[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [persoon A] ).
Inleiding
1. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 aan het UWV gevraagd om zijn recht op een Ziektewetuitkering per 15 november 2025 te beoordelen. Het UWV heeft nog niet op deze aanvraag beslist. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
5. Verzoeker voert aan dat hij arbeidsongeschikt is en niet kan werken. Hij stelt dat hij geen inkomsten heeft en daarom een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Het UWV heeft in het verweerschrift aangevoerd dat verzoeker volgens Suwinet sinds september 2025 een bijstandsuitkering ontvangt. De rechtbank heeft verzoeker daarom op 18 maart 2026 gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten door middel van een overzicht van zijn inkomsten en vaste lasten. Omdat er geen reactie is gekomen op deze brief, heeft de rechtbank op 1 april 2026 nogmaals aan verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Er is wederom geen reactie van verzoeker ontvangen.
6. Gelet op de informatie van het UWV gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verzoeker inmiddels een bijstandsuitkering ontvangt. Hiermee kan hij in zijn levensonderhoud voorzien. Verzoeker heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij hiermee niet rond kan komen.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak
te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: