Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummers: 10-332363-25 en 03-229478-25
Datum uitspraak: 7 april 2026
Datum zitting: 24 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte: [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1990 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ,
gedetineerd aldaar in [detentieadres] .
Advocaat van de verdachte: mr. F.A.G.M. Landerloo
Officier van justitie: mr. D.D.B. Reuter
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Advocaat van de [benadeelde partij 1] : mr. R. Odink
Gemachtigde van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] : [benadeelde partij 4]
Kern van het vonnis
Veroordeling voor tweemaal mishandeling, huisvredebreuk, het overtreden van de Wet tijdelijk huisverbod, bedreiging en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Slachtoffers zijn een ex-vriendin van de verdachte en haar moeder. De verdachte krijgt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 168 dagen en een dadelijk uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel met een contact- en locatieverbod. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.
1. Voeging
De rechtbank is na beoordeling van het beschikbare bewijs in raadkamer tot de conclusie gekomen dat de vordering van de officier van justitie tot voeging van de strafzaken tegen de verdachte moet worden toegewezen, omdat dit in het belang is van het onderzoek.
2. Tenlastelegging
In de zaak met parketnummer 03-229478-25 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op 6 april 2025 in Kerkrade heeft geprobeerd [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) zwaar te mishandelen dan wel haar heeft mishandeld door haar bij haar haren te pakken en van de trap te duwen (feit 1 primair en feit 1 subsidiair). Tevens is tenlastegelegd dat de verdachte dit heeft gedaan nadat hij wederrechtelijk de woning was binnengedrongen die bij [slachtoffer 1] en haar moeder in gebruik was (feit 3). Verder houdt de tenlastelegging in dat de verdachte [slachtoffer 1] op 6 april 2025 in Kerkrade heeft mishandeld door haar een klap in het gezicht te geven (feit 2).
In de zaak met parketnummer 10-332363-25 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op 3 december 2025 in Rotterdam heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen dan wel haar heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en haar hoofd tegen de punt van een kast te duwen (feit 1 primair en feit 1 subsidiair). Verder is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij op 14 december 2025 in Rotterdam [slachtoffer 1] en haar moeder heeft bedreigd (feit 3), waarmee hij bovendien het namens de burgemeester opgelegde tijdelijk huisverbod heeft overtreden (feit 2). Ook is tenlastegelegd dat de verdachte op 18 oktober 2025 in Rotterdam in de kamer van [slachtoffer 1] heeft verbleven, wat in strijd was met de gedragsaanwijzing die hem door de officier van justitie was opgelegd (feit 4).
De volledige tenlastelegging (hierna: ook beschuldiging) staat in bijlage 1.
3. Bewijs / Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 worden bewezen verklaard. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de in die zaak tenlastegelegde feiten 1 primair en subsidiair, omdat voor deze feiten het wettig (steun)bewijs ontbreekt.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 in de zaak met parketnummer 10-332363-25 worden bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 1 primair in die zaak wordt vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten, behalve voor feit 4 in de zaak met parketnummer 10-332363-25 (overtreding gedragsaanwijzing). Zij heeft zich voor dat feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Door de verdediging gevoerde verweren zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
Feit 1 (primair poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling) in de zaak met parketnummer 03-229478-25 en feit 1 primair (poging tot zware mishandeling) in de zaak met parketnummer 10-332363-25 kunnen niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte:
Parketnummer 03-229478-25
feit 2
omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] tegen haar wang te slaan;
feit 3
omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade, in de woning, [adres 2], bij anderen dan bij verdachte in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
Parketnummer 10-332363-25
feit 1 subsidiair
op 3 december 2025 te Rotterdam, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 1] (met kracht)bij de keel te pakken en
- ( vervolgens) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] met haar hoofd tegen een puntig en/of uitstekend voorwerp kwam;
feit 2
als degene aan wie namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven op 14 december 2025 in Nederland, in strijd met dat huisverbod contact heeft opgenomen met één van de in dat huisverbod genoemde personen te weten [slachtoffer 1] ;
feit 3
op 14 december 2025 in Nederland [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen
- ' ik rust als ik jou en je ouders en broertjes verwoest heb' en
- ' ik laat het huis van je ouders in brand steken, is niet zo duur blijkbaar' en 'ik heb al
observatie op jullie wollah' en
- ' ik rijd je zo van je kanker scooter' en
- ' ik steek de bus van je vader in brand' en
- ' ik sla je gehandicapt en laat me dan oppakken' en 'ik kan je net zo goed echt half dood slaan' en 'jij gaat in die rolstoel eindigen' en 'ik ga jou verwoesten ',
feit 4
op 18 oktober 2025 te Rotterdam, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 september 2025, gegeven door de officier van justitie te Limburg, door te verblijven op de kamer bij [slachtoffer 1] .
