ECLI:NL:RBROT:2026:4686

ECLI:NL:RBROT:2026:4686

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer 10-060794-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door contante geldbedragen op haar rekening te (laten) storten en daarvan gebruik te maken. Er bestaat een gerechtvaardigd vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven hoe zij, zonder inkomen, aan dit geld kwam. De rechtbank acht daarom bewezen dat zij deze geldbedragen heeft witgewassen en legt de verdachte 60 uur taakstraf op, rekening houdend met het overschrijden van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10-060794-23

Datum uitspraak: 16 januari 2026

Datum zitting: 2 januari 2026

Tegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. J.J.J. van Rijsbergen

Officier van justitie: mr. E.M. ter Braak

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door contante geldbedragen op haar rekening te (laten) storten en daarvan gebruik te maken. Er bestaat een gerechtvaardigd vermoeden dat dit geld van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven hoe zij, zonder inkomen, aan dit geld kwam. De rechtbank acht daarom bewezen dat zij deze geldbedragen heeft witgewassen en legt de verdachte 60 uur taakstraf op, rekening houdend met het overschrijden van de redelijke termijn.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte van het - samengevat – witwassen van een geldbedrag van in totaal € 27.880.

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 mei 2016 tot en met 30 januari 2021, te Zevenbergen, gemeente Moerdijk althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen één of meerdere voorwerpen, te weten- contante geldbedragen ad in totaal 27.880,00 euro (contante stortingen van bankbiljetten vanaf 100 euro en contante stortingen boven 450 euro, pagina 20 dossier en pv bevindingen [nummer proces-verbaal 1] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk en/of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.

De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Proces-verbaal van de politie

Door de bank werd een overzicht aangeleverd van de gestorte geldbedragen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021 op de bankrekening op naam van [verdachte] , waaronder:

Op 6 juni 2017 werd € 100 gestort. Deze storting bestond uit 1 coupure van € 100.

Op 6 december 2017 werd € 100 gestort. Deze storting bestond uit 1 coupure van € 100.

Op 2 februari 2018 werd € 200 gestort. Deze storting bestond uit 2 coupures van € 100.

Op 30 oktober 2018 werd € 200 gestort. Deze storting bestond uit 2 coupures van € 100.

Op 16 april 2019 werd € 300 gestort. Deze storting bestond uit 3 coupures van € 100.

Op 27 januari 2020 werd € 410 gestort. Deze storting bestond uit 1 coupure van € 200, 1 coupure van € 50 en 8 coupures van € 20.

Er werd in het overzicht gekeken naar grote coupures. Daarvan werden de volgende aantallen gestort: 7 coupures van € 500, 12 coupures van € 200 en 138 coupures van € 100.

2. Proces-verbaal van de politie

Ik zag op de bankrekening van [verdachte] in de periode van 27 mei 2016 tot en met 30 januari 2021 106 contante stortingen op de bankrekening, waaronder:

27 mei 2016 € 500

15 juli 2016 € 900

3 oktober 2016 € 7.000

20 januari 2027 € 1.080

11 juli 2017 € 470

21 juli 2017 € 2.200

31 juli 2017 € 560

30 augustus 2017 € 600

10 augustus 2018 € 1.000

27 januari 2019 € 600

27 februari 2019, € 600

2 juli 2019 € 4.250

5 juli 2019 € 1.560

10 december 2019 € 1.000

30 januari 2020 € 750

19 februari 2020 € 500

26 maart 2020 € 500

1 mei 2020 € 500

15 juni 2020 € 1.500

30 januari 2021 € 500

Ik zag dat de stortingen grotendeels in Zevenbergen plaatsvonden.

3. Proces-verbaal van de politie

[verdachte] leeft in luxe, gaat jaarlijks naar het buitenland op vakantie terwijl dit volgens haar inkomsten en die van haar partner niet mogelijk is.

4. Proces-verbaal van de politie

Wanneer de vaste lasten met het inkomen verrekend is, blijkt dat er jaarlijks niet veel geld over blijft om van te leven. De jaarlijkse vaste lasten binnen het huishouden zijn aan de hoge kant ten opzichte van het jaarlijks inkomen. Wat opvalt, is dat er in het jaar 2020 de vaste lasten bijna twee keer zo hoog zijn als het inkomen.

