Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 7 april 2026
VONNIS op het op 4 maart 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster 1] . ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
en
de Maatschap [verzoekster 2]
gevestigd te [vestigingsplaats 2]
verzoeksters,
advocaat mr. J. Smael,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] . ,
kantoorhoudende aan de [vestigingsadres]
[postcode] [plaats 1] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2]
verweerster,
advocaat mr. B.J. van Egmond
1. De procedure
Op 30 maart 2026 hebben verzoeksters en verweerster (aanvullende) producties aan de rechtbank gestuurd.
Op 31 maart 2026 zijn verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. J. Smael, en verweerster, vertegenwoordigd door mr. B.J. van Egmond, in raadkamer gehoord.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. De standpunten
standpunt verzoeksters:
Tussen verzoeksters en verweerster zijn op 22 april 2024 leningsovereenkomsten gesloten. De leningen zijn uiterlijk 31 december 2024 opeisbaar geworden. Verweerster heeft geen aflossing verricht en evenmin de overeengekomen rente voldaan. Bij brief van 29 januari
2026 heeft de advocaat van verzoeksters een laatste sommatie verzonden met
het verzoek om alsnog tot betaling van het openstaande saldo over te gaan. Hierbij is expliciet aangekondigd dat, bij uitblijven van betaling, het faillissement zal worden aangevraagd. Totaal, inclusief rente en kosten, hebben verzoeksters € 560.908,08 van verweerster te vorderen. Nu betaling tot op heden is uitgebleven en niet vrijwillig tot betaling is overgegaan, zien verzoeksters zich genoodzaakt het faillissement van verweerster aan te vragen. Het is verzoeksters gebleken dat verweerster in een toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen. Met het onbetaald laten van verzoeksters, is voldaan aan het pluraliteitsvereiste.
Verweerster is statutair gevestigd te Zwijndrecht , zodat haar COMI hier is gevestigd. Hierdoor is de Rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam bevoegd van dit verzoek kennis te nemen.
standpunt verweerster
Het Centrum van voornaamste belangen bevindt zich in Roemenië
Verzoeksters zijn ervan op de hoogte dat verweerster opereert vanuit Roemenië, waar zij haar kantoor houdt in [plaats 2] . Verweerster, en ook de [bedrijf X] (verder: [bedrijf X] ), heeft het centrum van voornaamste belangen in Roemenië. Zij, evenals de aan haar verbonden groep, oefent geen enkele activiteit uit in Nederland. Verweerster is één van de holdingvennootschappen van de [bedrijf X] . Zij is niets meer dan een brievenbusmaatschappij. [bedrijf X] verzorgt voornamelijk graantransporten over de Donau. De [bedrijf X] opereert vanuit de haven van Constanta in Roemenië. Vanuit daar kunnen de diverse binnenvaartschepen en duwbakken met graan lossen en overslaan op zeetransport over de Zwarte Zee. Enig bestuurder en aandeelhouder van verweerster is de heer [persoon A] , die woonachtig is in Roemenië. Dit is verzoeksters bekend, zij sturen (verwijzend naar productie 10 van verzoeksters) ook brieven naar zijn adres in Roemenië. Het hoofdbestuur van verweerster en de [bedrijf X] bevindt zich dus in Roemenië. De medegarant onder de overeenkomsten woont ook in Roemenië. Alle wegen leiden naar Roemenië. De statutaire zetel is slechts een formaliteit. Het vermoeden uit de EU insolventieverordening is weerlegd. Rechtbank Rotterdam is niet bevoegd om de hoofdinsolventieprocedure te openen.