Parketnummer 03-229478-25
De bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
Parketnummer 10-332363-25
De bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
De bewezenverklaring van feit 4 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en behoeft geen nadere toelichting. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen in bijlage 2 genoemd, maar niet verder uitgeschreven:
Nadere bewijsmotivering
Parketnummer 03-229478-25
Feiten 2 en 3: mishandeling en huisvredebreuk
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de nacht van 6 op 7 april 2025 zonder toestemming in de woning aan [adres 2] is geweest. Hij heeft daar ruzie gekregen met [slachtoffer 1] , terwijl haar ouders boven in de woning lagen te slapen. Tijdens die ruzie heeft de verdachte [slachtoffer 1] tegen de wang geslagen.
De verdachte ontkent de woning van [slachtoffer 1] en haar ouders zonder toestemming te zijn binnengegaan. Ook ontkent hij [slachtoffer 1] te hebben geslagen. De verdachte heeft verklaard dat hij die avond met [slachtoffer 1] buiten de woning had afgesproken en vervolgens samen met haar en ook met haar toestemming de woning is binnengegaan. Bij de ruzie die hier ontstond heeft de verdachte naar eigen zeggen geen fysiek geweld gebruikt. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer 1] altijd rode wangen.
De rechtbank gelooft deze verklaring van de verdachte niet, omdat de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar ouders dat de verdachte zonder toestemming de woning is binnengekomen wordt ondersteund door camerabeelden van het incident die door haar moeder zijn overgelegd. Die bevestigen de lezing van [slachtoffer 1] en niet die van de verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat (slechts) één persoon gedurende enkele seconden gebukt bij de voordeur staat, vervolgens naar binnen gaat en na ongeveer tien minuten langs de woning wegrent. Ook op de door de verdachte overgelegde screenshots van andere camerabeelden, is [slachtoffer 1] niet te zien. Dat de verdachte [slachtoffer 1] in de woning op haar wang heeft geslagen, wordt ondersteund door de verklaring van haar ouders die beiden een rode plek op haar wang hebben gezien. Het verweer dat [slachtoffer 1] altijd rode wangen heeft en de hierbij door de verdediging overgelegde foto’s, doen niet af aan het feit dat door de ouders kennelijk een opvallende afwijking werd waargenomen van de normale kleur.
De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling (feit 2) en huisvredebreuk (feit 3).
Parketnummer 10-332363-25
Feit 1: mishandeling
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] op 3 december 2025 in Rotterdam heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en tegen haar lichaam te duwen, als gevolg waarvan zij een hoofdwond heeft opgelopen.
Aan de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] niet bij de keel heeft gepakt en dat zij de hoofdwond heeft opgelopen doordat zij zich aan een kastdeur heeft gestoten wordt geen geloof gehecht. Die verklaring verdraagt zich niet met de voor het bewijs gebruikte verklaring van de buurman van [slachtoffer 1] , de bevindingen bij het forensisch medisch onderzoek en de app-berichten die de verdachte zelf kort na het incident aan [slachtoffer 1] verstuurde. De daaruit blijkende feiten en omstandigheden ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 1] dat wel sprake is geweest van mishandeling.
Feit 2 en 3: overtreden huisverbod en bedreiging
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] op 14 december 2025 op verschillende internet platforms (Whatsapp, e-mail en Tiktok) bedreigende berichten heeft ontvangen, die volgens haar verklaring afkomstig zijn van de verdachte. [slachtoffer 1] zegt de schrijfstijl van de verdachte te herkennen en herkende ook zijn stem toen ze eenmaal de telefoon opnam.
