RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1473
(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van verzoekers aanvraag voor toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verzoeker is het met de afwijzing niet eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af en volgt daarbij het standpunt van het college dat verzoeker geen regiobinding heeft met Rotterdam en een grotere kans maakt op een succesvol traject in zijn herkomstgemeente Haarlem.
Procesverloop
1. Verzoeker (1985) heeft op 4 februari 2026 een aanvraag gedaan voor toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker is vanuit Haarlem naar Rotterdam gekomen en heeft zich op 4 februari 2026 bij Centraal Onthaal (CO) gemeld met een opvangvraag. Tijdens het intakegesprek heeft verzoeker verklaard dat hij graag in Rotterdam wil verblijven omdat hij zich in Haarlem niet langer veilig voelde, vanwege problemen met een crimineel netwerk. Verzoeker was in Haarlem eveneens dakloos, met een slechte reputatie. Hij had een bijstandsuitkering maar deze is hij kwijtgeraakt, evenals zijn identiteitsdocument(en) en zijn rijbewijs. Verzoeker heeft van het verlies van deze documenten aangifte gedaan bij de politie. Voor zijn komst naar Rotterdam heeft verzoeker korte tijd in een andere gemeente verbleven. Hij verblijft inmiddels enkele weken in Rotterdam en heeft tijdelijk in de winteropvang overnacht. Verzoeker stelt werk te hebben gevonden in Rotterdam en binnenkort bij een baas aan de slag te kunnen gaan. Verzoeker heeft geen sociaal netwerk in Rotterdam. Wel beschikt hij over een briefadres.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft de aanvraag om toelating tot de maatschappelijk opvang afgewezen omdat verzoekers herkomstgemeente Haarlem geen deel uitmaakt van de Rotterdamse regio. Verzoeker heeft dus geen regiobinding met Rotterdam en maakt een grotere kans op een succesvol traject in de (centrum)gemeente Haarlem. Verzoeker wordt afgewezen op de landelijke toegang.
4. Verzoeker is het hier niet mee eens en wil met zijn verzoek bereiken dat hij wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang in (de regio) Rotterdam, totdat op zijn bezwaar is beslist. Daartoe voert verzoeker aan dat hij dakloos is en in hulpbehoevende omstandigheden verkeert. Verzoeker betwist dat hij in Haarlem meer kans maakt op een succesvol traject. Vanwege zijn (criminele) verleden is het voor verzoeker niet veilig in Haarlem. Ook heeft hij daar een aantal traumatische ervaringen opgedaan. Er is sprake van een negatief sociaal netwerk in Haarlem, wat de kans op een succesvol traject juist verkleint. Verzoeker wil hier afstand van nemen en in Rotterdam met een schone lei beginnen. Het college had dit moeten meewegen in het onderzoek naar landelijke toegang. Daarbij betwist verzoeker dat hij geen regiobinding heeft met Rotterdam. Hij heeft inmiddels werkgevers benaderd en die zijn bereid hem in dienst te nemen. Verzoeker heeft ook een briefadres in Rotterdam kunnen regelen.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
Verzoeker heeft in Rotterdam in de winteropvang verbleven. Op de zitting is door het college naar voren gebracht dat de winteropvang maximaal vier weken duurt. Dit zou kunnen betekenen dat verzoeker op dit moment niet meer tot de winteropvang wordt toegelaten. Het is de gemachtigde van verzoeker en het college niet bekend waar verzoeker op dit moment verblijft. Verzoeker heeft een drugsverleden, wat hem een kwetsbare persoon maakt die mogelijk niet heel zelfredzaam is. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Op deze uitspraak is het juridisch kader van toepassing zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
8. In de Wmo 2015 is bepaald dat beschermd wonen en opvang worden verstrekt door de gemeente waartoe een aanvrager zich wendt. Dit noodzaakt tot landelijke afspraken tussen gemeenten over de wijze waarop hiermee mee omgegaan moet worden. Afspraken rondom de landelijke toegankelijkheid zijn tot stand gekomen op basis van een Convenant van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Hierbij zijn beleidsregels vastgesteld inzake de landelijke toegankelijkheid voor opvang en beschermd wonen op basis van de Wmo 2015. Deze afspraken zijn door de gemeente Rotterdam verwerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 (beleidsregels). Artikel 4.4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025 legt de juridische basis voor deze beleidsregels.
9. In de beleidsregels is, kortgezegd, bepaald dat, indien is vastgesteld dat de aanvrager van opvang vóór het ontstaan van dakloosheid woonachtig was in een gemeente in een andere opvangregio, onderzocht wordt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, en daarmee het duurzaam herstel van de aanvrager. Bij dit onderzoek wordt in elk geval betrokken:
de voorkeur van de aanvrager van opvang, de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie en vrienden);
de aanwezigheid van bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de aanvrager (of van diens meekomende minderjarige kinderen), lopende hulpverlenings- zorg- of ondersteuningstrajecten en de aanwezigheid van een sociaal netwerk met een negatieve invloed.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt stelt dat verzoeker de grootste kans van slagen heeft op een succesvol traject en op duurzaam herstel in zijn herkomstgemeente, Haarlem. Het college heeft op basis van brp-onderzoek vastgesteld dat verzoeker een langdurig woonverleden heeft in Haarlem. Verzoeker heeft zelf verklaard dat hij in Haarlem hulp en een bijstandsuitkering heeft gehad. Dit maakt dat verzoeker bijzonder sterke banden heeft met deze gemeente. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat het voor hem vanwege zijn gestelde criminele verleden, zijn vermeende slechte reputatie en zijn gestelde connecties met bepaalde (criminele) personen niet veilig is in Haarlem. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt, zoals een aangifte van bedreiging of een verklaring van de politie. Het college heeft daarom niet op voorhand hoeven aannemen dat een hulptraject in de gemeente Haarlem al om die redenen niet succesvol zal zijn.
11. Verzoeker heeft evenmin onderbouwd dat bij hem sprake is van een sterke(re) binding met de gemeente en regio Rotterdam. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd, zoals een arbeidscontract, waaruit blijkt dat hij contact heeft gehad met (potentiële) werkgevers en concreet zicht heeft op betaalde arbeid. Daarbij is niet gebleken dat verzoeker in Rotterdam over een (positief) sociaal netwerk beschikt. Al daarom heeft het college niet hoeven aannemen dat de kans op een succesvol traject groter is in Rotterdam dan in Haarlem. Wel heeft de gemachtigde van het college op de zitting gezegd dat, mocht verzoeker in bezwaar alsnog met documenten komen die zijn stellingen onderbouwen, het standpunt van het college wellicht anders kan komen te liggen.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen maatschappelijke opvang krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: juridisch kader
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 1.2.1, aanhef en onder c
Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025
Artikel 4.1 Criteria voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang
1. Het recht op maatschappelijke opvang wordt namens het college vastgesteld door Centraal Onthaal.
2. Een ingezetene van Nederland komt in aanmerking voor maatschappelijke opvang wanneer deze dakloos is, dan wel de thuissituatie heeft verlaten en voor zover de cliënt niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen te handhaven in de samenleving en zijn problemen te verminderen.
3. De maatschappelijke opvang bestaat uit onderdak en basis op orde begeleiding.
4. De verblijfsduur in de maatschappelijke opvang bedraagt maximaal drie maanden.
5. In afwijking van het vierde lid is verlenging van de verblijfsduur mogelijk wanneer uitstroom nog niet mogelijk is.
Artikel 4.4. Landelijke toegankelijkheid
1. Op een aanvraag voor opvang als bedoeld in artikel 4.1 (…) wordt de landelijke toegankelijkheid betrokken in het onderzoek.
2. In het onderzoek ten behoeve van de aanvraag wordt onderzocht in welke gemeente de client de grootste kans van slagen heeft op duurzaam herstel.
3. Indien wordt vastgesteld dat de client, voor het ontstaan van dakloosheid, woonachtig was in een gemeente in een andere regio, kan de uitvoering van het onderzoek worden overgedragen aan deze gemeente.
Artikel 4.4 is nader uitgewerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025:
5.2.5 Landelijke toegankelijkheid
(…)
Onderzocht wordt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft en het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, en daarmee het duurzaam herstel van de cliënt. Bij het onderzoek wordt in elk geval betrokken: