Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-254713-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-342253-23
Datum uitspraak: 9 april 2026
Datum zitting: 26 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.N. Hoek.
Officier van justitie: mr. S. Poutsma.
Gemachtigde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. Z. Badrane namens
mr. L.A.R. Newoor.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - samengevat - dat hij op 8 augustus 2025 een explosief heeft laten afgaan bij een woning aan de [locatie delict] in Rotterdam.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief bij/voor een woning gelegen aan de [locatie delict] te brengen/plaatsen en aan te steken, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of de inboedel/inrichting van die woning aan de [locatie delict] en/of een of meer omliggende woning(en) en/of de inboedel/inrichting van die omliggende woning(en)- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [locatie delict] en/of de bewoner(s) van omliggende woning(en) te duchten was.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdachte heeft op de zitting bekend dat hij het feit heeft gepleegd.
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar en dat de verdachte van dit onderdeel van de beschuldiging dient te worden vrijgesproken. Op basis van de inhoud van het dossier kan dit namelijk niet wettig en overtuigend bewezen worden omdat dit gevaar niet blijkt uit het rapport van de brandweer. Een (forensisch) brandonderzoek heeft ook niet plaatsgevonden omdat er sprake was van een explosie en niet van een brand. Het vuur is vanzelf uitgegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring, bewijsmotivering en bewijsmiddelen
Het feit is bewezen. De volledige bewezenverklaring staat in paragraaf 2.3.2.
In de nacht van 8 augustus 2025 heeft de verdachte bij de woning aan de [locatie delict] in Rotterdam een explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht. De woning betrof een tussenwoning die is gelegen in een woonwijk. De explosie veroorzaakte een enorme knal en er ontstond een brand die door de brandweer moest worden (na)geblust. Er was veel schade. De voordeur, de gevel boven de voordeur en het raam waren zwart geblakerd en verkoold.
Op de camerabeelden is de impact van de explosie goed te zien. Te zien is dat de vlammen direct na de explosie tot de eerste verdieping van de woning reiken en dat er veel kracht vrijkwam door de explosie. De bewoonster van de woning sliep in de slaapkamer aan de voorzijde en had het raam van haar slaapkamer open staan. Toen zij van de klap wakker werd en door haar raam keek, zag zij de vlammen vanaf haar voordeur omhoog komen. De gordijnen die voor haar slaapkamerraam hingen zijn eveneens zwart geblakerd en onherstelbaar beschadigd. Door de explosie stond haar woning en die van de buren vol met rook en hebben zij hete en giftige rookgassen geïnhaleerd.
De rechtbank acht, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, bewezen dat bij de ontploffing in elk geval sprake was van gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De vraag is of er ook sprake was van levensgevaar voor personen.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 21 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:230) overwogen dat voor het duchten van levensgevaar voor personen is vereist, dat dit gevaar ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Gelet op de omstandigheid dat het een tussenwoning betreft, de locatie waar het explosief is geplaatst (bij de voordeur van de woning), de brand die door een dergelijke explosie kan ontstaan en het tijdstip waarop het explosief werd afgestoken (’s nachts, waardoor de kans groot is dat mensen in de betreffende woning maar ook de woningen daarnaast thuis zijn), acht de rechtbank, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, bewezen dat op dat moment naar algemene ervaringsregels ook levensgevaar voor personen die zich in die woning en de naastgelegen woningen zouden bevinden voorzienbaar was.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht en dat daardoor gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor anderen te duchten was.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen algehele vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. De bekennende verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster
3. Proces-verbaal van politie, bevindingen ter plaatse
4. Proces-verbaal van de politie, uitwerking camerabeelden
5. Proces-verbaal van de politie, gevaarzetting woning
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat hij op 8 augustus 2025 te Rotterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief voor een woning gelegen aan de [locatie delict] te plaatsen en aan te steken, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en de inboedel/inrichting van die woning aan de [locatie delict] en een of meer omliggende woningen en de inboedel/inrichting van die omliggende woningen- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van de [locatie delict] en/of de bewoners van omliggende woningen te duchten was.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen en het onvoorwaardelijke strafdeel zo kort mogelijk te houden, met daarnaast een lang voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Factoren die daarbij van belang zijn is de nog jonge leeftijd van de verdachte, zijn verstandelijke vermogen zoals blijkt uit het rapport van de psycholoog en de bereidheid van de verdachte om zijn gedrag te veranderen en zich aan de voorwaarden van de reclassering te houden.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij de voordeur van een woning in een woonwijk. Dit is een bijzonder ernstig en gevaarlijk strafbaar feit, met een grote impact op de bewoners en de omwonenden die op dat moment lagen te slapen.
Dergelijke feiten doen zich in Rotterdam en in andere grote steden in Nederland vaker voor en veroorzaken, afgezien van materiële en psychische schade, ook breder binnen de samenleving veel onrust. De rechtbank rekent de verdachte deze gedragingen aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 februari 2026 blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld. Zo is de verdachte in juli 2024 voor een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psycholoog [persoon A] van 10 februari 2026 staat onder meer het volgende.
Er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis , bij een op zwakbegaafd niveau functionerende jongeman. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog kan niet tot een advies aangaande de toerekenbaarheid komen omdat de verdachte het feit ontkent. Daarom niet kon worden onderzocht in hoeverre zijn problematiek van invloed was op zijn gedrag ten tijde van het feit. Wel kan gesteld worden dat er sprake was van een gelijktijdigheidsverband; de problematiek is van chronische aard en beïnvloedt het gedrag van de verdachte op alle levensgebieden. In brede zin wordt de kans op geweld ingeschat als hoog. Er zijn weinig beschermende factoren. Ondanks de goede voornemens van de verdachte tijdens zijn vorige detentie is nog niet gebleken dat hij in staat is zijn impulsen zelfstandig afdoende te reguleren en houdt hij zich niet aan de regels van Pameijer, de instelling waar hij de kans kreeg een zelfstandig leven op te zetten. Duidelijk is dat er een steviger kader nodig is. Ambulante behandeling en begeleiding ten aanzien van zijn cannabisverslaving en de zwakbegaafdheid, gecombineerd met een begeleid wonen plek, hebben in de optiek van de psycholoog zeker nog kans van slagen, mits dit stevig ingebed wordt als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk op te leggen straf.
In het rapport van de Reclassering Nederland van 25 februari 2026 staat onder meer het volgende.
De verdachte ontkent betrokkenheid. Als hij wordt veroordeeld lijken motieven financieel van aard te zijn, en kan het negatieve sociale netwerk in zijn directe woonomgeving een rol hebben gespeeld. De verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau, vertoont impulsief gedrag en heeft moeite met planning, structuur en het naleven van afspraken. Daarnaast is er sprake van problematisch middelengebruik (cannabis) en sociaal-emotionele achterstanden. Na zijn detentie verbleef hij sinds juni 2025 in een voorziening voor beschermd wonen van Pameijer. Tijdens dit laatste toezicht kwam hij herhaaldelijk afspraken niet na, waardoor zijn actuele motivatie om deel te nemen aan begeleiding of behandeling onzeker is. Gezien zijn kwetsbaarheden wordt na detentie voorzetting van toezicht, begeleiding en behandeling geadviseerd om recidive te voorkomen.
De rechtbank neemt de inhoud en adviezen van de rapporten over en betrekt deze bij de te nemen beslissingen.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. Het opleggen van een lagere straf, zoals door de verdediging is bepleit, doet geen recht aan de ernst van het feit. Gelet op de duur van de op te leggen straf wijst de rechtbank het verzoek van de verdediging om de voorlopige hechtenis bij uitspraak op te heffen, dan wel tot schorsing daarvan over te gaan, af. De rechtbank betrekt hierbij dat een dergelijke explosie in de nachtelijke uren een onvoorstelbare impact heeft op degenen die in de woning verblijven. Voorts brengen deze explosies velerlei nare gevolgen mee, waarmee aangeefster te maken heeft gehad. Een en ander zonder dat er iets van een reden voor dit afschuwelijke gedrag aan de rechtbank bekend is geworden.
Van deze gevangenisstraf wordt acht maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Daarbij is ook een opname mogelijkheid nadrukkelijk als optie benoemd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De officier van justitie heeft verzocht de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank wijst dit verzoek af. Gelet op de duur van het onvoorwaardelijke strafdeel ziet zij hiervan de noodzaak niet.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. Vordering van de benadeelde partij
Vordering [benadeelde]
Mevrouw [benadeelde] heeft via haar advocaat mr. L.A.R. Newoor als benadeelde partij gevorderd een bedrag van € 1342,38 als vergoeding voor materiële schade en een bedrag van € 5.000,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende posten:
Kosten rechtsbijstand in de bezwaar procedure en de voorlopige voorziening met betrekking tot de sluiting van de woning op last van de burgemeester € 352,-.
De aanschaf van een ringdeurbel € 165,-.
Vervanging van de onherstelbaar beschadigde gordijnen € 780,-.
Aanschaf van babybenodigdheden € 45,38.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.780,- voor de immateriële schade en de vervanging van de gordijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vergoeding van de kosten van de onder 1 en 2 genoemde posten dienen te worden afgewezen en ten aanzien van het onder 4 gevorderde bedrag kan de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, omdat dit geen rechtstreekse schade is.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering voorzover het betreft de gevorderde materiële schade, omdat dit geen rechtstreekse schade is van het bewezenverklaarde feit. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade dient te worden gematigd, aangezien dit feit valt in een lagere categorie van de Rotterdamse schaal dan door de benadeelde partij is gehanteerd.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering ten aanzien van de gordijnen wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Deze vordering bedraagt € 780,-.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor het overige, omdat ten aanzien van de vorderingen onder punt 1 en 2 het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het strafbare feit niet is komen vast te staan en ten aanzien van de vordering onder punt 4 geen sprake is van schade. Deze kosten zouden immers ook zonder strafbaar feit op enig moment zijn gemaakt.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk aangetast in persoon. Zij voelt zich onveilig in haar eigen woning en is voortdurend alert op mogelijke herhaling. Sinds het incident ondervindt zij psychische klachten en heeft zij een slaapprobleem ontwikkeld. Zij slikt daarvoor medicijnen en is onder behandeling van een psycholoog. De vordering is onderbouwd met stukken.
De schade wordt naar billijkheid begroot op € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aard en ernst van het letsel en de nadelige gevolgen van het feit voor de benadeelde. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen.
Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 8 augustus 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 37 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit, subsidiair de proeftijd ervan met een jaar te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit van 8 augustus 2025 is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van dit feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis van de meervoudige kamer in Rotterdam van 25 juli 2024 verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 8 (acht) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
de verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
de verdachte verblijft in Regionale Instelling voor Beschermd Wonen of een andere instelling voor beschermd wonen, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
4. Dagbesteding
de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of het volgen van een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
5. Middelencontrole
de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-342253-23)
beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, zoals opgelegd in het vonnis van 25 juli 2024;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] , wonende te Rotterdam, te betalen een bedrag van € 3.780,-, bestaande uit € 780,- als vergoeding van materiële schade en € 3.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat
€ 3.780,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 37 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. van de Klashorst, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 april 2026.