De rechtbank leidt uit de verklaring van [slachtoffer 1] , de inhoud van de berichten en de context waarin deze zijn verstuurd - kort na de relatiebreuk met [slachtoffer 1] - af dat de verdachte de persoon is die de bedreigende berichten heeft verstuurd. De afzender toont zich boos op [slachtoffer 1] nadat zij de relatie heeft beëindigd; hij zegt dat hij nog wel van haar houdt, maar ook dat hij haar kapot wil maken en dat hij zijn kleren terug wil. In het verhoor bij de politie heeft de verdachte erkend dat hij in de ten laste gelegde periode meermalen contact heeft gehad met [slachtoffer 1] , onder meer over het teruggeven van zijn kleren. In deze periode was een huisverbod van kracht dat hem namens de burgemeester was opgelegd naar aanleiding van het onder 1 bewezen feit. De verdachte dreigt in een van de berichten dat hij [naam] , volgens [slachtoffer 1] de buurman die haar op 3 december 2025 naar het ziekenhuis bracht, in elkaar zal slaan. Ook dreigt hij de woning van haar ouders in brand te laten steken. Omdat de bedreigingen deels betrekking hebben op de ouders van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] deze berichten aan haar moeder heeft laten lezen, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte door het versturen van deze berichten [slachtoffer 1] en haar moeder heeft bedreigd. Door aldus te handelen heeft hij ook het opgelegde huisverbod overtreden, waarin onder meer was bepaald dat hij geen contact mocht hebben met [slachtoffer 1] .
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Parketnummer 03-229478-25
Feit 2
mishandeling
Feit 3
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
Parketnummer 10-332363-25
Feit 1 subsidiair
mishandeling
Feit 2
als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod;
Feit 3
Eendaadse samenloop van:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
en
bedreiging met zware mishandeling
en
bedreiging met brandstichting;
Feit 4
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 28 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, waaronder een contactverbod met [slachtoffer 1] en haar ouders. Daarnaast dient een artikel 38v-maatregel met een contact- en locatieverbod aan de verdachte te worden opgelegd voor de duur van vijf jaar. Het contactverbod ziet op [slachtoffer 1] en haar ouders en het locatieverbod op de gemeente Kerkrade en de gemeente Rotterdam. Per overtreding van de 38v-maatregel moeten twee weken vervangende hechtenis worden toegepast, met een maximum van zes maanden. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v-maatregel moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om voor de overtreding van de gedragsaanwijzing toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Als de rechtbank meer feiten bewezen verklaart, verzoekt de verdediging subsidiair om een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van het voorarrest niet overschrijdt. Ten aanzien van een eventueel op te leggen 38v-maatregel heeft de verdediging aangevoerd dat een locatieverbod voor twee volledige gemeentes (Kerkrade en Rotterdam) te onbepaald is en dat de onderbouwing hiervan door de officier van justitie in strijd is met de op dit punt geldende rechtspraak.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks ernstige feiten die allemaal zijn gericht tegen zijn zestien jaar jongere (inmiddels ex-)vriendin [slachtoffer 1] . De verdachte heeft haar tweemaal mishandeld, is wederrechtelijk de woning van haar ouders binnengedrongen, waar zij op dat moment ook verbleef, heeft meermaals contact met [slachtoffer 1] gezocht terwijl dit niet mocht en heeft dreigende berichten verstuurd aan [slachtoffer 1] en haar moeder. De gedragingen van de verdachte zijn controlerend en gewelddadig en hebben veel impact (gehad) op [slachtoffer 1] en haar familie. De verdachte neemt voor zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid en wijst steeds naar anderen die hem in zijn beleving het leven zuur proberen te maken. De rechtbank vindt deze houding zorgelijk en rekent de verdachte de bewezen gedragingen zwaar aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermalen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Stichting Verslavingsreclassering GGZ van 19 maart 2026 wordt geconcludeerd dat bij de verdachte zorgen bestaan op meerdere leefgebieden, waaronder de relatie met [slachtoffer 1] , het middelengebruik en het psychosociaal functioneren. De verdachte heeft meerdere terugvallen gehad in middelengebruik en is in het verleden gediagnosticeerd met ADHD. Hij heeft geen huisvesting en dagbesteding. Financieel kan hij na detentie zijn Wajong-uitkering opnieuw activeren zodra hij een postadres heeft. Er is sprake van bewindvoering en schulden. Het recidiverisico ten aanzien van [slachtoffer 1] wordt hoog ingeschat. Daarom adviseert de reclassering in het kader van een artikel 38v-maatregel een contact- en locatieverbod. Ook wordt geadviseerd de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, locatieverbod, dagbesteding en beheersing middelengebruik. De verdachte zegt in beginsel open te staan voor bijzondere voorwaarden, maar in het verleden is gebleken dat hij zich moeilijk aan afspraken hield en dat toezichten meermalen negatief zijn verlopen.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Bij de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan wordt rekening gehouden met straffen die eerder door rechtbanken in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Anders dan geadviseerd door de reclassering ziet de rechtbank op basis van de proceshouding van de verdachte en van de negatieve ervaringen in het verleden geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De verdachte lijkt niet intrinsiek gemotiveerd voor een nieuw begeleidingstraject via de reclassering en is van mening dat hij zelf in staat is zijn leven op orde te brengen.