Beroep op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Verzoeksters weten ook dat het centrum van voornaamste belangen in Roemenië ligt, zij hebben dit echter niet vermeld in het verzoekschrift. In dat kader wijst verweerster op artikel 21 Rv. De schulden van verweerster aan verzoeksters hebben betrekking op de verkoop van twee binnenvaartschepen ( [naam schip 1] en [naam schip 2] ) door verzoeksters aan de Roemeense vennootschap [VOF X] . De rechten op de schepen zijn weer doorverkocht aan andere Roemeense vennootschappen uit de [bedrijf X] . Voor verzoeksters was dus duidelijk dat de feitelijke onderneming van verweerster en de aan haar verbonden groep in Roemenië plaatsvond. Ook uit de overgelegde WhatsApp correspondentie blijkt dat. Het gegeven dat verweerster vanuit Roemenië opereerde was juist de reden voor verzoeksters om de schepen aan de [bedrijf X] te verkopen. Immers, de handel over de Rijn droogde op, maar op de Donau was juist genoeg vraag. Om die reden zijn de binnenvaartschepen ook eerst verhuurd aan [bedrijf X] . Een andere omstandigheid waaruit de wetenschap blijkt, is dat verzoeksters hebben geholpen om de binnenvaartschepen naar Roemenië te verschepen. Verzoekers hebben dit niet in het verzoekschrift vermeld, dat is extra bezwaarlijk omdat het juist aan verzoeksters is om in het inleidende verzoekschrift feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat het centrum van voornaamste belangen in Nederland zou zijn gelegen. Afwijzen van het verzoek zou op basis van het hiervoor overwogene een passende sanctie zijn.
Verweerster is niet meer de schuldenaar
De leningsovereenkomsten verklaren uitdrukkelijk dat na doorlening, de ‘Subborower” de bedragen verschuldigd is. In art 2.1 van de overeenkomsten staat: “ On account of money loaned today from the Borrower as Sublender, the Subborrower owes the Lender the Loan”.
Met deze zin hebben partijen tot uitdrukking gebracht dat bij een doorlening de schulden door de onderleningnemer aan de schuldeiser moeten worden betaald. Verweerster is slechts hoofdleningnemer en is als gevolg van de doorlening geen lening meer verschuldigd aan verzoeksters. Verzoeksters hebben geen bevoegdheid om het faillissement van verweersters aan te vragen.
Misbruik van bevoegdheid
Verzoeksters vragen alleen het faillissement aan om verweerster en de [bedrijf X] onder druk te zetten. De [bedrijf X] is bezig met een herstructurering en een faillissement van verweerster zou dat in gevaar brengen en diverse groepsmaatschappijen en de heer [persoon A] met grote schulden achterlaten. Verzoeksters hebben ook geen enkel belang bij een faillissement. Wanneer er geen herstructurering kan plaatsvinden is de kans op betaling aan verzoeksters klein. De enige vermogensbestanddelen betreffen namelijk de aandelen in de vennootschappen die op hun beurt de in Roemenië geëxploiteerde schepen in eigendom hebben. Op die schepen rust een hypotheek en die hypotheken worden door de financier geëxecuteerd. Verzoeksters proberen op oneigenlijke wijze betaling af te dwingen van een ander dan hun schuldenaar. Daarmee maken zij misbruik van hun bevoegdheid het faillissement aan te vragen.
nader standpunt verzoeksters
Er is geen misbruik gemaakt van bevoegdheid gezien ook de lange voorgeschiedenis en de sommatietermijnen. Steeds worden er toezeggingen gedaan, maar er wordt niets betaald. De maat is echt vol. Het centrum van voornaamste belangen ligt in Nederland. Het adres van verweerster is geen brievenbusfirma, maar een fysiek adres. De bestuurder is ook de eigenaar van het pand op dat adres. Er worden vanuit dat adres wel degelijk activiteiten verricht, er worden managementdiensten verleend. De dochtervennootschappen zijn ook gevestigd in Zwijndrecht. De dochtervennootschappen zijn ook de assethouders. Een schip vaart waar er handel is, maar dat betekent niet dat het centrum van voornaamste belangen ook verplaatst. Dat verweerster niet de schuldenaar zou zijn is een poging om de rechtbank op het verkeerde been te zetten. Het is duidelijk wie de schuldenaar is. De juiste entiteit is aangesproken.
nader standpunt verweerster
Verweerster is wel degelijk een brievenbusfirma. Dat de bestuurder de eigenaar is van het pand zegt niets over het centrum van voornaamste belangen. Ze opereert vanuit [plaats 2] (Roemenië), daar staan ook de kranen die zorgen voor het overladen en dat is het businessmodel. De aandelen zitten wellicht in de dochtervennootschappen maar het blijven brievenbusfirma’s. Verzoeksters geven aan dat er activiteiten zijn maar zij maken dat niet concreet.
3. De beoordeling
Is de rechtbank bevoegd?
Allereerst is aan de orde de vraag of deze rechtbank bevoegd is om te oordelen in deze zaak.
De rechtbank dient die bevoegdheid te toetsen aan artikel 3, lid 1 van de EU Insolventieverordening. Deze bepaling, die verordeningsautonoom dient te worden uitgelegd, luidt als volgt: “De rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd een insolventieprocedure te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden herkenbaar is. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”
Uit het aangehaalde artikel 3, lid 1 van de EU Insolventieverordening volgt dat bij de bepaling van het centrum van de voornaamste belangen in beginsel dient te worden uitgegaan van de plaats van de statutaire zetel van de vennootschap. Voor verweerster geldt dat die in Zwijndrecht is gelegen. Dit is een vermoeden dat weerlegd kan worden. Daarvoor is vereist dat uit een integrale beoordeling van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kan worden aangetoond dat het werkelijke centrum van bestuur en toezicht van de vennootschap en van het beheer over haar belangen zich in een andere lidstaat bevindt, zo volgt uit de geldende rechtspraak. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of in het onderhavige geval is aangetoond dat het centrum van de voornaamste belangen van verweerster niet in Nederland is gelegen, maar in Roemenië, zoals door verweerster is betoogd. Bij deze beoordeling dient voor ogen te worden gehouden dat het doel van de bevoegdheidsbepalingen in de EU Insolventieverordening is het garanderen van rechtszekerheid en voorspelbaarheid bij de bepaling van de voor de opening van de hoofdinsolventieprocedure bevoegde rechter, zulks in het belang van de schuldeisers. Het perspectief van (potentiële) schuldeisers op het centrum van de voornaamste belangen van de vennootschap – te beoordelen aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren –, is daarmee leidend.
Voorop gesteld moet worden dat de activiteiten van verweerster zeer beperkt van aard lijken te zijn. Verweerster is volgens het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel een managementholding, gevestigd in Zwijndrecht. Verweerster maakt onderdeel uit van de [bedrijf X] , die scheepvaartactiviteiten heeft in Roemenië. Vaststaat dat verweerster geldleningsovereenkomsten is aangegaan met verzoekster om activiteiten te ontplooien binnen de [bedrijf X] . Deze geldleningsovereenkomsten zijn op 22 april 2024 aangegaan in Nederland en op deze overeenkomsten is Nederlands recht van toepassing verklaard. Over andere activiteiten van verweerster is verder niets gesteld of gebleken. Over de activiteiten van de [bedrijf X] is gesteld dat de activiteiten zich voornamelijk afspelen in Roemenië. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de beperkte activiteiten van verweerster zich (op het moment van het sluiten van de overeenkomsten en daarna) in Nederland hebben afgespeeld. Dit betekent dat het centrum van de economische activiteiten van verweerster, voor zover voor derden kenbaar, zich ten tijde van het indienen van het faillissementsverzoek in Nederland bevond. Dit wijst er op dat het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland lag. Dat wordt niet wezenlijk anders wanneer in aanmerking wordt genomen dat verweerster wordt bestuurd door een bestuurder die in Roemenië woont en dat de communicatie en onderhandelingen over de leningsovereenkomsten via hem (voornamelijk via WhatsApp) verliepen, hetgeen heeft meegebracht dat die communicatie en onderhandelingen (mogelijk) niet in Nederland hebben plaatsgevonden. Hetgeen door verweerster naar voren is gebracht over de activiteiten en belangen in Roemenië geldt voor andere vennootschappen binnen de [bedrijf X] en niet voor verweerster en kan daarmee onbesproken blijven. Alle overige door verweerster in dit verband aangedragen factoren, zoals het gestelde dat verweerster en haar dochtervennootschappen brievenbusfirma’s zijn, dat de medegarant bij de overeenkomsten ook in Roemenië woont, dat verzoeksters op de hoogte waren van de activiteiten in Roemenië en dat ze zelfs hebben meegeholpen met het verschepen van de binnenvaartschepen naar Roemenië, zijn voor de bepaling van de bevoegdheid/locatie van de voornaamste belangen niet van doorslaggevend belang.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in onvoldoende mate is aangetoond dat het centrum van voornaamste belangen niet in Nederland, maar in Roemenië ligt. Het vermoeden van artikel 3, lid 1 van de EU Insolventieverordening is derhalve niet weerlegd. Dit brengt mee dat op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 van de EU Insolventieverordening deze rechtbank bevoegd is tot het openen van een insolventieprocedure.
