ECLI:NL:RBROT:2026:4595

ECLI:NL:RBROT:2026:4595

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 10.324729.24 en 10.303385.23 en 10-076807-23 (TUL)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft tijdens een vechtpartij op 11 of 12 oktober 2024 het slachtoffer [slachtoffer 1] met een mes in de borstkas gestoken. Het slachtoffer is als gevolg hiervan ter plekke komen te overlijden. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De verdachte wordt vrijgesproken van moord, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De verdachte heeft daarnaast op 15 november 2023 het slachtoffer [slachtoffer 2] met een schaar gestoken en tegen het lichaam geschopt. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 jaar op. De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen. De vordering tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10.324729.24 en 10.303385.23

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10-076807-23

Datum uitspraak: 21 april 2026

Datum zitting: 7 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1]

ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] ,

gedetineerd in de P.I. [naam P.I.] .

Advocaat van de verdachte: mr. M. Nentjes

Officieren van justitie: mr. P. Wijnands en mr. I. Barendregt

Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

Advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 4] : mr. F.J.M. Hamers

Advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] : mr. W.J. Backer

Kern van het vonnis

De verdachte heeft tijdens een vechtpartij op 11 of 12 oktober 2024 het slachtoffer [slachtoffer 1] met een mes in de borstkas gestoken. Het slachtoffer is als gevolg hiervan ter plekke komen te overlijden. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De verdachte wordt vrijgesproken van moord, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

De verdachte heeft daarnaast op 15 november 2023 het slachtoffer [slachtoffer 2] met een schaar gestoken en tegen het lichaam geschopt. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 12 jaar op. De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen. De vordering tenuitvoerlegging wordt afgewezen.

Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – ten eerste op 11 of 12 oktober 2024 in Maassluis [slachtoffer 1] met voorbedachte van het leven heeft beroofd door hem met een mes in zijn borst te steken en ten tweede op 15 november 2023 in Rotterdam heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel heeft mishandeld door hem met een schaar in zijn arm te steken en tegen het lichaam te schoppen.

De rechtbank zal de feiten op de beide dagvaardingen nu deze zijn gevoegd hierna feit 1 (10.324729.24) en feit 2 (10.303385.23) noemen.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.

De bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en motivering van de bewezenverklaring staan in hoofdstuk 2.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3.

De rechtbank legt aan de verdachte een straf op van 12 jaar met aftrek van voorarrest. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.

In hoofdstuk 5 staat de beslissing over de inbeslaggenomen goederen.

In hoofdstuk 6 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis.

De benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vorderingen worden deels toegewezen. In hoofdstuk 7 wordt deze beslissing uitgelegd.

In hoofdstuk 8 staat de beslissing op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die eerder aan de verdachte is opgelegd.

In hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat

1

hij in of omstreeks de periode van 11 oktober 2024 tot en met 12 oktober 2024 te Maassluis

[slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken;

2

hij op of omstreeks 15 november 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer 2] meermalen in de arm, althans in het lichaam heeft gestoken, en /of (vervolgens) meermalen tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 november 2023 te Rotterdam [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in de arm, althans in het lichaam te steken, en/of (vervolgens) meermalen tegen het lichaam te schoppen.

2. Bewijs / Vrijspraak

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 wordt veroordeeld voor moord (impliciet primair) en voor feit 2 voor poging zware mishandeling (primair).

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de verdachte wel opzet had op de dood van het slachtoffer stelt de verdediging zich op het standpunt dat in geen geval kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 primair vrijspraak bepleit omdat het handelen van de verdachte op zichzelf niet tot zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden en het opzet op het toebrengen daarvan dan ook niet kan worden verondersteld.

De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Partiële vrijspraak voor moord

Vaststaat dat het slachtoffer, hierna genoemd: [voornaam slachtoffer 1] , in de nacht van 11 op 12 oktober 2024 door een steek met het mes van de verdachte om het leven is gekomen. De vraag is of bewezen kan worden dat de verdachte, zoals hem wordt verweten, opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voorbedachte raad?

De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan moord, dat wil zeggen dat hij opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet het gewicht worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft er niet aan in de weg te staan dat aan contra-indicaties een zwaarder gewicht wordt toegekend.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte en [voornaam slachtoffer 1] waren ruim een jaar vrienden van elkaar en zochten elkaar vaak op. In de dagen voor 11 oktober 2024 is tussen de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] een ruzie ontstaan. Uit chatgesprekken van 4 oktober 2024 blijkt dat [voornaam slachtoffer 1] een paar schoenen van de verdachte terug zou willen en dat de verdachte op zijn beurt nog geld zou moeten krijgen van [voornaam slachtoffer 1] . Vanaf 9 oktober 2024 is hierover via chatberichten ruzie ontstaan waarbij zij elkaar over en weer hebben beledigd en uitgedaagd. De verdachte stuurt onder meer naar [voornaam slachtoffer 1] : ‘Bra je ben half handicap en jij gaat mij victem worden. Let op.’ en ‘Weet dat als ik jou zie. Dat je klaar bent’. De verdachte stelt ook meerdere malen voor om met [voornaam slachtoffer 1] te ‘meeten’ om het op te lossen. Uit getuigenverklaringen volgt dat zij in die periode ook meerdere videogesprekken hebben gevoerd waarbij de verdachte [voornaam slachtoffer 1] onder meer met de dood heeft bedreigd. De getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij de verdachte heeft horen zeggen: ‘Wanneer ik jou tegenkom dan ga ik je slaan en ga ik je neersteken’. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij in de week voor 11 oktober 2024 na een lange tijd weer met een mes op zak is gaan lopen.