Alles afwegend zal aan de verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd van 168 dagen, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op de dag van de uitspraak.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen, wordt aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van drie jaar. Deze maatregel houdt in:
een gebiedsverbod voor de [locatie 1] (straal van twee kilometer);
een gebiedsverbod voor de [locatie 2] (straal van twee kilometer);
een gebiedsverbod voor het woonadres van [slachtoffer 1] , op dit moment aan de [adres 3] (straal van twee kilometer);
een contactverbod met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] -2006). Dit houdt in dat de verdachte geen (indirect en direct) contact zal zoeken, hebben en/of onderhouden met voornoemde persoon.
een contactverbod met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] -1983). Dit houdt in dat de verdachte geen (indirect en direct) contact zal zoeken, hebben en/of onderhouden met voornoemde persoon.
een contactverbod [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] -1979). Dit houdt in dat de verdachte geen (indirect en direct) contact zal zoeken, hebben en/of onderhouden met voornoemde persoon.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De maatregel wordt dadelijk uitvoerbaar verklaard, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt en/of zich belastend zal gedragen ten aanzien van [slachtoffer 1] en haar ouders. Dit betekent dat de maatregel per direct geldt, ook als de verdachte in hoger beroep gaat.
6. Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 2]
Vordering [benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij van feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 een bedrag van € 300,- gevorderd als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat vrijspraak is bepleit. Subsidiair moet zij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is in de nacht haar woning binnengedrongen, terwijl zij en haar gezin daar lagen te slapen. Dit delict is van zodanige aard , dat het vanzelfsprekend is dat de benadeelde partij hiervan last heeft ondervonden.
De vergoeding voor deze immateriële schade wordt naar billijkheid begroot op € 200,-. De vordering wordt voor wat meer is gevorderd afgewezen.
[benadeelde partij 3]
Vordering [benadeelde partij 3]
heeft als benadeelde partij voor feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 een bedrag van € 300,- gevorderd als vergoeding voor immateriële schade en een bedrag van € 466,50 als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan ten aanzien van de immateriële schade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet in de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de gestelde schade niet rechtstreeks in verband staat tot het bewezen feit.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in het immateriële deel van de vordering, omdat vrijspraak is bepleit. Subsidiair moet hij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de materiële schade die ziet op het vervangen van het slot refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige materiële posten moet het bedrag worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is in de nacht haar woning binnengedrongen, terwijl hij en zijn gezin daar lagen te slapen. Dit delict is van zodanige aard is, dat het vanzelfsprekend is dat de benadeelde partij hiervan last heeft ondervonden.
De vergoeding voor deze immateriële schade wordt naar billijkheid begroot op € 200,-. De vordering wordt voor wat meer is gevorderd afgewezen.
Materiële schade
Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van vervanging van het slot niet betwist. Die gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. Ook ten aanzien van de verlofuren wordt de vordering toegewezen, omdat de gestelde schade voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Dit betekent dat de verdachte in totaal € 141,53 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Het deel van de vordering dat ziet op de kosten van camera’s en het abonnement daarvoor zal niet worden toegewezen, omdat het verband tussen het strafbare feit en deze kosten te ver verwijderd is. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
[benadeelde partij 1]
Vordering [benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 in de zaak met parketnummer 10-332363-25 een bedrag van € 1.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat vrijspraak is bepleit. Subsidiair verzoekt de verdediging het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 200,-.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vastgesteld wordt dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit 1 in de zaak met parketnummer 10-332363-25 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden doordat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De vergoeding voor die schade wordt naar billijkheid begroot op € 400,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen eerder zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen en wordt voor het overige afgewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben ieder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente telkens toe vanaf de pleegdatum van het bewezen feit ter zake waarvan de vorderingen zijn ingediend.
De verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vorderingen (groten)deels worden toegewezen. Deze kosten worden voor alle benadeelde partijen tot vandaag begroot op € 0,-.
