ECLI:NL:RBROT:2026:4531

ECLI:NL:RBROT:2026:4531

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 22-0002336-14 en 99/000951-43
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Toewijzing vordering uitstel voorlopige invrijheidstelling met 90 dagen.

Uitspraak

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] (PI),

raadsvrouw mr. R. Al-Aukaili.

Opgelegde straf

[veroordeelde] is op 21 juli 2016 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Op 17 april 2018 heeft de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf verminderd naar negentien jaren en vier maanden. Het arrest van de Hoge Raad is

onherroepelijk geworden.

De veroordeelde kwam in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 10 februari 2026.

Bij beslissing van deze rechtbank van 23 januari 2026 is de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld met een termijn van 60 dagen. De veroordeelde komt nu in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 11 april 2026.

Vordering

Op 9 maart 2026 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot uitstel met 90 dagen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde.

Bij de vordering is overgelegd het adviesrapport van de reclassering d.d. 27 februari 2026 (hierna ook: het rapport) en het advies van de inrichting waar de veroordeelde verblijft van 20 februari 2026 (hierna ook: VI advies).

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.

De officier van justitie mr. M. van Eck en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw zijn gehoord.

Ook zijn als deskundigen per videoverbinding gehoord, [persoon A] (plv. hoofd afdeling Detentie & Re-integratie PI [naam P.I.] ) en [persoon B] (reclasseringswerker).

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De veroordeelde en de raadsvrouw hebben primair verzocht de vordering af te wijzen, subsidiair de duur van het uitstel te beperken tot 30 dagen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de herkomst van het huidige inkomen van veroordeelde legaal is, dat er geen sprake is van (voortzetting van) criminele activiteiten en dat er geen ernstige bezwaren zijn ten aanzien van een strafbaar feit. Er is geen geld via via weggesluisd en de veroordeelde kan uitleggen hoe de geldstromen naar zijn rekening lopen. De veroordeelde heeft verklaard dat hij geld leent bij zijn ouders en dat hij dat geld vervolgens via zijn ex-zwager en het bedrijf [bedrijf X] op zijn rekening laat storten. Er is voor deze constructie gekozen omdat de vrouw van de veroordeelde deze rekening beheert en zij geen argwaan mag krijgen, omdat zij gebrouilleerd is met zijn familie.

Beoordeling

Bij beslissing van 23 januari 2026 heeft de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld omdat zowel het dossier als hetgeen op de zitting is besproken onvoldoende inzicht gaf in de financiële positie van de veroordeelde. De rechtbank kon niet goed vaststellen of zijn huidige inkomsten legitiem worden verkregen. De reclassering was bij die stand van zaken niet in staat om passende voorwaarden te adviseren bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling en het gevaar op herhaling van het plegen van delicten kon daarom onvoldoende worden ingeperkt. Reden waarom de voorwaardelijke invrijheidstelling is uitgesteld, zodat de politie nader onderzoek kon doen naar de financiële positie van de veroordeelde.

De politie heeft met betrekking tot het onderzoek naar de geldstromen van de veroordeelde op 6 maart 2026 een tussentijdse rapportage financieel onderzoek opgemaakt. Dit verslag biedt voornamelijk een feitelijke weergave van de geldstromen, maar er is nog steeds onduidelijkheid over de reden waarom aanzienlijke bedragen via de familie van de veroordeelde naar hem worden overgemaakt, in plaats van rechtstreeks. Ook blijft het onduidelijk waarom er een arbeidsrelatie wordt aangenomen tussen veroordeelde en zijn ex-zwager. Bij die voorstelling van zaken is het immers opmerkelijke dat zijn werkgever over het aan hem betaalde loon geen loonbelasting, werkgeverslasten of pensioenbijdragen heeft afgedragen. Het politie onderzoek is nog niet afgerond.

In het VI advies rapporteert de inrichting de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. De veroordeelde blijft tegenstrijdige verklaringen afleggen over de herkomst van zijn inkomsten. Eerder gaf hij aan dat dit inkomen per februari 2026 zou stoppen, maar nu verklaart hij dat hij al inkomen voor tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geregeld. Hij heeft geen verklaring of bewijsstukken die de arbeidsrelatie of de herkomst van dit inkomen ondersteunen. De penitentiaire inrichting merkt op dat de veroordeelde vaker tegenstrijdige verhalen vertelt, zowel binnen de inrichting als in gesprekken met ketenpartners.

In het rapport wordt geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Er is ook nu nog geen duidelijkheid over de financiële situatie van de veroordeelde en de risico’s kunnen daarom op dit moment niet door bijzondere voorwaarden worden ingeperkt.

De rechtbank constateert dat het ingestelde politie onderzoek nog niet is afgerond. Er dient nog nader onderzoek plaats te vinden omdat er onvoldoende inzicht is in de financiële positie van de veroordeelde en de herkomst van het geld dat hij ontvangt. Ook is er onduidelijkheid over de omzetbelasting, de leaseauto’s en moeten nog getuigen worden gehoord.

De officier van justitie heeft toegezegd dat dit onderzoek binnen 90 dagen zal zijn afgerond.

De reclassering is bij deze stand van zaken niet in staat op passende voorwaarden te adviseren bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling en bij deze stand van zaken kan het gevaar op herhaling van het plegen van delicten op dit moment onvoldoende worden ingeperkt.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering worden toegewezen.

Het verzoek van de raadsvrouw om de vordering voor de duur van 30 dagen toe te wijzen wordt afgewezen, omdat niet de verwachting is dat het lopende politie onderzoek binnen die tijd zal zijn afgerond.

Beslissing De rechtbank:

wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een termijn van 90

dagen.

Deze beslissing is genomen door

mr. J.C. Oord, voorzitter,

en mrs. J. van de Klashorst en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C. Oord

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?