ECLI:NL:RBROT:2026:4507

ECLI:NL:RBROT:2026:4507

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 71/094114-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Uitlevering aan Turkije ter strafvervolging toelaatbaar. Verweer dat sprake is van dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat a.b.i. art. 13 EVRM verworpen. Advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid om specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon een onvoorwaardelijke terugkeergarantie te verlangen. Tevens advies om garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon niet wordt blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en om na te gaan in welke mate de overbevolking in Turkse gevangenissen invloed heeft op de detentieomstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

UTL-nummer: UTL-I-2025015000

Parketnummer: 71/094114-25

Datum uitspraak: 25 februari 2026

Uitspraak van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:

[naam],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

van Nederlandse nationaliteit,

ingeschreven in de basisadministratie personen op het adres:

[adres], [postcode] [plaatsnaam],

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1. Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 7 mei 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije (hierna: de Turkse ambassade) aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 8 mei 2025 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket (hierna: de officier van justitie) gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 7 mei 2025 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:

De officier van justitie heeft op deze zitting geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

De rechtbank heeft op deze zitting het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan op 28 oktober 2025.

De rechtbank heeft op 20 oktober 2025 – dus na het sluiten van het onderzoek – een e-mail van de officier van justitie ontvangen met als bijlage een in de Engelse taal opgestelde aanbiedingsbrief van de Turkse autoriteiten van 7 oktober 2025, met daarbij een stuk van de Turkse autoriteiten van 15 september 2025 (een proces-verbaal van de Openbaar Aanklager met een nadere omschrijving van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht) in de Turkse taal en een Engelse vertaling daarvan.

Dit stuk was op 13 oktober 2025 op het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen en dus tijdig verstrekt door de Turkse autoriteiten.

De rechtbank heeft in verband hiermee op 28 oktober 2025 een tussenuitspraak gewezen en daarbij het onderzoek heropend en de behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden, met opdracht aan de officier van justitie om een Nederlandse vertaling van dit stuk aan te leveren. De rechtbank heeft de raadsvrouw en de officier van justitie vervolgens in de gelegenheid gesteld nadere standpunten kenbaar te maken naar aanleiding van de verkregen informatie.

De officier van justitie heeft een Nederlandse vertaling van dit stuk aangeleverd. Vervolgens heeft de rechtbank op 24 december 2025 een nader schriftelijk standpunt van de raadsvrouw en op 9 februari 2026 een reactie daarop van de officier van justitie ontvangen.

Op 11 februari 2026 heeft de nadere behandeling van het uitleveringsverzoek op de openbare zitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft op deze zitting de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gehoord.

De officier van justitie heeft op deze zitting weer geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering.

2. Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek, de twee daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen van 18 maart 2025, die zijn uitgevaardigd door het gerecht in Istanbul, genaamd ‘Istanbul 12. Sulh Ceza Häkimligi’ en in het later verstrekte proces-verbaal van de Openbaar Aanklager van 15 september 2025.

Het betreft de volgende strafbare feiten:

Van een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

Ook is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de Nederlandse vertaling van voornoemd proces-verbaal van de Openbaar Aanklager aan deze uitspraak gehecht, omdat deze een nadere omschrijving bevat van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd.

3. Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is die genoemd en nader aangeduid wordt in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit.

5. Genoegzaamheid van de stukken

Standpunt opgeëiste persoon

De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard omdat het uitleveringsverzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 12 EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet (hierna: UW). Daartoe is het volgende aangevoerd.

Bij het uitleveringsverzoek zijn niet de originele nationale aanhoudingsbevelen danwel authentieke afschriften daarvan overgelegd. Uit de stukken volgt niet welke rechter deze bevelen heeft afgegeven en uit de stempel onder de aanhoudingsbevelen kan niet worden opgemaakt dat het gaat om gewaarmerkte, authentieke aanhoudingsbevelen.

Daarnaast zijn de feiten niet genoegzaam omschreven. In het uitleveringsverzoek is beschreven dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid bij de invoer van verdovende pillen en cannabis op 6 maart 2021. Daarbij is niet vermeld wat dient te worden verstaan onder ‘verdovende pillen’ en welke werkzame stof deze zouden bevatten. In de aanvullende informatie van 15 september 2025 staat dat de op genoemde datum aangetroffen middelen poedervormige cannabis en pillen met de werkzame stof MDMA zijn. Uit de stukken lijkt dus te volgen dat de uitlevering wordt verzocht in verband met de invoer van cannabis en MDMA. In de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek staat echter verderop de zinsnede ‘in the abovementioned act of smuggling cocaine to our country from abroad on 06/03/2021’. Hieruit lijkt te volgen dat de uitlevering ook wordt verzocht wegens de vermeende smokkel van cocaïne. In het stuk met aanvullende informatie wordt niet ingegaan op deze zinsnede. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat dus niet de uitlevering wordt verzocht in verband met verdenking van cocaïnesmokkel, maar dit wordt niet expliciet uitgesloten. Gelet op het specialiteitbeginsel mag de opgeëiste persoon alleen worden uitgeleverd voor de feiten die zijn genoemd in het uitleveringverzoek. Nu deze zin over cocaïnesmokkel er nog wel in staat, zouden de Turkse autoriteiten zich daar op kunnen beroepen en kunnen besluiten om hem ook daarvoor te vervolgen. Dit maakt de bescherming van het specialiteitsbeginsel ineffectief.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven om aan de Turkse autoriteiten nadere vragen te stellen over de genoemde zinsnede in de Engelse vertaling.

Beoordeling

Originele of authentieke afschriften nationale aanhoudingsbevelen

Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, EUV dient ter onderbouwing van het uitleveringsverzoek het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij, te worden overgelegd. Dit vereiste is ook opgenomen in artikel 18, derde lid aanhef en onder a, UW.

De rechtbank stelt vast dat de Turkse autoriteiten bij brief van 7 mei 2025 het uitleveringsverzoek en alle daarbij overgelegde stukken, waaronder de arrestatiebevelen, in origineel hebben toegezonden. Dit staat expliciet vermeld in deze brief en in de brief van de Minister en deze stukken zijn door een parketsecretaris van het Landelijk Parket fysiek overhandigd aan de griffier. De aanhoudingsbevelen zijn door de rechter en de griffier van het Turkse gerecht zowel elektronisch als met een natte handtekening ondertekend. Op de fysieke exemplaren zijn de originele, met blauwe pen aangebrachte handtekeningen zichtbaar en voelbaar. Zij zijn voorzien van blauwe stempels. De rechtbank beoordeelt deze stukken gelet op het voorgaande als authentiek. Daar doet niet aan af dat in de aanhoudingsbevelen de naam van de rechter die deze bevelen heeft gegeven niet is genoemd, omdat bij elektronische ondertekening de naam niet in het fysieke document wordt vermeld, maar wel in het systeem dat voor het ondertekenen wordt gebruikt en daar kan worden geverifieerd. De rechtbank stelt gelet hierop vast dat aan het voornoemde vereiste is voldaan. Het op dit punt gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

Feiten genoegzaam omschreven

Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, EUV dient ter onderbouwing van het uitleveringsverzoek ook een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, te worden overgelegd. Daarin dienen de tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld. Artikel 18, derde lid aanhef en onder b UW stelt een soortgelijke eis.

De rechtbank stelt vast dat ook aan dit vereiste is voldaan. De omschrijving van de feiten in het uitleveringsverzoek, de aanhoudingbevelen en het later verstrekte proces-verbaal van de Openbaar Aanklager is voldoende concreet en bevat een nauwkeurige vermelding van alle hierboven genoemde aspecten.