Op 11 oktober 2024 treffen de verdachte en het slachtoffer elkaar laat in de avond in de metro op weg naar Maassluis. Ook op dat moment heeft de verdachte een mes op zak. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] op metrostation Steendijkpolder om 23:52 uur de metro uitstappen. [voornaam slachtoffer 1] stapt eerst uit en 5 seconden later volgt de verdachte door dezelfde deur. In de steeg achter de woningen aan de Tinbergendreef in Maassluis komt het tot een fysieke confrontatie tussen de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] . Deze plek is gelegen op de meest logische route van het metrostation naar de woning van [voornaam slachtoffer 1] .

Hoewel de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden naar de uiterlijke verschijningsvorm belangrijke aanwijzingen vormen dat de verdachte het besluit had genomen om [voornaam slachtoffer 1] van het leven te beroven, zijn deze feiten en omstandigheden onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit de getuigenverklaring van [naam getuige 2] volgt dat op 11 oktober 2024 rond middernacht in de steeg achter zijn woning een ruzie tussen twee of drie jongens heeft plaatsgevonden. Van belang is dat hij verklaart dat de ruzie meerdere minuten heeft geduurd, dat er is geschreeuwd en gescholden en dat volgens hem pas tijdens de laatste fase van deze ruzie een worsteling heeft plaatsgevonden. De rechtbank hecht ook waarde aan de inhoud van de opgenomen gesprekken vanuit de Penitentiaire Inrichting. Tijdens het gesprek met zijn moeder en tante vertelt de verdachte dat hij een paar dagen voor de steekpartij ruzie had met [voornaam slachtoffer 1] . Tegen zijn vrienden vertelt hij dat hij de ruzie aanvankelijk wilde uitpraten. Hij zegt vervolgens: ‘Ik dacht eigenlijk ik geef hem m’n been klaar. Vervolgens vertelt hij dat [voornaam slachtoffer 1] op enig moment tijdens de ruzie met zijn hoofd tegen hem aan kwam. Hij werd naar eigen zeggen toen ‘kankerpara’ en heeft hem vervolgens één keer geraakt.

Deze omstandigheden wijzen er niet op dat de verdachte bezig was met het uitvoeren van een plan om [voornaam slachtoffer 1] van het leven te beroven, maar op een acute situatie waarin door de verdachte in een gemoedsopwelling is gehandeld. Het valt op basis van deze omstandigheden niet uit te sluiten dat de verdachte de confrontatie met [voornaam slachtoffer 1] heeft opgezocht om de ruzie uit te praten en mogelijk het gevecht aan te gaan, maar dat de situatie ter plekke is geëscaleerd. De rechtbank is van oordeel dat aan deze contra-indicaties een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan de hiervoor genoemde aanwijzingen en de omstandigheid dat voor de verdachte tijd en gelegenheid heeft bestaan om zich te beraden over het genomen of het te nemen besluit en na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank gaat ervan uit dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij moet worden vrijgesproken van moord.

Bewezenverklaring feit 1

Bewezen is dat:

hij in de periode van 11 oktober 2024 tot en met 12 oktober 2024 te Maassluis [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes in de borst van die [slachtoffer 1] te steken.

Bewijsmiddelen feit 1

De bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

In de late avond van 11 oktober 2024 kwam ik [voornaam slachtoffer 1] toevallig tegen in de metro. We hadden al een paar dagen ruzie en ik kreeg in de metro een discussie met hem. We zijn uitgestapt bij Steendijkpolder in Maassluis en toen hij het poortje doorging wachtte hij op mij. We liepen samen naar de overkant in de richting van waar hij woont. Ik liep met hem mee. De sfeer sloeg om. Ik had zelf een mes bij me. In de steeg kwamen we met de hoofden tegen elkaar. [voornaam slachtoffer 1] had ook een mes. Dat viel op de grond. Ik greep mijn mes. Ik had het mes in mijn rechterhand. Ik had het mes met het handvat beet. Ik had het naar boven gericht. We raakten in een worsteling en vielen op de grond. Er is gestoken met mijn mes. [voornaam slachtoffer 1] stond op en rende weg om het hoekje. Ik zag hem ergens tegenaan vallen. Ik heb de messen toen weggezet bij mijn been en ben toen weggerend.

