ECLI:NL:RBROT:2026:4545

ECLI:NL:RBROT:2026:4545

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 10-223926-25 en 10-335454-23 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor bedreiging en het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens met munitie tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-223926-25

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-335454-23

Datum uitspraak: 9 april 2026

Datum zitting: 26 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

verblijvende op het adres [verblijfadres] , [postcode] [verblijfplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. D.J. Troost.

Officier van justitie: mr. M. van Eck.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - samengevat – dat hij zijn vriendin heeft bedreigd en dat hij meerdere wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

1.

hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- een (vuur)wapen op/naar die [slachtoffer] te richten en/of (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen die [slachtoffer] dood te schieten en/of

- die [slachtoffer] (telefonisch en/of via (snapchat)berichten) dreigend de woorden toe te voegen: "jij kkr wijf kijk zo wt k met j ga doen dan, neem afscheid mr alvast vn iedereen, die popo gaat j niet redden" en/of "ik ga je zometeen dede maken" en/of "ga jou zometeen nr gesloten kist sturen" en/of "ik kom in de middag terug en dan zal je niet meer leven";

2.

hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Rotterdam, een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Umarex model Glock 17 gen 5, kaliber 9mm (PAK) en/of (voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

- 8 knalpatronen van het kaliber 9 mm PAK en/of

- 9 hulzen (van diverse merken) van het kaliber .22 en/of .380 auto voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 14 augustus 2025 te Rotterdam, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een alarm- c.q. startpistool (perfecta D.B.P.) en/of

- een alarm- c.q. startpistool van het merk BBM MOD P4, kaliber 8mm PAK voorhanden heeft gehad.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de drie feiten moet worden veroordeeld. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit voor de in feit 1 tenlastegelegde bedreiging van mevrouw [slachtoffer] . De verdachte ontkent dat hij met een vuurwapen heeft gedreigd. De overige feiten heeft de verdachte bekend en de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring, bewijsmotivering en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring staat in paragraaf 2.3.3.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft deze feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. De bekennende verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, bevindingen doorzoeking woning, aantreffen wapens en munitie

3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek (vuur)wapens en munitie

Ten aanzien van feit 1

De bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 14 augustus 2025 in de nacht had ik, [verdachte] , onenigheid met mijn vriendin [slachtoffer] . Er was een discussie die uit de hand is gelopen en ik heb best wel ernstige dingen tegen haar gezegd via snapchat en spraakberichten. Het gaat om het volgende: "jij kkr wijf kijk zo wt k met j ga doen dan, neem afscheid mr alvast vn iedereen, die popo gaat j niet redden" en "ik ga je zometeen dede maken" en "ga jou zometeen nr gesloten kist sturen" en "ik kom in de middag terug en dan zal je niet meer leven". Ik was die nacht wel in de buurt van haar woning in Rotterdam. Diezelfde dag heeft de politie in de woning waar ik verbleef drie vuurwapens met bijbehorende munitie gevonden. Deze zijn van mij.

2. Proces-verbaal van de politie, bevindingen verbalisanten

Op 14 augustus 2025 omstreeks 03.33 uur kregen wij de opdracht naar de [adres delict] te Rotterdam te gaan. Daar woont een meldster die naar 112 had gebeld en vertelde dat zij bang was voor haar ex. Ter plaatse spraken wij met [slachtoffer] en zagen dat zij erg bang en emotioneel was. Zij vertelde aan ons dat zij de politie had gebeld omdat haar vriend [verdachte] in de woning was en dat ze ruzie hadden gekregen. Tijdens deze ruzie heeft haar vriend een vuurwapen op haar gericht en gedreigd haar dood te schieten. Zij vertelde geen aangifte te willen doen omdat zij vreest dat zij dan echt doodgeschoten gaat worden.

Op 14 augustus 2025 omstreeks 04.46 uur heb ik nogmaals contact opgenomen met [slachtoffer] . Zij vertelde dat [verdachte] niet meer terug was gekomen, maar haar wel berichten had gestuurd middels Snapchat waarin hij meerdere bedreigingen had gestuurd met de volgende teksten: “Jij kkr wijf kijk zo wt k met j ga doen dan. Neem afscheid mr alvast vn iedereen. Die popo gaat j niet redden.” Ik heb van deze teksten een schermafbeelding ontvangen. [slachtoffer] vertelde dat [verdachte] haar opgebeld zou hebben en zou hebben gezegd dat hij in de middag terugkomt en dat zij dan niet meer zou leven.