Om de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partijen te vergemakkelijken wordt bij de toegewezen vorderingen telkens de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) opgelegd. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van in totaal maximaal negen dagen (één dag per € 100,-). De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van de straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 55, 57, 138, 184a, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Wet tijdelijk huisverbod.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Voeging
beveelt de voeging van de bij afzonderlijke dagvaardingen tegen de verdachte aangebrachte zaken met de parketnummers 03-229478-25 en 10-332363-25;
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 1 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 en feit 1 primair in de zaak met parketnummer 10-332363-25 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 en de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 in de zaak met parketnummer 10-332363-25, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van honderdachtenzestig (168) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie (3) jaar, inhoudende dat de verdachte:
1a. zich niet bevindt in de [locatie 1] (straal van twee kilometer);
1b. zich niet bevindt op [locatie 2] (straal van twee kilometer);
1c. zich niet bevindt op het woonadres van [slachtoffer 1] , op dit moment aan de [adres 3] (straal van twee kilometer);
2a. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt, heeft en/of onderhoudt met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] -2006);
2b. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt, heeft en/of onderhoudt met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] -1983);
2c. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt, heeft en/of onderhoudt met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] -1979);
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;
Vorderingen benadeelde partijen
Vordering [benadeelde partij 2]
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 2] (feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25), te betalen een bedrag van € 200,- , als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 6 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 200,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal twee (2) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
Vordering [benadeelde partij 3]
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 3] (feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25), te betalen een bedrag van € 341,53, bestaande uit
€ 141,53 als vergoeding van materiële schade en € 200,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 6 april 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 3 in de zaak met parketnummer 03-229478-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 3] aan de staat € 341,53,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal drie (3) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
Vordering [benadeelde partij 1]
veroordeelt de verdachte aan de [benadeelde partij 1] (feit 1 in de zaak met parketnummer 10-332363-25), te betalen een bedrag van € 400,- , als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 3 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
wijst de vordering voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 in de zaak met parketnummer 10-332363-25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 400,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal vier (4) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
1 primair
1 subsidiair
1 primair
1 subsidiair
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. J.M.L. van Mulbregt en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Bezemer griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 april 2026.
Mrs. N.R. Rietveld en I. Bezemer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage 1 – volledige tenlastelegging
Parketnummer 03-229478-25
hij, op of omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] (bij de haren) heeft gepakt en vervolgens
van de trap (naar beneden) heeft getrokken/geduwd, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij, op of omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
die [slachtoffer 1] (bij de haren) te pakken en vervolgens van de trap (naar beneden) te
trekken/duwen;
2
hij, op of omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
die [slachtoffer 1] (in het gezicht en/of tegen haar (rechter)wang) te slaan en/of aan de
haren vast te pakken/te trekken;
3
hij, op of omstreeks 6 april 2025 te Kerkrade, in de woning, het besloten lokaal en/of
het besloten erf, [adres 2] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1]
en/of [slachtoffer 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in
gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Parketnummer 10-332363-25
hij op of omstreeks 3 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de keel/nek heeft gegrepen en/of vastgepakt en/of
- ( vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen de punt van een kast, althans een puntig en/of uitstekend voorwerp, heeft geduwd en /of gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
hij, op of omstreeks 3 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer 1] (met kracht)bij de keel/nek te grijpen en /of vast te pakken en/of
- ( vervolgens) het hoofd van die [slachtoffer 1] tegen de punt van een kast, althans een puntig en/ of uitstekend voorwerp, te duwen en / of te drukken, althans tegen het lichaam te duwen en ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] met haar hoofd tegen een de punt van een kast, althans een puntig en/ of uitstekend voorwerp is gevallen;
2
hij als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op of omstreeks 14 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, in strijd met dat huisverbod de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan [adres 3] , heeft betreden en/ of zich in en/ of in nabijheid van die woning heeft opgehouden en /of contact heeft opgenomen met één of meer van de in dat huisverbod genoemde personen te weten [slachtoffer 1] ;
3
hij op of omstreeks 14 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en /of met brandstichting, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen
- ' ik rust als ik jou en je ouders en broertjes verwoest heb' en/of
- ' ik Iaat het huis van je ouders in brand steken, is niet zo duur blijkbaar' en /of 'ik heb al observatie op jullie wollah' en/of
- ' ik rijd je zo van je kanker scooter' en /of
- ' ik steek de bus van je vader in brand' en/of
- ' ik sla je gehandicapt en laat me dan oppakken' en/of 'ik kan je net zo goed echt half dood slaan' en /of 'jij gaat in die rolstoel eindigen' en /of 'ik ga jou verwoesten ',
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op of omstreeks 18 oktober 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk
heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 16 september 2025, gegeven door de officier van justitie te Limburg, door te verblijven op de kamer bij [slachtoffer 1] .