Beroep op artikel 21 Rv
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 21 Rv op partijen de verplichting rust de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Door verweerster is een beroep gedaan op schending van deze waarheidsplicht door verzoeksters, in die zin dat verzoeksters bepaalde kennis over het centrum van voornaamste belangen van verweerster niet in het faillissementsverzoek hebben vermeld.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat weliswaar sprake is van een aanvankelijk zeer beknopte uiteenzetting, maar dat uit de nadere processtukken en de toelichting ter zitting voldoende is gebleken van de relevante feiten en omstandigheden.
Niet is komen vast te staan dat verzoeksters bewust onjuiste of onvolledige informatie hebben verstrekt of relevante feiten hebben achtergehouden met het doel de rechtbank te misleiden. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een schending van artikel 21 Rv. Voor zover al sprake zou zijn van enige onvolledigheid in een eerder stadium van de procedure, is deze in de loop van het geding voldoende hersteld en heeft deze de beoordeling van het geschil niet beïnvloed. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan het beroep op artikel 21 Rv gevolgen te verbinden.
Misbruik van bevoegdheid
Misbruik van bevoegdheid kan een grond opleveren voor de afwijzing van een faillissementsaanvraag. Een bevoegdheid kan onder andere worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden. Verzoeksters stellen opeisbare vorderingen te hebben, waarover uitvoering is gecorrespondeerd en waarvoor door verweerster diverse terugbetalingsvoorstellen zijn gedaan, maar waarop niet is betaald. Uitgaande van het uitgangspunt dat het een partij vrij staat zich met een in de wet voorziene vordering of verzoek tot de rechter te wenden om aldus diens beslissing uit te lokken, komt de rechtbank tot het oordeel dat, in dit geval, geen sprake is van een lichtvaardig omspringen met bedoelde bevoegdheid. Ook is verder niet gebleken dat de aanvraag geen ander doel dient dan verweerster te schaden of dat verzoeksters in redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid heeft kunnen komen. Verweerster wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.
Pluraliteit en faillissementstoestand
Ingevolge artikel 6, lid 3 van de Faillissementswet (hierna Fw) wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl ten minste één vordering opeisbaar is.
Hoewel er tot vlak voorafgaande aan de behandeling van het faillissementsverzoek is onderhandeld en een betalingsvoorstel door de bestuurder is gedaan (blijkend uit de overgelegde WhatsApp berichten van 30 maart 2026) om de kwestie op te lossen, wordt ter zitting door verweerster betwist dat zij de schuldenaar is. Volgens verweerster is zij slechts de hoofdleningnemer en is zij, verwijzend naar art 2.1 uit de overeenkomsten, als gevolg van doorlening geen lening meer verschuldigd aan verzoeksters.
De rechtbank volgt verweerster niet in dit verweer. Verzoekster richt zich tot hun rechtstreekse contractspartij en dat is, blijkend uit de overeenkomsten, verweerster. De overeenkomst vermeldt dat de geldleningen zijn verstrekt door de Lender (verzoeksters) aan de Borrower (verweerster). Hieruit volgt dat de primaire rechtsverhouding ter zake van de lening bestaat tussen de Lender en de Borrower. Hoewel in de overeenkomst tevens is opgenomen dat de Subborrower gehouden is tot betaling van rente en aflossing, is niet gebleken dat daarmee is beoogd een rechtstreekse verbintenis tussen de Lender en de Subborrower in het leven te roepen. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die om een dergelijke afwijkende uitleg vragen. Nu ook voldoende is gebleken dat de leningen opeisbaar zijn, staat het onbetaald laten van opeisbare vorderingen (en daarmee ook de pluraliteit van schuldeisers) summierlijk vast.
De rechtbank moet verder beoordelen of verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Hiervan is volgens de rechtbank sprake. Uit het verweer van verweerster volgt dat zij op dit moment onvoldoende liquide middelen heeft en bezig is met een herstructurering. De rechtbank concludeert hieruit dat verweerster op dit moment geen liquide middelen heeft om aan verzoeksters te betalen.
De rechtbank oordeelt derhalve dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeksters en van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert te zijn opgehouden met betalen, zodat het verzoek tot faillietverklaring dient te worden toegewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- verklaart [verweerster] . voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C Franken, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. A. Ammerlaan, advocaat te Dordrecht;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
mr. J.J.P. van Wieringen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026
te 10:00 uur.