Daarnaast wordt het gevorderde bedrag in verband met de kosten voor de psycholoog (€ 2.206,87) toegewezen. Dit is materiële schade als gevolg van shockschade. De verdediging heeft dit deel van de vordering niet betwist en zoals hierboven uiteen is gezet, komt de rechtbank tot de conclusie dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van shockschade.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering dat ziet op de materiële schade in verband met gederfd levensonderhoud (voeding en fruit), omdat niet is gebleken dat het de benadeelde partij is die deze schade heeft geleden.

De benadeelde partij wordt ook niet-ontvankelijk verklaard in het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor het rijbewijs. De verdediging heeft dat deel van de vordering gemotiveerd betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit betekent dat de verdachte € 3.527,77 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de zoon van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-, nu voldoende is gebleken dat het slachtoffer bij zijn vader in huis woonde.

[benadeelde partij 4]

Vordering

[benadeelde partij 4] heeft als benadeelde partij voor feit 1 resterend gevorderd:

€ 69,94 als vergoeding voor materiële schade bestaande uit kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW;

€ 17.500,- als vergoeding voor affectieschade;

€ 22.560,- als vergoeding van shockschade.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan niet worden toegewezen voor zover deze ziet op:

de affectieschade;

de shockschade.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gevorderde materiële schade.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade en immateriële schade

De benadeelde partij is de ex-partner van het slachtoffer sinds, zo blijkt uit het dossier, 2019. Zij valt niet onder één van de in artikel 6:108 lid 4 BW genoemde naasten. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat zij in een zodanig nauwe en persoonlijke relatie staat met de overledene dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste moet worden aangemerkt als bedoeld in dit artikel. Omdat de benadeelde partij niet onder de kring der gerechtigden valt in de zin van voornoemd artikel, bestaat er geen wettelijke grondslag voor toekenning van de gevorderde affectieschade.

Verder is de aard en hechtheid van de relatie tussen de overledene en de benadeelde partij een van de gezichtspunten voor de beoordeling van shockschade. Daarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen. Deze vordering treft dan ook het zelfde lot als de vordering tot vergoeding van affectieschade.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor de kleding van de benadeelde partij. Anders dan de benadeelde partij heeft gesteld, vallen deze kosten niet zonder meer onder de kosten als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW (kosten die redelijkerwijze zijn gemaakt ‘gezien de omstandigheden waarin de overledene leefde’), en hetgeen de benadeelde partij hiertoe heeft gesteld, is ontoereikend.

[benadeelde partij 5]

Vordering

[benadeelde partij 5] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd conform de voorgestelde normering van de bedragen in het Besluit vergoeding affectieschade.

Standpunt van de verdediging

De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, omdat het niet de bedoeling is dat wordt vooruitgelopen op de formele aanpassing van het Besluit.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de zoon van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om, in verband met de mogelijk aanstaande herijking van de vastgestelde bedragen, af te wijken van de op dit moment geldende, door de wetgever in het Besluit vastgestelde bedragen. De benadeelde partij zal daarom voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk worden verklaard.

[benadeelde partij 6]

Vordering

[benadeelde partij 6] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, omdat het niet de bedoeling is dat wordt vooruitgelopen op de formele aanpassing van het Besluit.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de zoon van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, met verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 5.7.3 is overwogen.

[benadeelde partij 7]

Vordering

[benadeelde partij 7] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 17.500,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De nabestaande is de moeder van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.

[benadeelde partij 8]

Vordering

[benadeelde partij 8] heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 6.434,70 als vergoeding voor materiële schade gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen als niet weersproken en op de wet gegrond. Dit betekent dat de verdachte € 6.434,70 (bestaande uit een bedrag van € 6.327,70 en € 107,-) als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

[benadeelde partij 9]

Vordering

[benadeelde partij 9] heeft als benadeelde partij voor feit 3 resterend gevorderd:

€ 17.940,50 als vergoeding voor materiële schade;

€ 20.000,- als vergoeding voor affectieschade.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in verband met gederfd levensonderhoud refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank tot een bedrag van € 3.836,- en wordt verzocht de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in dat deel van de vordering.

De verdediging refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit.

De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van haar vordering een rapport van Laumen Expertise overgelegd, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schade in de vorm van gederfd levensonderhoud heeft geleden. De in het rapport gehanteerde uitgangspunten, zoals de inkomensverschillen voor het gezin zonder en met overlijden, komen de rechtbank niet onredelijk voor. Dat het gaat om toekomstige schade, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is inherent aan dit type schade en staat dus niet zonder meer in de weg aan toewijzing ervan. Verder acht de rechtbank relevant dat de benadeelde partij het expertiserapport begin december 2025 aan alle betrokkenen heeft doen toekomen. De verdediging heeft dus voldoende gelegenheid gehad om zich te beraden over de vordering, zelf onderzoek te laten doen en om eventuele verweren naar voren te brengen, in aanloop naar de zitting en/of op de zitting zelf. De verdediging heeft dat nagelaten en heeft uitsluitend in algemene bewoordingen de vordering betwist.

Dit betekent dat de verdediging de vordering onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De vordering, die op de wet is gegrond, wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 17.940,50 (bestaande uit een bedrag van € 15.823,- aan gederfd levensonderhoud en € 2.117,50 voor de kosten van Laumen) als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 3 rechtstreeks immateriële schade geleden.

De nabestaande is de weduwe van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.

[benadeelde partij 10]

Vordering

[benadeelde partij 10] heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 17.500,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De nabestaande is de dochter van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.

[benadeelde partij 11]

Vordering

[benadeelde partij 11] heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 17.500,- als vergoeding voor affectieschade gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De nabestaande is de dochter van het slachtoffer. De gevorderde affectieschade wordt conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf het moment dat de schade is ontstaan ten aanzien van de toegewezen bedragen aan materiële schade.

De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd ten aanzien van de toegewezen bedragen aan immateriële schade.

De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de datum van het strafbare feit of de kapitalisatiedatum ten aanzien van de toegewezen bedragen aan toekomstige schade.

Deze data worden genoemd in het schema dat in hoofdstuk 7 van dit vonnis is opgenomen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding en de wettelijke rente daarover aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De rechtbank ziet in de duur van de op te leggen straf en maatregel en de daarmee verband houdende te verwachten beperkte financiële ruimte van de verdachte voor het betalen van de toegewezen bedragen, aanleiding af te wijken van de maximaal toegestane gijzelingsduur van 365 dagen. De gijzeling zal per benadeelde partij steeds op één dag worden gesteld, om te voorkomen dat de gijzeling niet meer het karakter draagt van extra waarborg voor de betalingsverplichting, maar eerder als punitieve vrijheidsbeneming werkt.

De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

7. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 onder parketnummer 10-405416-24 en het feit onder parketnummer 10-130373-25 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf en maatregel

gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

tbs-maatregel

beveelt dat de verdachte voor de feiten 1, 2, 3 en 4 onder parketnummer 10-405416-24 en voor het feit onder parketnummer 10-130373-25 ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partijen, te betalen de bedragen zoals genoemd in onderstaand schema en de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals daarbij genoemd in dat schema tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de resterende delen van de vorderingen en bepaalt dat de vorderingen voor zover kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partijen aan de staat de geldbedragen te betalen zoals genoemd in onderstaand schema (kolom ‘SVM’), en de wettelijke rente vanaf de data zoals daarbij genoemd tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal van het toegewezen totaal (per benadeelde partij) niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en I. Tillema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.L.M. Boek

Griffier

  • mr. M.M. Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?