[naam verzoekster] , verzoekster
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. Z. Apachi en mr. A.M.H. Dellaert).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Verzoekster heeft dit verzoek ingediend hangende het bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoekster is in november 2025 met drie van haar vijf kinderen (15, 6 en 5 jaar oud) vanuit Curaçao naar Nederland gekomen. Verzoekster hoopt in Nederland werk te vinden, maar is hier ook naartoe gekomen voor de voetbalcarrière van haar zoon (12) die nog bij zijn peettante op Curaçao verblijft. Haar oudste kind (25) woont zelfstandig op Curaçao.
Op Curaçao heeft verzoekster ongeveer elf jaar voor de klantenservice van een telecomprovider gewerkt. Toen het bedrijf twee jaar geleden failliet ging is zij ontslagen. Ondanks dat verzoekster een ICT-opleiding op niveau 4 heeft afgerond en een HBO-opleiding (marketing en ICT) heeft gevolgd, die zij weliswaar niet heeft afgerond, is het haar in die twee jaar niet gelukt om weer een vaste baan op Curaçao te vinden. Zij heeft alleen tijdelijke baantjes gehad via een uitzendbureau. Zij heeft geleefd van de transitievergoeding (€ 22.000,-) die haar bij het ontslag is toegekend.
Sinds haar komst naar Nederland heeft verzoekster bij verschillende personen in huis verbleven, samen met haar kinderen. Aanvankelijk verbleef zij bij een kennis van een vriendin. Als tegenprestatie zorgde zij voor de vijf kinderen van die kennis. Toen de zorg voor de kinderen te zwaar werd is verzoekster weggegaan. Vervolgens heeft zij in de woning van een andere kennis verbleven. Daar is zij weggegaan omdat zij de (hogere) huur niet langer kon betalen. Hierna heeft zij via weer een andere kennis een kamer gevonden. Vanwege de kinderen kon zij daar niet lang(er) blijven.
Op 27 februari 2026 heeft verzoekster zich gemeld bij Centraal Onthaal voor toelating tot de maatschappelijke opvang.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat uit het onderzoek bij de intake naar voren is gekomen dat verzoekster in staat is zichzelf op eigen kracht, met gebruikelijke voorzieningen, met mantelzorg en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in onderdak voor haarzelf en haar kinderen te voorzien.
4. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij vindt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij in staat is zich op eigen kracht met gebruikelijke voorzieningen en met hulp vanuit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving en zelf in haar onderdak te voorzien. Dit blijkt al uit het feit dat zij momenteel in de noodopvang verblijft. Verzoekster heeft met haar kinderen opvang gekregen in de Pauluskerk en via het Rode Kruis. Deze opvang is echter tijdelijk van aard en kan ieder moment eindigen. Verzoekster beschikt, anders dan het college stelt, niet over een sociaal netwerk om op terug te vallen voor hulp en (meer) structurele opvang en staat daarom feitelijk met haar kinderen op straat. Daarbij heeft het college zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen. Verzoekster beroept zich in dit verband op artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft het college bij gezinnen met minderjarige kinderen een verzwaarde motiveringsplicht. Alsook de verplichting om feitelijke opvang te waarborgen indien sprake is van acute dakloosheid.
Spoedeisend belang
5. Het spoedeisend belang is volgens verzoekster gelegen in het feit dat zij met drie minderjarige kinderen in een situatie van acute dakloosheid dreigt te verkeren. Het Rode Kruis was bereid verzoekster op te vangen tot en met de datum van de zitting (19 maart 2026). Vanaf 20 maart 2026 (om 10.00 uur) staat verzoekster feitelijk met haar kinderen op straat. Daarom kan zij de beslissing op bezwaar niet afwachten. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Uit de journaalregels en het Formulier intake Centraal Onthaal (intakeformulier) van 27 februari 2026 volgt dat het college in het kader van de Wmo 2015 een onderzoek heeft uitgevoerd en daarbij de hulpvraag van verzoekster heeft vastgesteld. Verzoekster heeft aangegeven dat zij ondersteuning wenst bij het regelen van huisvesting.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Wmo 2015 met name is bedoeld voor mensen die niet zelfredzaam zijn. Dat betekent dat iemand die feitelijk geen onderdak heeft, niet alleen al om die reden voor een maatwerkvoorziening, zoals de maatschappelijke opvang, in aanmerking komt. Verder maakt het feit dat voor verzoekster en haar kinderen nog het een en ander geregeld moet worden (zoals huisvesting, een inkomen, een briefadres en een BSN-nummer) en dat verzoekster daarbij wel hulp kan gebruiken, op zichzelf nog niet dat verzoekster niet zelfredzaam is. De voorzieningenrechter moet, volgens vaste rechtspraak, beoordelen of het huisvestingsprobleem wordt veroorzaakt doordat verzoekster zich niet kan handhaven in de samenleving.
Het college heeft op basis van het onderzoek van 27 februari 2026 het standpunt ingenomen dat verzoekster voldoende zelfredzaam is. Volgens het college beschikt verzoekster over voldoende vaardigheden om haar dagelijks functioneren zelfstandig te organiseren. Zij heeft op Curaçao een goede opleiding genoten en een goede baan gehad. Zij heeft na haar ontslag zelfstandig naar werk gezocht en ook, zij het tijdelijk, werk gevonden. Verder heeft zij zelfstandig de reis naar Nederland geregeld voor haarzelf en de kinderen. In Nederland heeft zij, al dan niet met hulp van derden, onderdak kunnen regelen, een briefadres en een BSN-nummer aangevraagd, zich ingeschreven bij Woonnet Rijnmond voor een woning, een school voor de twee jongste kinderen geregeld en (toen dat nodig was) de leerplichtambtenaar ingeschakeld.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het college bij de huidige stand van zaken, zoals die uit de stukken naar voren komt, het standpunt inneemt dat bij verzoekster sprake is van voldoende zelfredzaamheid. Tegelijkertijd heeft verzoekster op de zitting gesteld dat haar situatie, zoals beschreven op het intakeformulier, niet goed is weergegeven. Omdat verzoekster de Nederlandse taal niet goed machtig is – hetgeen de voorzieningenrechter op de zitting ook zelf heeft geconstateerd – heeft zij haar verhaal niet goed naar voren kunnen brengen. Daarbij heeft verzoekster op de zitting naar voren gebracht dat ook sprake is van schulden en van psychosociale problematiek bestaande uit, in ieder geval, behandeling door een psycholoog van haar oudste dochter. Deze dochter gaat niet naar school. Verzoekster meent daarom dat er wel degelijk sprake is van multi-problematiek. Dit heeft verzoekster niet met stukken onderbouwd. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dit verzoekster niet zonder meer kan worden verweten. Verzoekster wordt inmiddels bijgestaan, maar door een niet-professioneel rechtsbijstandverlener.. De voorzieningenrechter begrijpt dat het verzoekster noch haar gemachtigde op voorhand duidelijk was dat verzoekster haar stellingen over het bestaan van psychosociale problematiek en multi-problematiek, en verzoekster niet zelfredzaam is, met stukken had moeten onderbouwen. Daarbij weegt voor de voorzieningenrechter ook mee dat in deze procedure drie minderjarige kinderen zijn betrokken, waarvan één dochter met de gestelde psychische problemen, die nu mogelijk als gevolg van het bestreden besluit op straat komen te staan.
De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding voor toewijzing van het verzoek en voor het treffen van de hiernavolgende voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het besluit van 27 februari 2026 en treft de voorlopige voorziening dat verzoekster tot de maatschappelijke opvang wordt toegelaten, met ingang van 19 maart 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Daarbij draagt de voorzieningenrechter verzoekster op om de gestelde psychosociale problematiek en multi-problematiek binnen een termijn van twee weken met stukken te onderbouwen, zodat het college deze stukken in de heroverweging in bezwaar kan meenemen. De voorzieningenrechter benadrukt hierbij dat het vooralsnog slechts gaat om een tijdelijke oplossing, in afwachting van de door verzoekster aan te leveren stukken en de beslissing op bezwaar. De uitkomst van het onderzoek in bezwaar kan nog steeds zijn dat door het gezin niet wordt voldaan aan de criteria voor maatschappelijke opvang. Het is daarom aan te raden dat verzoekster – met hulp van haar gemachtigde – op zoek blijft gaan naar passende eigen woonruimte.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden.
11. Omdat verzoekster in deze procedure niet is bijgestaan door een professionele gemachtigde bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: