Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer TUL: 10-337492-23
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,
[postcode] [plaats] (is een post- of correspondentieadres),
thans gedetineerd in [naam P.I.] ,
raadsvrouw mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima , advocaat te Rotterdam.
1. Vordering
Op 18 maart 2026 heeft de officier van justitie mr. S. Poutsma een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de straf die de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank bij vonnis van 29 maart 2024 (hierna: ‘het vonnis’) voorwaardelijk aan de veroordeelde heeft opgelegd.
Aan de vordering ligt ten grondslag een rapport over de veroordeelde van Tactus verslavingszorg / verslavingsreclassering GGZ (hierna: de reclassering) van 10 februari 2026.
2. Feiten
Bij het vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is onder meer een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd voor de duur van 2 jaren. Die straf is voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van drie jaren (hierna: ‘de voorwaardelijke straf)’. De aan de veroordeelde gestelde voorwaarden houden – kort weergegeven – in:
De mededeling voorwaardelijke veroordeling is op 29 april 2024 aan de veroordeelde verzonden.
3. Procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.
De officier van justitie en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsvrouw, zijn gehoord. Tevens is als deskundige gehoord mevrouw [persoon A] , de reclasseringswerker die met het reclasseringstoezicht is belast.
4. Conclusie officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de voorwaardelijke straf ten uitvoer wordt gelegd.
5. Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, subsidiair dat een minder vergaande maatregel wordt ingezet die meer aansluit bij de huidige positie van de veroordeelde. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde wil meewerken en geholpen wil worden, maar niet in de instelling in Beekbergen. Hij heeft nu contact met het Leger des Heils in Rotterdam en zet concrete stappen om zijn leven weer op de rit te krijgen.
6. Beoordeling vordering
Het rapport van de reclassering houdt in:
Op 26 mei 2025 is de veroordeelde geplaatst in de forensische verslavingskliniek Piet Roorda te Zutphen. Deze kliniek bleek door de problematiek van de veroordeelde niet passend.
Op 5 januari 2026 is de veroordeelde doorgestroomd naar het Hoogeland te Beekbergen. Vanaf die dag heeft hij zich niet geconformeerd aan de huisregels. Hij drinkt meer dan de toegestane hoeveelheid, blijft ongeoorloofd weg van de locatie, neemt niet deel aan de dagbesteding, valt medecliënten lastig en laat zich niet begrenzen door het personeel.Op 13 januari 2026 heeft de veroordeelde vanuit de woonvorm een officiële waarschuwing gekregen. Hij beloofde beterschap maar gaat vrijwel direct door met hetzelfde gedrag.
Op 17 januari 2026 kreeg hij van de woonvorm een schorsing en is op 19 januari 2026 teruggekeerd. Dit heeft echter geen indruk op hem gemaakt, hij laat wederom hetzelfde gedrag zien.
Op 29 januari 2026 vond er een driegesprek plaats tussen de veroordeelde, de begeleiding en de toezichthouder over dit gedrag. De veroordeelde kreeg een officiële waarschuwing voor het niet conformeren aan de huisregels en opnieuw zijn de verwachtingen uitgesproken. De veroordeelde sprak in dit gesprek zijn onvrede uit over de locatie waar hij is geplaatst, hij wil liever in een stad wonen. Benoemd is dat de toezichthouder een nieuwe plek wil onderzoeken, maar dat hij zich tot die tijd dient te conformeren aan de regels van de woonvorm, hetgeen ook één van de bijzondere voorwaarden is.
De veroordeelde is op 1 februari 2026 naar Rotterdam vertrokken en heeft tegen de reclassering gezegd niet terug te keren. Hij is hierin zelfbepalend en niet te sturen.
Het risico op recidive wordt hoog ingeschat gelet op de grote hoeveelheden alcohol in combinatie met het psychosociaal functioneren van de veroordeelde.
De veroordeelde heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden. De reclassering ziet enkel mogelijkheden om opnieuw met de veroordeelde te werken aan risicobeperking dan wel gedragsverandering in een stringenter kader en adviseert daarom de voorwaardelijke isd-maatregel om te zetten in een onvoorwaardelijke isd-maatregel.
Op basis van het advies van de reclassering stelt de rechtbank dat er in het kader van de voorwaardelijke tbs-maatregel op verschillende manieren is geprobeerd om de veroordeelde te begeleiden en te behandelen. Desondanks is het de veroordeelde niet gelukt om zich aan de voorwaarden te houden, De rechtbank is het met de reclassering eens dat de voorwaardelijke isd-maatregel voor de verdachte niet voldoende is.
Dit alles maakt dat de vordering zal worden toegewezen en de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de voorwaardelijk opgestelde isd-maatregel.
7. Beslissing
De rechtbank
wijst de vordering toe;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.
Deze beslissing is genomen door
Mr. J. van de Klashorst, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.