Uit deze omschrijving volgt dat feit 2 (de handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen) betrekking heeft op de verdenking van betrokkenheid bij invoer in Turkije van 63 kilogram poedervormige cannabis en 710.000 pillen met de werkzame stof MDMA, die op 6 maart 2021 bij de grensovergang in de provincie Edirne in een vrachtwagen zijn aangetroffen. In het uitleveringsverzoek is niet concreet vermeld dat de aangetroffen pillen MDMA bevatten. Daarin staat alleen dat het gaat om ‘verdovende pillen’. Dat deze MDMA bevatten blijkt wel uit de nadere omschrijving in het proces-verbaal van de Openbaar Aanklager, waarin onder meer de uitslagen van het deskundigenonderzoek aan de aangetroffen stoffen zijn genoemd. Hierin staat dat de betreffende pillen de werkzame stof MDMA bevatten.

Gelet op deze omschrijving stelt de rechtbank vast dat dit feit niet tevens ziet op invoer/smokkel van cocaïne, temeer omdat dit buiten de door de raadsvrouw genoemde zin in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek nergens wordt genoemd. In de Nederlandse vertaling van deze zin staat ‘verdovende middelen’ en gelet op de context waarin dit is genoemd en de nadere toelichting in het genoemde proces-verbaal, stelt de rechtbank vast dat dit gaat over de cannabis en pillen met MDMA die op 6 maart 2021 zijn aangetroffen, en niet over cocaïne. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de term ‘act of smuggling cocaine’ in de Engelse vertaling van deze zin een (ver)taalfout betreft.

Het verweer dat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven, wordt daarom verworpen.

De rechtbank ziet gelet hierop ook geen aanleiding om de officier van justitie opdracht te geven hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten en de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.

Conclusie

Onder de overgelegde stukken bevinden zich de originele nationale aanhoudingsbevelen en de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn genoegzaam omschreven.

Daarnaast bevinden zich onder de overgelegde stukken een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon.

De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, EUV en artikel 18 UW.

6. Inhoudelijke beoordeling en bespreking verweer

Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.

Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:

1. deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht,

danwel

deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, strafbaar gesteld bij artikel 11b van de Opiumwet, en;

2. ( (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A gegeven verbod en/of de in artikel 3 onder B gegeven verboden, strafbaar gesteld in (artikel 47 van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met) artikel 3 in verbinding met artikel 11 van de Opiumwet;

2. ( (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A gegeven verbod en/of de in artikel 2 onder B gegeven verboden, strafbaar gesteld in (artikel 47 van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met) artikel 2 in verbinding met artikel 10 van de Opiumwet.

Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.

Gezien het vorenstaande is voldaan aan de vereisten ten aanzien van de dubbele strafbaarheid in artikel 2, eerste lid, EUV en artikel 5 UW.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Volgens de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting kan hij niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM

Standpunt opgeëiste persoon

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het

risico van een flagrante inbreuk op zijn rechten op grond van artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en hem na uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan. Zij heeft, onder verwijzing naar meerdere open bronnen, gesteld dat daarvan sprake is, gelet op (recente) ontwikkelingen met betrekking tot de Turkse rechtsstaat in verband waarmee grote zorgen bestaan over de situatie van de rechtsstaat in Turkije en er op zijn minst twijfel bestaat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije. Zij stelt dat dit te meer geldt nu de opgeëiste persoon van Turks-Koerdische afkomst is.

Beoordeling

Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken geldt dat, indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR, het in de regel niet aan de uitleveringsrechter is om te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Een dergelijk verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in wat er wordt aangevoerd reden kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR.

Op het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering gemaakt worden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan

dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens

dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

Uit de door de raadsvrouw gegeven onderbouwing blijkt niet dat en waarom ten aanzien van specifiek de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een flagrante schending van artikel 6 EVRM dreigt en hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat, zodat dit verweer wordt verworpen. Het enkel noemen van de Turks-Koerdische afkomst van de opgeëiste persoon en het beroep op de algemene zorgwekkende situatie van de rechtsstaat in Turkije is daarvoor onvoldoende. Daaruit blijkt niet waarom voor specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces of enig ander hem op grond van artikel 6 EVRM toekomend recht zal worden geschonden bij de strafvervolging wegens de commune delicten die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek.

