RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/1347
wettelijk vertegenwoordigd door: W. van Stuwe h.o.d.n. ProPitio, bewindvoerder
(gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes),
en
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken omdat verzoekster geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 1 maart 2025. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
2. Verzoekster (1973) is geboren in Letland en heeft de Letse nationaliteit. Verzoekster is naar Nederland gekomen om te werken. In meerdere perioden had zij rechtmatig verblijf in Nederland als gemeenschapsonderdaan. Verzoekster heeft een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk van 23 november 2023 tot en met 28 februari 2025.
Op 23 februari 2025 ontving het college vanuit de basisregistratie personen (brp) het signaal dat verzoekster ‘verblijfscode 41’ heeft. Verblijfscode 41 betekent dat het verblijfsrecht van verzoekster is beëindigd. Hierdoor is bij het college het vermoeden ontstaan dat verzoekster geen recht (meer) heeft op een bijstandsuitkering. Het college heeft de uitbetaling van de bijstandsuitkering daarom vanaf 1 maart 2025 geblokkeerd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 12 augustus 2025 (ROT 25/5584) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.
Met het besluit van 11 december 2025 heeft het college het bezwaar tegen de blokkering ongegrond verklaard. Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep (ROT 25/10309) ingesteld en de voorzieningenrechter wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen (ROT 25/10311). De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen met de uitspraak van 3 februari 2026 (ECLI:NL:RBROT:2026:1447). Het beroep (ROT 25/10309) loopt nog, een zittingsdatum is nog niet bepaald.
Waar gaat deze zaak om?
3. Het college heeft de bijstandsuitkering met het besluit van 3 december 2025 ingetrokken met ingang van 1 maart 2025, omdat verzoekster (in ieder geval) vanaf die datum niet langer beschikt over een geldige verblijfstitel die recht geeft op bijstand.
De periode in geding is daarom de periode van 1 maart 2025 tot 3 december 2025.
4. Verzoekster is het met dit besluit niet eens en wil met haar verzoek bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat haar met ingang van 1 maart 2025 weer bijstand wordt toegekend (tot op het bezwaar is beslist).
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter dient daarom eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Het verzoek heeft betrekking op de intrekking van een bijstandsuitkering, een vangnetvoorziening. Een dergelijk verzoek is naar zijn aard spoedeisend, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Niet in geschil is dat verzoekster sinds 1 maart 2025 geen bijstand meer heeft ontvangen. Hierdoor zijn betalingsachterstanden ontstaan. Er is onder meer sprake van een huurschuld. Een lopend schuldhulptraject kan door de nieuwe betalingsachterstanden mogelijk niet worden voltooid. De voorzieningenrechter neemt daarom het spoedeisend belang in deze zaak wel aan en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Afbakening van het geschil
7. Verzoekster refereert in haar verzoekschrift aan twee besluiten. Het verzoek strekt echter tot schorsing van het besluit waarbij de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2025 is ingetrokken. Dit betreft (alleen) het besluit van 3 december 2025. Het besluit van 11 december 2025 ligt hier daarom niet (tevens) ter beoordeling voor.
Bekendmaking bestreden besluit en ontvankelijkheid bezwaar
8. De voorzieningenrechter kan verzoekster niet volgen in de stelling dat het besluit van 3 december 2025 niet op juiste wijze bekend is gemaakt. Het besluit is gericht aan verzoekster, met vermelding van het postadres van de bewindvoerder. Omdat verzoekster onder financieel bewind staat en het bestreden besluit financiële gevolgen voor haar heeft, heeft het college het besluit, geheel volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek, terecht naar de bewindvoerder gestuurd. Verzoekster heeft tijdig van het besluit kennis kunnen nemen, hetgeen al blijkt uit het feit dat zij daartegen tijdig bewaar heeft gemaakt.
Mocht het college uitgaan van de datum van 1 maart 2025?
9. Iedere Nederlander die in Nederland woont en die niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand. Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere hier te lande woonachtige vreemdelingen voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld.
10. In artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw is bepaald dat een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Een regeling als bedoeld in deze bepaling is onder meer Richtlijn 2004/38/EG (de Richtlijn). De Richtlijn is in nationale wet- en regelgeving geïmplementeerd en nader uitgewerkt.
11. Volgens vaste rechtspraak mag het college uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de minister van Asiel en Migratie (de minister) om te beoordelen of vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven. Het college heeft op 14 juli 2025, 30 september 2025 en 3 december 2025 navraag gedaan bij de IND over de verblijfsrechtelijke status van verzoekster. De IND heeft op 15 juli 2025, 1 oktober 2025 en 3 december 2025 gereageerd. Volgens de informatie van de IND staat verzoekster sinds 18 november 2014 geregistreerd met verblijfscode 41 (geen rechtmatig verblijf). Desalniettemin heeft verzoekster na die datum nog in beperkte periodes verblijfsrecht heeft gehad op grond van de Richtlijn, als economisch actieve gemeenschapsonderdaan. In de periode vanaf 1 maart 2025 tot 3 december 2025, zijnde de periode in geding, heeft verzoekster geen rechtmatig verblijf (als gemeenschapsonderdaan) meer gehad.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college zich met de informatie van de IND op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster vanaf (in ieder geval) 1 maart 2025 niet langer beschikt over een geldige verblijfstitel die recht geeft op bijstand. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom voor de specifieke datum van 1 maart 2025 is gekozen. Op 23 februari 2025 heeft het college vanuit de brp het signaal ontvangen dat de verblijfscode van verzoekster was gewijzigd naar code 41. De bijstand over de maand februari 2025 was op dat moment echter al aan verzoekster uitbetaald. Het college heeft er daarom, in het voordeel van verzoekster, voor gekozen om de betaling van de uitkering pas vanaf 1 maart 2025 stop te zetten. De voorzieningenrechter acht deze handelwijze niet kennelijk onredelijk of willekeurig.
Had het college rechtmatig verblijf op of na 1 maart 2025 moeten aannemen?
13. Verzoekster heeft op 25 augustus 2025 een aanvraag gedaan voor toetsing van haar verblijfsrecht aan het EU-recht. Naar aanleiding van deze aanvraag is de verblijfscode gewijzigd naar code 30. Met het besluit van 7 november 2025 heeft de minister de aanvraag niet in behandeling genomen en is de verblijfscode weer teruggezet naar code 41. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in de stelling dat in de periode tussen 25 augustus en 7 november 2025 sprake was van een verblijfstitel die recht geeft op bijstand. Een aanvraag om toetsing aan het EU-recht is geen aanvraag als bedoeld in artikel 14 of artikel 20 van de Vw en levert daarom geen rechtmatig verblijf op als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of g, van de Vw en artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw. Het bezwaar van verzoekster tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag om toetsing aan het EU-recht levert niet alsnog rechtmatig verblijf op, al omdat dit bezwaar op zichzelf geen schorsende werking heeft.
14. Uit de informatie van de IND volgt dat verzoekster na de verblijfsbeëindiging per 18 november 2014 nog gedurende (beperkte en afwisselende, niet aaneengesloten) perioden rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan heeft gehad. Voor zover verzoekster stelt dat zij sindsdien een doorlopend verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft gehad, omdat het verblijfsrecht nooit expliciet is ingetrokken, geldt dat het rechtmatig verblijf van een Unieburger van rechtswege eindigt indien deze niet langer voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Voor zover verzoekster stelt dat de perioden waarin zij arbeidsongeschikt was ten onrechte niet door de IND bij de vaststelling van het rechtmatig verblijf zijn meegenomen, geldt dat het aan de minister/IND is om daarover te beslissen. Verzoekster zal zich hiervoor dus tot de IND moeten wenden. Verzoekster heeft de minister bij haar verblijfsaanvraag op 25 augustus 2025 verzocht de verblijfsbeëindiging van 18 november 2024 te herzien. Zij kan haar gronden in zoverre in die procedure naar voren brengen. Het college heeft vooralsnog mogen uitgaan van de informatie van de IND zoals hiervoor bij 11. genoemd.
15. Dat de Dienst Toeslagen ondanks ‘verblijfscode 41’ wel is overgegaan tot het toekennen van toeslagen aan verzoekster, betekent niet dat het college niet mocht uitgaan van de informatie van de IND.
Conclusie en gevolgen
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen bijstandsuitkering krijgt, of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: