RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
Uitspraak van 3 april 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te geheim adres,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 13 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 13 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 27 maart 2026.
Ter zitting van 27 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
[verweerster] , gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomsten uit onderneming. Verzoeker heeft de afgelopen tijd de lopende huurtermijnen niet kunnen betalen. Enerzijds kwam dit doordat een aantal van zijn debiteuren in staat van faillissement zijn verklaard. Anderzijds vanwege privéomstandigheden. Verzoeker heeft op dit moment voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur bedraagt € 1.059,10 per maand. De huurtermijn van maart 2026 is, weliswaar te laat, op 3 maart 2026 betaald. De huurtermijn van april 2026 zal tijdig worden betaald. Daarnaast zal verzoeker zijn inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor ook voldoende is gewaarborgd dat lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 18 februari 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 december 2020 ten uitvoer kan leggen.
De titel op grond waarvan verweerster nu de ontruiming heeft aangezegd, is al meer dan vijf jaar oud. Daarna heeft verzoeker zijn huur lange tijd regulier voldaan. Gebleken is dat de privéomstandigheden van verzoeker en het feit enkele belangrijke klanten hun rekeningen niet meer konden betalen, het afgelopen jaar (opnieuw) hebben geleid tot achterstanden in de betaling van de huurtermijnen. Naar het oordeel van de rechtbank is echter voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen inmiddels weer kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van maart 2026 is op 3 maart 2026, betaald. Ook heeft verzoeker ter zitting stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de er voldoende inkomsten zijn om de komende tijd de lopende huurtermijnen te betalen. Daarnaast zal verzoeker zijn inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van schuldhulpverlening, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen in het vervolg tijdig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening zal ook een minnelijk traject opstarten voor verzoeker, waarbij beoogd wordt om binnen afzienbare termijn aan alle schuldeisers een aanbod te doen om tot sanering van de schulden te komen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij bereid is om in loondienst te gaan werken, indien uit het lopende levensvatbaarheidsonderzoek blijkt dat zijn onderneming niet meer levensvatbaar is.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker naar het oordeel van de rechtbank zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 december 2020 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker (wonende op een bij de deurwaarder bekend geheim adres), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 13 maart 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.