7. Slotsom

Voor de feiten waarvoor de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen voldaan. Daarom wordt de gevraagde uitlevering toelaatbaar verklaard.

8. Advies aan de Minister

Terugkeergarantie (artikel 4 UW)

Omdat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, geldt op grond van artikel 4 UW dat hij alleen mag worden uitgeleverd als naar het oordeel van de Minister is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf daar te ondergaan.

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 8 mei 2025 van de Turkse ambassade aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een terugkeergarantie verstrekt.

De raadsvrouw heeft gesteld dat deze terugkeergarantie niet onvoorwaardelijk is en daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 UW. Ook betreft dit een algemene terugkeergarantie waarin slechts wordt opgesomd wanneer iemand in zijn algemeenheid wordt teruggeleverd. Deze terugkeergarantie biedt daarom volgens de verdediging onvoldoende zekerheden dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk zal worden teruggeleverd door Turkije na beëindiging/voltooiing van zijn strafzaak. Daarom heeft zij de rechtbank verzocht om de Minister te adviseren een onvoorwaardelijke terugkeergarantie voor de opgeëiste persoon op te vragen bij de Turkse autoriteiten.

De rechtbank ziet in de gegeven onderbouwing aanleiding om de Minister te adviseren om van de Turkse autoriteiten, in geval van toestemming voor uitlevering, te verlangen dat een specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon gegeven onvoorwaardelijke terugkeergarantie wordt gegeven waarin staat dat iedere aan hem op te leggen vrijheidsbenemende straf ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd, door hem in Nederland kan worden ondergaan.

Detentieomstandigheden Turkije (artikel 3 EVRM)

De raadsvrouw heeft gewezen op de detentieomstandigheden in Turkije en aangevoerd dat deze omstandigheden maken dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM, mede gelet op de medische gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de Minister, alvorens de gevraagde uitlevering toe te staan, te adviseren van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon niet wordt blootgesteld aan behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en specifiek dat hij onder veilige medische omstandigheden in detentie komt te verblijven, onder meer dat hij in detentie zijn zuurstofmasker mag gebruiken.

De rechtbank ziet in de gegeven onderbouwing, waarbij ook specifiek is gewezen op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon, voldoende aanleiding om de Minister te adviseren van de Turkse autoriteiten deze garantie te verlangen.

Ook zal de rechtbank, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, de Minister adviseren om na te gaan in welke mate de overbevolking in Turkse gevangenissen invloed heeft op de detentieomstandigheden. In het bijzonder zou moeten worden nagegaan of de opgeëiste persoon voldoende persoonlijke ruimte heeft, of hij voldoende tijd buiten zijn cel mag doorbrengen en of sprake is van effectieve klachtmogelijkheden voor gedetineerden in Turkse gevangenissen.

9. Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op

de artikelen 1 en 2 van het EUV,

de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet.

10. Beslissing

De rechtbank:

wijst af het door de raadsvrouw subsidiair gedane verzoek tot het stellen van aanvullende vragen aan de Turkse autoriteiten;

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Turkije van [naam], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek, de daarbij gevoegde arrestatiebevelen en het hiervoor genoemde proces-verbaal van de Openbaar Aanklager.

Deze beslissing is genomen door:

mr. T.M. Riemens, voorzitter,

mrs. F. Wegman en H.J. de Kraker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2026.

Bijlage 1:

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek.

Bijlage 2:

Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de Nederlandse vertaling van proces-verbaal van de Openbaar Aanklager van 15 september 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.M. Riemens

Griffier

  • mr. A.K. van Zanten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?