RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraak van 3 april 2026
In de zaak van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 11 maart 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 27 maart 2026.
Ter zitting van 27 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
Op 27 maart 2026 heeft verweerster aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
Op 27 maart 2026 heef de advocaat van verzoeker aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit een ziektewet-uitkering van € 1.457,05 per maand. De huurtermijn van maart 2026 is, weliswaar te laat, op 3 maart 2026 betaald. De huurtermijn van april 2026 is tijdig voldaan. Daarnaast zal budgetbeheer (en indien nodig beschermingsbewind) bij Stichting Nieuw Vaarwater worden opgestart, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen ook tijdig betaald zullen worden.
3. Het verweer
Er is sprake van een huurachterstand van 21 maanden. Verzoeker is daarmee langdurig tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting. De huurachterstand is ontstaan door een toerekenbare tekortkoming. Verweerster vindt een ontruiming dan ook gerechtvaardigd. Verweerster heeft er onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker gedurende de termijn van de voorlopige voorziening wel de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 maart 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 maart 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 februari 2026 ten uitvoer kan leggen.
Verzoeker is langdurig zijn huurverplichtingen niet nagekomen richting verweerster, waardoor er een hoge huurachterstand is ontstaan. Ter zitting is toegelicht dat deze tekortkoming is ontstaan toen verzoeker in 2024 zijn baan en twee naasten in korte tijd verloor. Verzoeker kampt daarnaast met ADHD en depressies. Mede daardoor heeft het lang geduurd voordat hij bij (schuld)hulpverlening terecht is gekomen, terwijl het ook van de zijde van verweerster lange tijd stil is gebleven. Ter zitting is voorts aangegeven dat verzoeker er nu alles aan wil doen om uit de schulden te komen. Hij heeft hulp gezocht bij een psycholoog en is bezig met een re-integratietraject via het UWV. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de huurschuld zo hoog is opgelopen, in dit geval onvoldoende reden is om het verzoek reeds af te wijzen. Het moratorium is blijkens de wetsgeschiedenis ook mede bedoeld om de goede trouw van verzoeker bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden (in het kader van een minnelijk traject) meer gefundeerd te laten blijken.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voorts voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen inmiddels weer kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijn van maart 2026 is op 3 maart 2026 (weliswaar enkele dagen te laat) betaald. De huurtermijn van april 2026 is tijdig betaald. Er is inmiddels budgetbeheer bij de Stichting Nieuw Vaarwater opgestart, waarmee ook in de toekomst voor de tijdige betaling van de huurtermijnen zal worden zorggedragen. De factuur van de servicekosten over 2025 is weliswaar nog niet betaald, maar deze is pas op 11 maart 2026 verzonden (toen het onderhavige verzoek al was ingediend). Gebleken is voorts dat verzoeker nog meer schuldeisers heeft, en dat hij via de Stichting Nieuw Vaarwater een schuldhulpverleningstraject zal starten. Het doel daarvan is te komen tot een minnelijk aanbod aan alle schuldeisers, en daarmee tot een duurzame oplossing voor alle schulden.
Ter zitting is in het kader van het voorgenomen minnelijk traject besproken dat van belang is dat dit traject wordt uitgevoerd door een bevoegde partij. Op grond van artikel 287b lid 3 Fw in verbinding met artikel 287a lid 7 Fw is het voorliggende moratoriumverzoek niet toewijsbaar indien niet aannemelijk is dat er een minnelijk traject zal worden uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het Consumentenkrediet (Wck). Die bepalingen dienen naar het oordeel van de rechtbank te worden geduid in het licht van hun aard en achtergrond. Beoogd is om gedurende het moratorium (ex artikel 287b Fw) een minnelijk traject af te ronden zoals bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw. Als het minnelijk traject niet slaagt, kan daarna een Wsnp-verzoek (ex artikel 284 Fw) of een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord (ex artikel 287a Fw) worden ingediend. Tegen deze achtergrond dient te worden aangenomen dat het minnelijk traject dat zal volgen op een moratoriumverzoek (of dat moet worden afgerond gedurende een moratoriumverzoek) moet worden uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid onder b, c of d van de Wck (overeenkomstig artikel 285 lid 1 sub f Fw).
In dit kader is ter zitting betoogd dat hiervan sprake is, nu de Stichting Nieuw Vaarwater ook werkzaamheden als beschermingsbewindvoerder uitoefent. Op dit moment is echter nog niet duidelijk of de Stichting Nieuw Vaarwater daadwerkelijk als beschermingsbewindvoerder van verzoeker zal optreden. Indien de Stichting Nieuw Vaarwater niet als beschermingsbewindvoerder voor verzoeker optreedt, is het de vraag of de schuldbemiddeling door de Stichting Nieuw Vaarwater voldoet aan het vereiste van artikel 287b lid 3 Fw (in verbinding met artikel 287a lid 7 Fw). Verzoeker heeft ter zitting echter ook aangegeven open te staan voor beschermingsbewind en dat deze optie nog wordt onderzocht. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het in dit geval niet op voorhand onaannemelijk dat het minnelijk traject dat voor verzoeker zal worden gestart, zal voldoen aan de eisen van artikel 287b lid 3 Fw in verbinding met artikel 287a lid 7 Fw. Om die reden ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding het verzoek reeds af te wijzen op die grondslag. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat, indien het minnelijk traject niet slaagt en er een Wsnp-verzoek of een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt ingediend, de rechtbank alsnog zal toetsen of het minnelijke traject daadwerkelijk is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck (een en ander tegen de achtergrond zoals hiervoor geschetst).
Alles afwegend (en mede nu de betaling van de huurtermijnen weer gewaarborgd is) is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoeker om een periode de tijd te krijgen om tot een oplossing voor zijn schuldenproblematiek te komen, op dit moment toch zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 februari 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 12 maart 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.