2. NFI rapport forensisch pathologisch onderzoek

1. Overledene

[slachtoffer 1] is levenloos aangetroffen ter hoogte van [adres 2] in Maassluis op 12 oktober 2024.

6. Interpretatie van resultaten

Steek- en snijletsel

Aan de borstkas links was een steekletsel (sub B2) door krachtinwerking met een scherp voorwerp (zoals een mes). Hierbij was er perforatie van onder andere de linkerborstholte, de linkerlong, het hart, de longslagader en de luchtpijp. Dit heeft geleid tot ernstig bloedverlies (sub B3) en hart-, ademhalings- en longfunctiestoornissen; op basis waarvan het overlijden zonder meer wordt verklaard.

Aan het voorhoofd links was een steekletsel en aan de rechterhand was een snijletsel (sub B4) door krachtinwerking met een scherp voorwerp. Deze letsels waren gering en zonder directe betekenis ten aanzien van het overlijden. Het letsel aan de rechterhand kan, gezien de locatie, eventueel passen bij af- of verweerletsel.

7. Conclusie

[slachtoffer 1] , 20 jaar oud, is overleden als gevolg van één steek in de borst (met perforatie van de linkerborstholte, de linkerlong, het hart, de longslagader en de luchtpijp).

3. Proces-verbaal van de politie

Op 29 oktober 2024, werd vertrouwelijke communicatie opgenomen (OVC), in de P.I. te [detentieplaats] .

Gesprekdeelnemers:

- Verdachte [voornaam verdachte]

- Moeder verdachte ( [naam 1] )

- Tante verdachte ( [tante] )

[tante] : Wat is er gebeurd [voornaam verdachte] ?

[voornaam verdachte] : Ik heb gewoon ruzie met hem.

(…)

[tante] : Hoe heb je ruzie met hem gehad?

[voornaam verdachte] : Gewoon hij zei domme dingen gewoon.

(…)

[voornaam verdachte] : Ik had hem één (1) keer geraakt gewoon.

[tante] : Waar heb je hem geraakt?

[voornaam verdachte] : Ik weet niet precies waar. Gewoon bovenlichaam zeg maar de romp.

(…)

[tante] : En met wat heb je hem gestoken?

[voornaam verdachte] : Mes

[tante] : Van mama thuis, of had je een mes bij je?

[voornaam verdachte] Ik heb zelf.

4. Proces-verbaal van de politie

Op 15 november 2024, werd vertrouwelijke communicatie (OVC) opgenomen in de bezoekersruimte van de P.I. te [detentieplaats] alwaar de verdachte [verdachte] bezoek ontving van drie personen genaamd:

- [naam 2] . geboren [geboortedatum 2] -2004 te [geboorteplaats 2] ,

- [naam 3] , geboren [geboortedatum 3] -2009 te [geboorteplaats 2] en

- [naam 4] , geboren [geboortedatum 4] -2007 te [geboorteplaats 2] .

J = [verdachte]

N = NN mannen: [naam 2] / [naam 3] / [naam 4]

J: Maar broer … ntv … uit die metro, dit en dat. Eh… Ik stap met hem uit die metro.

N: Maar voor wat? (…)

J: Je weet toch. Normaal komt die met die man broer. En ik dacht eigenlijk als ie echt gek doet ik geef hem gewoon enige been. (…)

J: (…) Broer ik wou nog uitpraten en zo. Ik dacht eigenlijk ik geef hem m’n been klaar. (…) Hij komt met zijn hoofd tegen mij aan, broer toen werd ik kankerpara broer. Ik viel naar achteren. Ik bek (fon) die ding. Daarna broer, ik heb hem één keer he. Ik weet niet waar ik hem …ntv... gestoken heb maar ik heb hem één keer geraakt niffo.

N: Er stond eh steekwapen.

J: Boys ik heb hem geraakt. Ik heb hem één keer geraakt. Broer heb hem verkeerd geraakt broer. (…)

N: Wie heeft geraakt?

J: Dat ding ging door zijn longen, door zijn hart, alles in 1 keer. Je weet toch. Daarna die man rent weg ik weet niet (…)

Bewijsmotivering feit 1

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet had op het doden van [voornaam slachtoffer 1] , maar dat sprake was van een noodlottig ongeval. De verdachte heeft daarover verklaard hij met [voornaam slachtoffer 1] in een worsteling terechtkwam en dat zij daarbij de balans verloren en op de grond vielen. Op dat moment heeft de verdachte iets horen scheuren en hij vermoedt dat [voornaam slachtoffer 1] toen in zijn mes is gevallen.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte geschetste scenario niet aannemelijk is geworden. Het scenario van een ongeval wordt weerlegd door de inhoud van de opgenomen gesprekken vanuit de Penitentiaire Inrichting. Tijdens deze gesprekken verklaart de verdachte zowel tegen zijn tante als tegen zijn vrienden dat hij [voornaam slachtoffer 1] met zijn mes één keer heeft gestoken. Verder correspondeert het steekletsel van [voornaam slachtoffer 1] niet met het scenario van een ongeval. Het steekletsel in zijn borstkas betreft een diepe steekwond waarbij er sprake was van perforatie van meerdere organen. Uit het pathologisch onderzoek volgt dat het letsel door krachtinwerking is ontstaan. Verder is van belang dat [voornaam slachtoffer 1] steekletsel had bij zijn linkeroog en rechterhand. Het letsel aan de rechterhand kan volgens de patholoog mogelijk passen bij af- of verweerletsel. Uit deze verwondingen wordt afgeleid dat het slachtoffer met een mes moet zijn aangevallen.

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte, toen hij de confrontatie zocht, [voornaam slachtoffer 1] heeft aangevallen met een mes en hem in zijn romp heeft gestoken. In de romp bevinden zich vitale organen. Het mes heeft hem in zijn hart geraakt. Door dit te doen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [voornaam slachtoffer 1] dodelijk geraakt zou worden. Het voorwaardelijk opzet op de dood is dan ook bewezen.

Feit 2

Bewezenverklaring feit 2

Bewezen is dat:

hij op 15 november 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een schaar die [slachtoffer 2] meermalen in de arm heeft gestoken, en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsmiddelen feit 2

De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 15 november 2023 was ik in de woning van [naam 5] in Rotterdam. ST (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) stond in de keuken. Ik stond op en ging naar de keuken. Hij stond met zijn voorkant naar mij toe. Ik heb hem met de schaar geraakt in zijn arm. Ik merkte dat ik hem raakte. De schaar kwam tegen hem aan. Ik heb hem één keer getrapt.

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 2]

Op 15 november 2023 was ik in de avond in het huis van [naam 5] in Rotterdam. (…) Er zaten 4 jongens in de woonkamer. [naam 5] en zijn vriend groetten één van de jongens. Ik noem hem hierna verdachte 1. Op enig moment wil verdachte 1 wat in mijn oor fluisteren en hierdoor staan we bijna schouder aan schouder. Ik duwde hem weg om afstand te creëren. Hierna werd hij helemaal gek en ging hij trappen en slaan. Later bleek dat hij aan het steken was. Ik viel op de grond en werd hierna getrapt. Ik heb meerdere trappen op mijn hoofd gehad. Ik heb pijn in mijn hoofd en in mijn onderarm.

Ik weet dat ik met een schaar ben gestoken doordat ik die schaar heb gezien. Daarna stond hij ook boven mij met die schaar. Ik heb 2 kleine steekwonden in mijn onderarm.

3. Schriftelijk stuk

Patiënt [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 5] -2010, zagen we op 15-11-2023 op de Spoedeisende Hulp, locatie Franciscus Vlietland.

Reden van komst / Verwijzing

Molest

Conclusie

Een 13-jarige jongen presenteert zich op de SEH na een mishandeling met een tweetal steekverwondingen in de linker onderarm.

Bewijsmotivering feit 2

De vraag is of de bewezenverklaarde gedragingen gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In de arm lopen meerdere slagaders, spieren en pezen die bij beschadiging tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. Door te steken met een scherp voorwerp – in dit geval een schaar – heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen. Dat geldt ook voor de schop tegen het lichaam die verdachte aan de aangever heeft uitgedeeld. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:

feit 1: doodslag

feit 2: poging tot zware mishandeling

Strafbaarheid van de feiten en de verdachte

De verdediging heeft voor feit 2 met een beroep op putatief noodweer betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging baseert dit beroep op de verklaring van de verdachte dat hij de dag voor het incident in een videogesprek door de aangever zou zijn bedreigd met een vuurwapen. Toen de aangever [slachtoffer 2] op de bewuste avond in de woning naar zijn tas greep was verdachte naar eigen zeggen in de veronderstelling dat hij naar het vuurwapen greep, waardoor hij in de veronderstelling was dat hij werd aangevallen. Het door de verdachte geschetste scenario vindt echter verder geen steun in het dossier. Er zijn daarmee onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen omdat hij zich op verontschuldigbare wijze heeft ingebeeld dat hij zou worden aangevallen. Ook van andere gedragingen die wijzen op hevige angst, vrees of radeloosheid bij de verdachte is niet gebleken. Het verweer op putatief noodweer wordt verworpen. De verdachte is strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging vraagt de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring om alle aspecten mee te wegen, waaronder met name de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen de feiten en de omstandigheid dat het deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden nadat hij al enkele tijd in volwassenendetentie had vastgezeten.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. De verdachte en [voornaam slachtoffer 1] waren vrienden en hebben op enig moment in oktober 2024 ruzie gekregen, aanvankelijk over een paar schoenen en een geldbedrag van een paar honderd euro. De ruzie heeft zich online via social media voortgezet. In de avond van 11 oktober 2024 hebben zij elkaar ontmoet in de metro op weg naar Maassluis. Bij de halte Steendijkpolder zijn zij beiden uitgestapt en zijn in de richting van de woning van [voornaam slachtoffer 1] bij [naam stichting] gelopen. In de steeg aan de [naam locatie] in Maassluis is de ruzie volledig geëscaleerd. Er is tussen de verdachte en [voornaam slachtoffer 1] een worsteling ontstaan. De verdachte heeft op enig moment zijn mes gegrepen en heeft [voornaam slachtoffer 1] met één steek in de borststreek geraakt. [voornaam slachtoffer 1] is als gevolg van deze steek om het leven gekomen. De verdachte heeft de ruzie niet uitgepraat, maar heeft ervoor gekozen om buitenproportioneel te handelen door geweld te gebruiken. De ruzie heeft hierdoor een fatale afloop gekend. De verdachte is weggevlucht, terwijl hij [voornaam slachtoffer 1] heeft zien vallen. [voornaam slachtoffer 1] is vervolgens helemaal alleen overleden in een steeg. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.

