RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
Uitspraak van 9 april 2026
In de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 27 februari 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 27 februari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 maart 2026. Omdat verzoekster op 24 maart 2026 niet is verschenen, heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 1 april 2026.
Mr. D.A. IJpelaar heeft zich bij e-mailbericht van 31 maart 2026 als advocaat van verzoekster onttrokken.
Ter zitting van 1 april 2026 is verschenen en gehoord:
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Uit het verzoekschrift maakt de rechtbank op dat verzoekster inkomsten uit arbeid verwerft van € 2.125,35. Daarnaast blijkt uit de stukken dat verzoekster maandelijks een bedrag van € 236,-- aan huurtoeslag ontvangt. Er ligt weliswaar beslag op de inkomsten van verzoekster, echter de inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 897,28 per maand te voldoen. De rechtbank heeft een betaalbewijs ontvangen waaruit blijkt dat de huur over de maand maart 2026 op 25 februari 2026 is voldaan.
3. Het verweer
Verweerster heeft geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek. De huur over de maanden januari en februari 2026 is niet voldaan. De huur over de maanden maart en april 2026 is wel voldaan. Verweerster heeft inmiddels vernomen dat budgetbeheer met ingang van 28 maart 2026 is opgestart bij Geldplein. Verweerster vermoedt dat het schuldhulpverleningstraject ook door Geldplein zal worden uitgevoerd.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 19 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 december 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomsten uit arbeid en ontvangst daarnaast maandelijks huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verweerster heeft bevestigd dat de huur over de maanden februari en maart 2026 is voldaan. Omdat er namens Geldplein niemand ter zitting is verschenen, heeft verweerster ter zitting aangeboden telefonisch contact op te nemen met Geldplein. In het ter zitting gevoerde telefoongesprek heeft de budgetbeheerder, mevrouw [persoon B] , verklaard dat het budgetbeheer is opgestart en het schuldhulpverleningstraject door Geldplein zal worden uitgevoerd. Door het budgetbeheer is de betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd. Nu de lopende huurtermijnen over de maanden maart en april 2026 zijn voldaan en verweerster geen bezwaar heeft tegen toewijzing dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 december 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
27 februari 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.