proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
17 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser en
[eiseres] , eiseres, uit [woonplaats] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. M. El Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de eerste maand huur. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag.
Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 19 juni 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met een besluit van 7 oktober 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het college terecht de aanvraag van eisers om bijzondere bijstand voor de eerste maand huur heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de eerste maand huur terecht afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). In dat artikel is bepaald dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen. Eisers hebben de eerste huurnota betaald op 25 april 2025 in de middag (15.35 uur). Op 25 april 2025 om 17.33 uur hebben eisers een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de eerste huurnota ingediend. Op het moment van de aanvraag waren er geen daadwerkelijke kosten meer, omdat er al in de kosten was voorzien. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet hierop behoeft het betoog van eisers dat sprake is van bijzondere omstandigheden geen bespreking meer.
Het betoog van eisers dat het college geen rekening houdt met een feitelijke situatie van dwang, slaagt niet. Anders dan eisers menen, is er volgens de rechtbank voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel geen ruimte, gezien het verplichtende karakter van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Overigens hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet voorafgaand aan de betaling van de eerste huur een aanvraag om bijzondere bijstand in konden dienen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat eisers ook een onvolledige aanvraag konden indienen voor het geval dat de exacte huurhoogte nog niet bekend was op het moment van de aanvraag. Verder hebben eisers zelf ook toegelicht dat zij, na het aangaan van de huurovereenkomst, een aantal dagen hadden om de eerste maand huur te voldoen. De aanvraag voor bijzondere bijstand had op dat moment nog kunnen worden aangevuld.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Er bestaat geen aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten van eisers. Evenmin krijgen zij hun griffierecht terug.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.