Doodslag is één van de ernstigste misdrijven. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden is hiermee immens leed toegebracht. De dood van [voornaam slachtoffer 1] heeft bij zijn familie en vrienden een litteken voor het leven achtergelaten en het gemis is er nog elke dag, zo bleek ook uit de slachtofferverklaring die tijdens de zitting is voorgelezen door de pleegmoeder van [voornaam slachtoffer 1] .

De verdachte heeft zich daarnaast op 15 november 2023 schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft met een schaar in de arm van het jonge slachtoffer gestoken en tegen zijn lichaam geschopt. De verdachte heeft zich ook hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. De steekverwondingen hebben ontsierende littekens op de arm van het slachtoffer tot gevolg gehad. Door zijn handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Het strafblad leidt dus tot een hogere straf. Hij liep bovendien in een proeftijd.

Rapporten van deskundigen

Uit het rapport van psychiater [persoon A] van 22 april 2025 en het rapport van psycholoog [persoon B] van 18 april 2025 volgt dat uitgebreider onderzoek in de vorm van een (observatie)plaats noodzakelijk werd geacht.

In het rapport van Observatieafdeling Teylingereind (klinisch multidisciplinair onderzoek Pro Justitia) van psychiater [persoon C] en psycholoog [persoon D] van 20 januari 2026 staat het volgende.

De verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en trekken van psychopathie. Hij is op gevoelsniveau nauwelijks te bereiken, er is geen emotionele diepgang en hij is ongevoelig voor de emoties van anderen. Hij is niet impulsief, maar beheerst en gecontroleerd. Hij is in staat om zijn gedrag te sturen, besluiten te wikken en te wegen en reacties uit te stellen. Hij wordt gedreven door zijn eigen behoeftes en is gericht op controle. Het opvallende gebrek aan emoties, in combinatie met het antisociale gedrag, duiden op een psychopathische ontwikkeling.

Het hebben van een dergelijke stoornis betekent echter niet dat de verdachte geen keuzevrijheid had. De onderzoekers zijn dan ook van mening dat de vastgestelde stoornis geen doorwerking heeft gehad in het plegen van feit 1. De verdachte heeft meerdere momenten gehad waarin - ondanks de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis - verwacht mag worden dat hij andere keuzes had kunnen maken. Ten aanzien van feit 2 is het delictscenario en motief minder duidelijk waardoor geen antwoord gegeven kan worden op de vraag in hoeverre de stoornis invloed heeft gehad op het plegen van dit feit.

Er zijn geen argumenten die aanleiding geven het minderjarigenstrafrecht toe te passen. De verdachte is niet beïnvloedbaar en heeft geen forensisch relevante cognitieve beperkingen.

Hij loopt op sociaal-emotioneel gebied niet achter op zijn leeftijdsgenoten. Hij is niet

pedagogisch beïnvloedbaar en niet gebaat bij een gezinsgerichte aanpak. Toezicht en

begeleiding in het jeugdstrafrecht heeft niet tot gedragsverandering geleid.

Een betrouwbare inschatting van het recidiverisico voor soortgelijke feiten valt vanuit de gedragsdeskundige expertise niet te geven, nu onderzoekers geen doorwerking zien van de vastgestelde stoornis in het ten laste gelegde. De onderzoekers kunnen daarom geen interventies of behandeling ter vermindering van het risico op recidive adviseren.

Volledig toerekeningsvatbaar

Op basis van het rapport van de Observatieafdeling Teylingereind stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een persoonlijkheidsstoornis bestond, maar dat de aanwezigheid hiervan geen doorwerking heeft gehad in het plegen van feit 1. De onderzoeken hebben zich onthouden van een advies over het toerekenen ten aanzien van feit 2 omdat het delictscenario en motief onduidelijk zijn, maar naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat het feit niet aan hem kan worden toegerekend. De verdediging heeft hier ook geen verweer tegen gevoerd. De beide feiten worden daarom volledig aan de verdachte toegerekend.