5. Proces-verbaal van de politie

Na het bekijken van het zogenoemde besteedbaar inkomen is het opvallend dat de incidentele uitgaven elk jaar hoger liggen dan het besteedbaar inkomen.

Bewijsmotivering

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er tussen 27 mei 2016 en 30 januari 2021 vele contante stortingen zijn gedaan op het bankrekeningnummer van de verdachte. Van deze stortingen zijn de stortingen van een bedrag boven de € 450 en de stortingen die bestonden uit coupures van €100 of meer bij elkaar opgeteld. Dit bedrag komt uit op het in de beschuldiging opgenomen bedrag van € 27.880. De officier van justitie stelt dat dit totaalbedrag is witgewassen, omdat de verdachte geen inkomsten had en het besteedbare gezinsinkomen niet voldoende was om de vaste lasten en andere uitgaven van het gezin te voldoen. Het kan volgens de officier van justitie daarom niet anders dan dat de contante stortingen afkomstig waren uit misdrijf.

De eerste vraag die bij de rechtbank voorligt is of er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat. In de ten laste gelegde periode is een groot bedrag aan contante geldbedragen op de bankrekening van de verdachte gestort, ook in coupures die in het normale betalingsverkeer ongebruikelijk zijn. De verdachte had in de tenlastegelegde periode echter geen inkomen. Uit onderzoek van de politie blijkt verder dat, wanneer de vaste lasten van het gezin werden verrekend met het totale besteedbaar inkomen, er jaarlijks onvoldoende geld overbleef om van te leven. In het jaar 2020 waren de vaste lasten zelfs hoger dan het besteedbaar inkomen. Ook blijkt uit het dossier dat de (incidentele) uitgaven die het gezin in de jaren 2016 tot en met 2021 heeft gedaan ruim hoger lagen dan het besteedbaar inkomen. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank zonder meer het vermoeden gerechtvaardigd dat het geld dat de verdachte voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt uit enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank volgt dus niet het betoog van de raadsman dat inhoudt dat het totaalbedrag, uitgestreken over de ten laste gelegde periode, geen witwasvermoeden oplevert.

Nu er een vermoeden van witwassen is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft zich tijdens de politieverhoren beroepen op het zwijgrecht en is niet ter terechtzitting verschenen. Door de raadsman is ter zitting, namens de verdachte, opgemerkt dat zij ervan uit is gegaan dat het geld afkomstig was uit de pallethandel van haar partner en dat in die handel veel contant geld omgaat. De verdachte had, met andere woorden, niet kunnen weten of vermoeden dat de bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. De opmerkingen van de raadsman merkt de rechtbank niet aan als de in de gegeven omstandigheden vereiste verklaring over de herkomst van het contante geld. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het contante geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte (tenminste) bewust de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

zij in de periode van 27 mei 2016 tot en met 30 januari 2021 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, althans in Nederland, contante geldbedragen van in totaal 27.880,00 euro voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat dit voorwerp afkomstig was uit enig misdrijf.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

witwassen

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vijf jaar schuldig gemaakt aan witwassen. Er is in totaal een bedrag van € 27.880 contant op de bankrekening van de verdachte gestort, terwijl zij wist dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen. Zij heeft zich hier echter niet om bekommerd. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 9 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Redelijke termijn

De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 maart 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna vier jaar verstreken. Omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft gevolgen voor de op te leggen straf de rechtbank zal daar rekening mee houden bij de strafoplegging.

Oplegging straf

Gelet op de ernst van het strafbare feit en de overschrijding van de redelijke termijn vindt de rechtbank een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt, conform de eis van de officier van justitie, een taakstraf van 60 uur opgelegd.

5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

6. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit zoals in paragraaf 2.3.3 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in paragraaf 3.1 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 54 (vierenvijftig) uur taakstraf moet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I. Tillema, voorzitter,

en mrs. P.C. Tuinenburg en L.N. Foppen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 januari 2026.

Mr. Foppen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I. Tillema

Griffier

  • mr. S. Hoebe

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?