3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen verbalisanten Op 14 augustus 2025 omstreeks 09.30 uur gingen wij naar de woning van mevrouw [slachtoffer] . Wij zagen dat zij erg bang was. Zij vertelde dat de ruzies ongeveer een jaar geleden begonnen en dat hij, [verdachte] , haar in het afgelopen jaar vaker heeft geslagen en bedreigd met een vuurwapen.Dit was niet de eerste keer.

4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen verbalisant

In de nacht van 14 augustus 2025 registreerde het snapchataccount van [verdachte] meermaals geografische locaties in de directe omgeving van de [adres delict] te Rotterdam. De tijdstippen waren: 02.58.08 uur, 03.34.30 uur, 04.05.51 uur, 04.10.56 uur en om 04.12.47 uur.

Bewijsmotivering

De verdachte ontkent dat hij mevrouw [slachtoffer] met een vuurwapen heeft bedreigd.

Uit de hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt dat mevrouw [slachtoffer] op twee momenten tegen de verbalisanten heeft verklaard dat de verdachte dit wel heeft gedaan. De rechtbank heeft geen redenen te twijfelen aan de juistheid van haar verklaringen. De verklaring van [slachtoffer] wordt verder ondersteund door het feit dat de verbalisanten zagen dat zij erg bang en emotioneel was, dat de verdachte die nacht in de directe omgeving van de woning is geweest en dat de verdachte daadwerkelijk in het bezit is van vuurwapens. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij niet in de woning is geweest maar bij de woning is geweest, maar die verklaring vindt de rechtbank niet aannemelijk. Daarnaast past de bedreiging met een vuurwapen bij de doodsbedreigende berichten die de verdachte die nacht naar haar heeft gestuurd.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 14 augustus 2025 mevrouw [slachtoffer] met de dood heeft bedreigd en dat hij daarbij ook een vuurwapen op haar heeft gericht. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1

hij op 14 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door

- een (vuur)wapen op die [slachtoffer] te richten en daarbij dreigend de woorden toe te voegen die [slachtoffer] dood te schieten en

- die [slachtoffer] (telefonisch en via (snapchat)berichten) dreigend de woorden toe te voegen: "jij kkr wijf kijk zo wt k met j ga doen dan, neem afscheid mr alvast vn iedereen, die popo gaat j niet redden" en "ik ga je zometeen dede maken" en "ga jou zometeen nr gesloten kist sturen" en "ik kom in de middag terug en dan zal je niet meer leven";

Feit 2

hij op 14 augustus 2025 te Rotterdam, een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk Umarex model Glock 17 gen 5, kaliber 9mm (PAK) en (voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten

- 8 knalpatronen van het kaliber 9 mm PAK en

- 9 hulzen (van diverse merken) van het kaliber .22 en .380 auto voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op 14 augustus 2025 te Rotterdam, wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een alarm- c.q. startpistool (perfecta D.B.P.) en

- een alarm- c.q. startpistool van het merk BBM MOD P4, kaliber 8mm PAK voorhanden heeft gehad.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 2

(wapen) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

(munitie) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en twee aanvullende voorwaarden, zijnde dat hij zich niet zal bevinden in de straat van de woning van [slachtoffer] en dat zij zich niet samen inschrijven op één woonadres.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk te laten zijn met de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarbij een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. De verdediging verzet zich tegen de twee extra voorwaarden die de officier van justitie bij zijn eis heeft gevorderd, aangezien deze een ernstige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Mocht de rechtbank deze voorwaarden willen opleggen, dan verzoekt de verdediging deze voorwaarden te laten duren voor zolang de reclassering dit nodig acht.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft meerdere vuurwapens met daarbij behorende munitie voorhanden gehad en zijn partner meermalen bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Bij een ruzie in haar woning heeft de verdachte een vuurwapen op haar gericht en gedreigd haar dood te schieten. Diezelfde nacht heeft de verdachte haar meerdere snapchat- en spraakberichten gestuurd. Daarin schreef hij dat hij haar dood zou maken en dat zij het niet zou overleven.

Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. Het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie en het daarmee dreigen iemand iets aan te doen, brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens leidt niet zelden tot het plegen van ernstige geweldsdelicten en het voedt gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Door zijn partner met het vuurwapen in haar woning te bedreigen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. Hij heeft agressief en ontoelaatbaar gedrag laten zien, hetgeen bij het slachtoffer psychische schade heeft veroorzaakt.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder het bezit van een vuurwapen. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.

Rapporten van de deskundige en de reclassering

In het rapport van GZ psycholoog [persoon A] van 4 februari 2026 staat onder meer het volgende.

Bij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid, een posttraumatische stressstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Door de aanwezigheid van deze stoornissen/beperking heeft hij moeite om zijn eigen gedrag voldoende te plannen en te reguleren, kan hij prikkelbaar en agressief zijn en impulsief reageren. Ook heeft hij moeite zich in te leven in de ander. Door de aanwezige problematiek heeft de verdachte bij hoogoplopende spanningen en druk veel moeite om eigen frustraties, emoties en gedrag te reguleren. Hierdoor kan sprake zijn van acting-out gedrag en agressieve impulsdoorbraken.

De verdachte en zijn partner zijn voornemens hun relatie voort te zetten. Door de aanwezige problematiek bij de verdachte in combinatie met de dynamiek binnen de partnerrelatie is de inschatting dat de kans op recidive in relationeel geweld, matig tot hoog is.

Bij bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten adviseert de psycholoog om feit 1 in een verminderde mate toe te rekenen en de feiten 2 en 3 in het geheel toe te rekenen.

De psycholoog adviseert, als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, een behandeling bij een forensische polikliniek met een focus op de aanwezige traumaproblematiek en emotieregulatie problemen. Daarnaast is het betrekken van de partner, bij behandeling en begeleiding bij het regelen van praktische zaken, van belang.

In het rapport van de reclassering van 10 februari 2026 worden bijzondere voorwaarden geadviseerd. Het gaat dan om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en hulp bij het aflossen van schulden.

De rechtbank neemt de inhoud van het rapport en de daarop gebaseerde adviezen van de psycholoog en de reclassering over en betrekt deze in de verder te nemen beslissingen. Op basis van het rapport van de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van feit 1 beïnvloedde. Dit feit wordt daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.

Oplegging straf

Oplegging van een gevangenisstraf is gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De verdachte heeft doelbewust een vuurwapen meegenomen naar zijn vriendin en haar daarmee bedreigd, hetgeen ook betekent dat hij dit ook op de openbare weg voorhanden heeft gehad. Er is sprake van huiselijk geweld en de verdachte is eerder veroordeeld voor zowel bedreiging met enig misdrijf tegen het leven als vuurwapenbezit. De eis van de officier van justitie houdt onvoldoende rekening met deze omstandigheden. Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden is passend en geboden. Hierbij is ook rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte met betrekking tot de bedreiging.

Hoewel de verdachte al eerder is veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen en al gedurende lange tijd onder toezicht staat van hulpinstanties, zal de rechtbank ook nu een voorwaardelijk strafdeel van drie maanden opleggen. Deze voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.Daarnaast verbindt de rechtbank aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De verdachte erkent dat hij ondersteuning kan gebruiken en zegt open te staan voor behandeling. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde twee extra voorwaarden in het kader van de strafoplegging niet moeten worden opgelegd.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 13 februari 2026 voor onbepaalde tijd geschorst.

Op de zitting zijn door de verdediging en de officier van justitie geen verzoeken gedaan om de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak te laten voortduren of op te heffen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte bij vonnis van vandaag tot een gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijk deel langer is dan de tijd die de verdachte tot aan deze schorsing in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank moet op grond van de actuele situatie beoordelen of de schorsing van de voorlopige hechtenis nog steeds noodzakelijk is. Daarbij moet een belangenafweging worden gemaakt tussen de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. In aanmerking genomen dat het uitgangspunt is dat de voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast, acht de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, op dit moment voortduring van de schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden aangewezen. Daarmee wordt het recidivegevaar, dat ten grondslag ligt aan de voorlopige hechtenis, in voldoende mate beperkt.

6. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter op 29 april 2024 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de proeftijd moet worden verlengd met één jaar.

Oordeel van de rechtbank

De bewezen feiten zijn gepleegd tijdens de proeftijd van een veroordeling voor mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Door het plegen van de onderhavige (bovendien soortgelijke) feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Omdat de verdachte zich daar niet aan heeft gehouden, wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf.

Het verweer wordt verworpen.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 3 (drie) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. Meldplicht bij reclassering

de verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;

2. Ambulante behandeling

de verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door een door de reclassering nader te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op trauma gerelateerde problemen en emotie regulatieproblemen. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

3. Aflossing schulden

de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van

afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-335454-23)

beveelt de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 (drie) maanden, zoals opgelegd in het vonnis van de politierechter van 29 april 2024.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.C. Oord, voorzitter,

en mrs. J. van de Klashorst en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 9 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C. Oord

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?