Toepassing van het volwassenenstrafrecht

De zaak met parketnummer 10.303385.23 (feit 2) is aanvankelijk aangebracht bij de jeugdrechter. De zaak is in een later stadium gevoegd met de zaak met parketnummer 10.324729.24. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of voor feit 2 het minderjarigenstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging heeft hierop geen verweer gevoerd.

De verdachte was ten tijde van het plegen van feit 2 18 jaar oud. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de verdachte zoals volgt uit het hiervoor genoemde observatierapport en de omstandigheden waaronder het feit is begaan geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Straf

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten en de onomkeerbare gevolgen van de doodslag moet een gevangenisstraf van lange duur worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de omstandigheden waaronder [voornaam slachtoffer 1] is komen te overlijden. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ook wordt veroordeeld voor een poging zware mishandeling. De gevangenisstraf is van kortere duur dan geëist door de officier van justitie, aangezien de rechtbank moord niet bewezen acht. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat de verdachte nog zeer jong is.

Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 12 jaar (met aftrek van voorarrest) passend en geboden.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5. In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank beslist conform de vordering van de officier van justitie dat de in beslag genomen munitie (goednummer: [goednummer] ) wordt onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

6. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaak met parketnummer 10.303385.23 met ingang van 18 juli 2024 geschorst. De rechtbank moet op grond van de actuele situatie beoordelen of het voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis is aangewezen. De rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Ook de recidivegrond is nog onverkort aanwezig. De verdachte heeft na de schorsing van de voorlopige hechtenis een nieuw strafbaar feit begaan en wordt daarvoor in dit vonnis veroordeeld. De verdachte heeft gelet op deze veroordeling aanwijsbaar niet voldaan aan de schorsingsvoorwaarde om zich niet aan een nieuw strafbaar feit schuldig te maken. Het strafvorderlijk belang bij opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis weegt daarom zwaarder dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank ziet daarom aanleiding om over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

7. Vordering benadeelde partijen

[benadeelde 1]

Vordering [benadeelde 1]

, de vader van [voornaam slachtoffer 1] , heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 4.997,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd. Het betreft een vergoeding voor de kosten voor een grafmonument. De benadeelde partij vordert ook een bedrag van € 57.500,- als vergoeding voor immateriële schade. Het bedrag is opgebouwd uit een bedrag van

€ 17.500,- voor affectieschade en een vergoeding van € 40.000,- voor shockschade. Daarnaast wordt € 10.000,- als vergoeding voor nader te onderbouwen schade gevorderd. De benadeelde partij heeft ten slotte gevorderd de volledige vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partij tot vergoeding van de materiële en immateriële schade kunnen volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet ten aanzien van de nader te onderbouwen kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de materiële schade kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verdachte is bereid om een bijdrage te leveren aan de kosten voor een grafmonument. De vordering is echter slechts onderbouwd met een getekende offerte, zodat niet duidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Er zijn bovendien goedkopere alternatieven mogelijk. De vordering moet daarom worden gematigd.

Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor affectieschade wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde vergoeding voor shockschade moet worden afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de vereisten die gekoppeld zijn aan het toekennen van een dergelijke vergoeding.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van de kosten voor het grafmonument wordt toegewezen. Deze kosten zijn een rechtstreeks gevolg van het overlijden van [voornaam slachtoffer 1] en vloeien daarmee rechtstreeks voort uit het handelen van de verdachte. De verdachte is aansprakelijk voor de aan de uitvaart gerelateerde kosten op grond van artikel 6:108 lid 2 BW. De kosten voor het grafmonument komen de rechtbank alleszins redelijk en niet onevenredig voor. Of deze kosten reeds zijn gemaakt, is niet van belang voor de vraag of schade is geleden. De vordering is met de getekende offerte naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en wordt daarom toegewezen.

Immateriële schade

Affectieschade

Vergoeding van affectieschade is in beginsel alleen toewijsbaar aan personen die behoren tot de kring van gerechtigden, die in artikel 6:108, lid 4 , onder a tot en met f, BW worden opgesomd. De rechtbank stelt vast dat de vader van [voornaam slachtoffer 1] op grond van artikel 6:108, vierde lid, onder c, BW als naaste moet worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 17.500,- komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade heeft vastgesteld in het geval een meerderjarig niet-thuiswonend kind door een misdrijf komt te overlijden. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen.

Shockschade

Bij de beoordeling van de gevorderde immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg wordt gebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan. Dit geldt ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet zelf aanwezig is geweest bij het steekincident. Wel is hij enkele dagen later geconfronteerd met de uiteindelijk fatale gevolgen van het handelen van de verdachte. Hij heeft het levenloze lichaam van zijn zoon in het mortuarium gezien, waarbij hij ook de steekwonden heeft waargenomen. De pijn en het verdriet over het overlijden van zijn zoon volgt uit onderbouwing van de vordering. De rechtbank kan echter uit de overgelegde verklaring van de huisarts niet voldoende opmaken dat sprake is van zodanig geestelijk letsel als gevolg van de confrontatie met het slachtoffer in het ziekenhuis, dat binnen de hiervoor geldende richtlijnen aanspraak gemaakt kan worden op shockschade. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen de (bredere) psychische gevolgen door het verlies van zijn zoon na het bewezen strafbare feit (affectieschade) en de schade die mogelijk het gevolg is van de confrontatie met zijn zoon in het mortuarium. Dit deel van de vordering acht de rechtbank daarmee onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nader te onderbouwen schade

De gevorderde vergoeding voor nader te onderbouwen schade betreft schade in verband met een eventuele hoger beroep procedure. De kosten zijn niet onderbouwd en een juridische grondslag voor het toewijzen van dergelijke kosten ontbreekt. De vordering wordt daarom afgewezen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (voor een belangrijk deel) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

[benadeelde 2]

Vordering [benadeelde 2]

, de moeder van [voornaam slachtoffer 1] , heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 17.500,- immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde een vergoeding voor affectieschade. De benadeelde partij heeft ten slotte gevorderd de vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schadevergoeding

De rechtbank stelt vast dat de moeder van [voornaam slachtoffer 1] op grond van artikel 6:108, vierde lid, onder c, BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 17.500,- komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade heeft vastgesteld in het geval een meerderjarig niet-thuiswonend kind door een misdrijf komt te overlijden. De vordering wordt daarom toegewezen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (voor een belangrijk deel) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

[benadeelde 3]

Vordering [benadeelde 3]

, de informele pleegmoeder van [voornaam slachtoffer 1] , heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 19.584,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd. Het bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 9.912,- voor het grafrecht, € 2.000,- voor uitvaartkosten en € 7.672,- voor de kosten van de plaatsing en het onderhoudsrecht van een gedenksteen. Daarnaast is

€ 17.500,- immateriële schadevergoeding gevorderd, zijnde een vergoeding voor affectieschade. [benadeelde 3] heeft ten slotte gevorderd de vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partij kunnen volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de kosten voor het grafrecht en de uitvaartkosten wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De kosten voor plaatsing en onderhoud van de gedenksteen zijn vastgesteld op basis van een regeling van de gemeente. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk moeten worden gemaakt.

De vordering tot vergoeding van affectieschade moet worden afgewezen, omdat de benadeelde partij niet valt onder de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 BW. Er is evenmin aan de eisen van de hardheidsclausule voldaan.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering tot vergoeding van de materiële schade wordt toegewezen. Deze kosten zijn een rechtstreeks gevolg van het overlijden van het slachtoffer en vloeien daarmee rechtstreeks voort uit het handelen van de verdachte. De verdachte is aansprakelijk voor uitvaart gerelateerde kosten op grond van artikel 6:108 lid 2 BW. Dat geldt ook voor de kosten voor het plaatsen en onderhoud van de gedenksteen. Of deze kosten reeds zijn gemaakt, is niet van belang voor de vraag of schade is geleden. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en wordt daarom toegewezen.

Immateriële schade

[benadeelde 3] vordert als zijnde informele pleegmoeder van [voornaam slachtoffer 1] affectieschade, primair gelet op haar zorg in gezinsverband (artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub e en f BW). Voor zover de rechtbank van oordeel is dat zij niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort, wordt subsidiair een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 sub g BW.

[benadeelde 3] heeft onbetwist aangevoerd dat [voornaam slachtoffer 1] tot 2018 enkele jaren deels bij haar heeft gewoond. Vanaf eind 2018 tot 2024 heeft hij volledig bij haar gewoond waardoor sprake was van zorg in gezinsverband. De rechtbank stelt vast dat [voornaam slachtoffer 1] echter ten tijde van het misdrijf niet langer bij mevrouw [benadeelde 3] , maar bij [naam stichting] woonachtig was. Zij kan daarmee niet tot de vaste kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 BW worden aangemerkt.

Artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het BW biedt echter de mogelijkheid tot toekenning van affectieschade aan een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe en persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 3 als naaste kan worden aangemerkt. Deze zogenaamde hardheidsclausule kent onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toe aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort.

Voor de rechtbank staat vast dat [benadeelde 3] een hechte band had met [voornaam slachtoffer 1] . Er is meerdere jaren sprake geweest van zorg in gezinsverband waarbij zij de rol van moeder op zich heeft genomen. Ook nadat [voornaam slachtoffer 1] bij [naam stichting] ging wonen, bleef hij vrijwel dagelijks bij haar langskomen en soms overnachten. Dat de band tussen hen beiden goed was, bleek ook uit de tijdens de zitting door haar voorgedragen slachtofferverklaring. De rechtbank acht het ten slotte van belang dat mevrouw [benadeelde 3] na het overlijden van [voornaam slachtoffer 1] de verplichting op zich heeft genomen om een groot deel van de uitvaartkosten te betalen.

Mede gelet op voornoemde aard, duur en intensiteit van de relatie tussen [benadeelde 3] en [voornaam slachtoffer 1] acht de rechtbank deze relatie zodanig persoonlijk en nauw, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naaste kan worden aangemerkt. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt. Het gevorderde bedrag van € 17.500,- komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade heeft vastgesteld. De vordering wordt daarom toegewezen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 12 oktober 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (voor een belangrijk deel) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

[benadeelde 4]

Vordering [benadeelde 4]

heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 270,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd. Het betreft een vergoeding voor kledingschade. Daarnaast is € 4.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 1.500,- als vergoeding voor nader te onderbouwen schade gevorderd. De benadeelde partij heeft gevorderd de volledige vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partij tot vergoeding van de materiële en immateriële schade kunnen volledig worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet ten aanzien van de nader te onderbouwen kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering tot vergoeding van de materiële schade, omdat de schade aan de kleding op geen enkele wijze is onderbouwd. De gevorderde immateriële schadevergoeding moet sterk worden gematigd.

De benadeelde partij moet ten aanzien van de nader te onderbouwen kosten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden omdat zijn trainingspak als gevolg van het strafbare feit is beschadigd. De vordering is echter niet onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank de gevorderde schade ten aanzien van de kleding schatten op een bedrag van € 100,-. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen en is op andere wijze in zijn persoon aangetast. De gevorderde vergoeding van € 4.000,- komt de rechtbank gelet hierop niet onredelijk of onbillijk voor. Hierbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De rechtbank houdt ook rekening met de aard en ernst van het letsel. De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit twee steekwonden in zijn arm opgelopen. Uit de door de benadeelde partij overgelegde foto’s blijkt dat dit heeft geresulteerd in twee zichtbare littekens. De rechtbank heeft bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op de categorie ‘Minder ernstige littekenvorming (hoofdstuk 10 onder C) van de ‘Rotterdamse Schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen). Dit alles in samenhang bezien betekent dat het gevorderde bedrag van € 4.000,- wordt toegewezen.

Nader te onderbouwen schade

De gevorderde vergoeding voor nader te onderbouwen schade betreft schade in verband met een eventuele hoger beroep procedure. De kosten zijn niet onderbouwd en een juridische grondslag voor het toewijzen van dergelijke kosten ontbreekt. De vordering wordt daarom afgewezen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 15 november 2023.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (voor een belangrijk deel) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt met betrekking tot alle hiervoor besproken vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoedingen aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen.

Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. Gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen en de manier waarop de duur van de gijzeling in de meeste gevallen wordt berekend zal de totale duur van de gijzeling het toegestane maximum van een jaar overstijgen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank het maximaal aantal dagen gijzeling naar evenredigheid vaststellen. Dit betekent dat voor de toegewezen vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 137 dagen, dat voor de toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 112 dagen, dat voor de toegewezen vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 181 dagen en dat voor de toegewezen vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 4] gijzeling kan worden toegepast van telkens maximaal 41 dagen. De toepassing van de respectieve gijzelingen heft de betalingsverplichtingen niet op.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 60 uur, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich in de proefperiode van 2 jaar niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat tenuitvoerlegging gelet op de straf die aan de verdachte wordt opgelegd niet opportuun is. De vordering wordt dus afgewezen.

9. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 jaar;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

In beslag genomen voorwerpen

- verklaart voor feit 1 onttrokken aan het verkeer: de in beslag genomen munitie (goednummer: [goednummer] );

Voorlopige hechtenis (parketnummer 10-303385-23)

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte voor feit 2;

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10-076807-23)

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in het vonnis van 23 juni 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde 1]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 22.497,-, bestaande uit € 4.997,- als vergoeding van materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 22.497,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 137 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichtingen tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde 2]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van

17.500,- als vergoeding van immateriële schade en de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 17.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 112 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichtingen tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde 3]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 37.084,-, bestaande uit € 19.584,- als vergoeding van materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat € 37.084,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 181 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichtingen tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partijen of aan de staat heeft vergoed;

[benadeelde 4]

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 2), te betalen een bedrag van € 4.100,-, bestaande uit € 100,- als vergoeding van materiële schade en € 4.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 15 november 2023 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering tot vergoeding van materiële schade (feit 2); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat € 4.100,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 15 november 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 41 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichtingen tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

11. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Derijks, voorzitter,

en mrs. A. Boer en R.E. Drenth, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 april 2026.

Mr. R.E. Drenth is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M. Derijks

Griffier

  • mr. H.A. Wolterink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?