Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-219923-25
Datum uitspraak: 16 januari 2026
Datum zitting: 2 januari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentielocatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. L. Klewer
Officier van justitie: mr. E.M. ter Braak
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Kern van het vonnis
De verdachte bekent dat hij drie straatroven en twee pogingen daartoe heeft gepleegd. De feiten kunnen hem, vanwege een psychotische stoornis, in verminderde mate worden toegerekend. Verder wordt bij de strafoplegging rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Vanwege de psychische problematiek van de verdachte wordt een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd, met bijzondere voorwaarden die zien op (ambulante) behandeling van de verdachte.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – drie mensen op straat heeft bestolen en twee mensen heeft geprobeerd te bestelen, steeds onder bedreiging van een mes.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
1hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te wetenhet Beatrixpark, een ketting en/of een hangertje van een ketting, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welkediefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreigingmet geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 1] te tonen en/of- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen: ”Geef die ketting” en/of “geef je ketting of ik maak je dood” en/of “ik maak geen grappen” en/of “je weet niet wie ik ben”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Schiedam, op of aan de openbare weg, te wetenhet Beatrixpark, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om eenketting in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk gevalaan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 1] te tonen en/of- tegen die [slachtoffer 1] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen:” Geef die ketting” en/of “geef je ketting of ik maak je dood” en/of “ik maak geen grappen” en/of “je weet niet wie ik ben”, in ieder geval woorden van dreigende gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten dePrinses Beatrixlaan, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 2] te tonen en/of te richten en/of- tegen die [slachtoffer 2] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen: ” Give me your phone”, ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te wetenhet Beatrixpark, een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3][slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] te lopen en/of achter na te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 3] te tonen en/of te richten en/of- af te tellen vanaf tien tot nul en/of- tegen die [slachtoffer 3] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen: ”Geef die tas ander steek ik je neer”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
5hij op of omstreeks 23 juli 2025 te Schiedam, op de openbare weg, te weten de Burgvan Haarlenlaan, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 4] te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 4] te tonen en/of- stekende en/of zwaaiende bewegingen in die richting van die [slachtoffer 4] te maken en/of- tegen die [slachtoffer 4] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen: ”Geef mij je telefoon anders pak ik een mes” ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6hij op of omstreeks 25 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten het Akkerpad, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:- het in de richting van voornoemde [slachtoffer 5] te lopen en/of (daarbij) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp aan voornoemde [slachtoffer 5] te tonen en/of- tegen die [slachtoffer 5] dreigend en/of dwingend te zeggen en/of te roepen: ”Stap af die kanker fiets en loop weg" en/of "Draai niet je hoofd", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1, 3, 4, 5 en 6 en dat hij moet worden vrijgesproken van feit 2. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5 en 6 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 4 is een verweer gevoerd dat niet ziet op de inhoud van de bewijsmiddelen. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte drie voltooide straatroven en twee pogingen daartoe heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en de inhoud van de bewijsmiddelen niet betwist. Daarom worden de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 1]
3. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 2]
4. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 3]
5. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 4]
6. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [slachtoffer 5]
Bewijsmotivering feit 4
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het handelen van de verdachte niet als een voltooide diefstal kan worden gekwalificeerd, omdat de verdachte, op het moment dat aangever zijn tas aan hem afgaf, niet meer (dreigend) naar de tas vroeg. De verdachte heeft de tas daarna ook weer teruggegooid naar aangever. De rechtbank gaat niet mee in dit verweer. Zoals de aangever heeft verklaard en de verdachte tijdens de zitting heeft bevestigd, heeft de aangever zijn tas aan de verdachte afgegeven nadat hij eerst meermaals door de verdachte werd bedreigd (met een mes) en door hem achterna werd gezeten toen aangever probeerde te vluchten. Daarop besloot de aangever zijn tas aan de verdachte te geven. De rechtbank beschouwt deze hele situatie als één doorlopende diefstal (met bedreiging) en dus niet als een poging daartoe. Het onder 4 ten laste gelegde kan daarom worden bewezen.
Vrijspraak feit 2
Het ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten het Beatrixpark, een ketting en een hangertje van een ketting, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:- in de richting van [slachtoffer 1] te lopen en (daarbij) een mes aan [slachtoffer 1] te tonen en
- tegen [slachtoffer 1] dreigend en dwingend te zeggen en te roepen: “Geef die ketting” en “geef je ketting of ik maak je dood” en “ik maak geen grappen” en “je weet niet wie ik ben”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 3
hij op 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten de Prinses Beatrixlaan, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan door en te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- in de richting van [slachtoffer 2] te lopen en (daarbij) een mes, aan [slachtoffer 2] te tonen en te richten en
- tegen [slachtoffer 2] dreigend en dwingend te zeggen en te roepen: “Give me your phone”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4
hij op 23 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten het Beatrixpark, een tas, die aan [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:
- in de richting van voornoemde [slachtoffer 3] te lopen en achter na te lopen en (daarbij) een mes, aan voornoemde [slachtoffer 3] te tonen en te richten en
- af te tellen vanaf tien tot nul en
- tegen die [slachtoffer 3] dreigend en dwingend te zeggen en te roepen: “Geef die tas anders steek ik je neer”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 5hij op 23 juli 2025 te Schiedam, op de openbare weg, te weten de Burg van Haarlenlaan, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon, die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,- in de richting van [slachtoffer 4] te lopen en (daarbij) een mes aan [slachtoffer 4] te tonen en- stekende en zwaaiende bewegingen in de richting van [slachtoffer 4] te maken en- tegen [slachtoffer 4] dreigend en dwingend te zeggen en te roepen: “Geef mij je telefoon anders pak ik een mes”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6hij op 25 juli 2025 te Schiedam op of aan de openbare weg, te weten het Akkerpad, een fatbike, die aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:- in de richting van [slachtoffer 5] te lopen en (daarbij) een mes aan [slachtoffer 5] te tonen en
- tegen [slachtoffer 5] dreigend en dwingend te zeggen en te roepen: “Stap af die kanker fiets en loop weg” en “Draai niet je hoofd”, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;
feit 3
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;
feit 4
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;
feit 5
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;
feit 6
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de bewezenverklaarde feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Deze straf moet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is niet eerder met justitie in aanraking geweest, neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen, en de feiten kunnen hem in verminderde mate worden toegerekend. Bovendien is de verdachte nog zeer jong en zou het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) moeten worden toegepast. De verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijk deel.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie straatroven waarbij hij met een mes heeft gedreigd en twee pogingen tot straatroof. Willekeurige slachtoffers werden op straat door de verdachte benaderd en gedwongen om hun ketting, telefoon, tas en fiets/fatbike af te geven. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de psychische en fysieke integriteit van de slachtoffers. Dergelijke misdrijven brengen in de samenleving onrust teweeg en veroorzaken bij slachtoffers voor lange tijd gevoelens van onveiligheid. Dat laatste blijkt ook uit de toelichting namens een van de slachtoffers op de zitting.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van psycholoog [persoon A] van 18 december 2025 staat het volgende. De verdachte heeft een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en deze was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Betrekkingswanen en hallucinaties hebben in aanloop naar en ten tijde van de feiten een rol gespeeld. Omdat er geen referenten zijn die de verdachte in aanloop naar of kort voor de feiten als heel psychotisch hebben gezien, valt een volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet te onderbouwen. Daarom adviseert de psycholoog de tenlastegelegde feiten in een ten minste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte moet behandeld worden, want als hij onbehandeld zou terugkeren in de maatschappij bestaat er een kans dat hij opnieuw ontregelt en strafbare feiten pleegt. De psycholoog denkt dat deze behandeling vanuit huis, dus ambulant, kan plaatsvinden omdat het risico op herhaling matig is, hij niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd en er nog niet eerder een ambulante behandeling plaats heeft gevonden. Naast de behandeling en diagnostiek ten aanzien van de psychotische problematiek moet er aandacht zijn voor de maatschappelijke (on)mogelijkheden van de verdachte. Er moet gezocht worden naar een passende dag- en vrijetijdsbesteding en mogelijke scholing, indien de psychische gesteldheid en de cognitieve mogelijkheden dit toelaten. Voornoemde behandeling en begeleiding zijn naar het oordeel van de psycholoog vorm te geven als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Binnen de proeftijd kan de reclassering in samenwerking met het behandelend team de voortgang monitoren en indien nodig, gelet op het ontbreken van ziekte-inzicht en een eerdere onttrekking aan de behandeling, opschalen naar een intramurale, klinische opname en behandeling.
De psycholoog heeft ook onderzocht of het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. Daarvoor zijn zeker argumenten aanwezig.
De verdachte woonde nog thuis, heeft zich nog weinig maatschappelijk weten te voegen en maakt op de onderzoeker een jongere indruk dan zijn kalenderleeftijd. Er wordt echter niet geadviseerd het adolescentenstrafrecht (ASR) toe te passen. De vastgestelde problematiek vraagt een aanpak die meer gangbaar is binnen het volwassen-circuit en het is niet ondenkbaar dat de verdachte een langdurende behandeling nodig heeft. Tot slot is er geen nood aan (her)opvoeding en de psychopathologie is ook niet voor orthopedagogisch ingrijpen vatbaar.
Ook de reclassering heeft een rapport geschreven, gedateerd 22 december 2025. Daarin sluit zij zich aan bij wat de psycholoog heeft opgeschreven en adviseert zij positief over een reclasseringstoezicht en behandeling in ambulant kader. Ook volgt zij het advies van de psycholoog met betrekking tot het (niet) toepassen van ASR. Zij adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname.
Op basis van deze rapporten stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychotische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De rechtbank leidt hieruit en uit het dossier af dat de feiten op zijn minst in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het is duidelijk dat de verdachte de strekking en gevolgen van zijn handelen nauwelijks kon overzien onder invloed van de op dat moment aanwezige psychotische stoornis.
Toepassing ASR
De verdachte was 18 jaar oud toen hij de strafbare feiten pleegde. Daarom is door de psycholoog en de reclassering onderzocht of toepassing van het jeugdstrafrecht, zoals door de raadsman verzocht, aan de orde is. De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over, die er kort gezegd op neerkomt dat de problematiek van de verdachte niet voortkomt uit zijn jeugdige leeftijd, maar uit zijn psychotische stoornis. De geopperde behandeling past beter binnen het kader van het volwassenenstrafrecht. Binnen deze behandeling kan wel rekening worden gehouden met de persoonsspecifieke kenmerken van de verdachte, zoals zijn kinderlijke trekken. Bovendien bestaat er geen pedagogische hulpvraag en is er geen nood aan heropvoeding. Het ASR is daarom niet aangewezen. De verdachte zal worden berecht als volwassene. De rechtbank houdt in de hoogte van de straf wel rekening met de jonge leeftijd van de verdachte.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met verbale bedreiging is een gevangenisstraf van 6 maanden. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie voltooide straatroven en twee pogingen daartoe, wat tot oplegging van een forse gevangenisstraf zou leiden. Aan de andere kant houdt de rechtbank sterk rekening met de eerdergenoemde persoonlijke omstandigheden en vindt zij het vooral belangrijk dat de verdachte snel behandeld kan worden.
Daarom wordt een gevangenisstraf opgelegd van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen en ervoor te zorgen dat de verdachte de behandeling en begeleiding ontvangt die hij nodig heeft, gelet op zijn psychische problematiek.
Dadelijk uitvoerbaar
Gelet op de rapporten moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1]
Vordering [benadeelde 2]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 een bedrag van € 24 als vergoeding voor materiële schade (medicijnkosten) en € 800 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering [benadeelde 3]
heeft als benadeelde partij voor feit 3 een bedrag van € 700 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering [benadeelde 1]
heeft als benadeelde partij voor feit 4 een bedrag van € 2.000 als vergoeding voor materiële schade (inkomstenderving) en € 2.000 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering tot materiële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] kan worden toegewezen. De vordering tot materiële schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] is onvoldoende onderbouwd en voor dat deel moet hij niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering.
De vorderingen van de benadeelde partijen kunnen elk worden toegewezen tot een bedrag van € 700 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het hoger gevorderde bedrag moeten zij (ook) niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de vergoeding van de immateriële schade van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] te matigen naar respectievelijk € 600 en € 400. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] is onvoldoende onderbouwd en moet in zijn geheel worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij [benadeelde 2] rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder feit 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 24 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
De verdediging heeft het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] betwist. De rechtbank stelt vast dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partijen [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 1] hebben als gevolg van de strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partijen hebben voldoende onderbouwd dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast.
Die schade wordt naar billijkheid voor elke benadeelde partij begroot op € 500. De vorderingen worden tot dit bedrag toegewezen. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de handelwijze van de verdachte zoals in paragraaf 4.3.1 is beschreven. Daarbij merkt de rechtbank de aard en de gevolgen van het handelen van de verdachte bij de poging en de voltooide straatroof in dit geval aan als gelijkwaardig. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De benadeelde partijen worden in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 500 als vergoeding van immateriële schade aan elk van de benadeelde partijen moet betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 23 juli 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (deels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 60a en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 3, 4, 5 en 6, zoals in paragraaf 2.3.4 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in paragraaf 3.1 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat van deze gevangenisstraf 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
op psychische problematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
heft op de voorlopige hechtenis op de dag dat de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1) te betalen een bedrag van € 524, bestaande uit € 24 als vergoeding van materiële schade en € 500 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat € 524 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 3) te betalen een bedrag van € 500 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 3); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat € 500 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed;
[benadeelde 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 4) te betalen een bedrag van € 500 als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 23 juli 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 4); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 500 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.C. Tuinenburg, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 januari 2026.
Mr. Foppen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.