RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4828
(gemachtigde: mr. A. El Idrissi),
en
(gemachtigde: mr. S. Duinhouwer).
1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering) van eiseres over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 en de terugvordering van eiseres van € 3.176, 66. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht de IOAW-uitkering heeft herzien en € 3.176, 66 van eiseres heeft teruggevorderd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de IOAW-uitkering heeft herzien en € 3.176, 66 van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 24 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college de IOAW-uitkering van eiseres herzien over de periode van 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 (de periode) en een bedrag van € 3.176, 66 van eiseres teruggevorderd.
Met een besluit van 9 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het college heeft de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt een IOAW-uitkering. Met het formulier 'Melding verblijf buitenland' heeft eiseres op 4 januari 2023 gemeld dat zij van 9 januari 2023 tot en met
6 februari 2023 in het buitenland zou verblijven. Dit heeft zij besproken met haar contactpersoon van Werk & Inkomen (W&I).
Met de brief van 9 januari 2023 heeft W&I bevestigd dat eiseres met behoud van haar uitkering over de periode van 9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 in het buitenland mag verblijven. In totaal heeft zij recht op 28 dagen verblijf in het buitenland met behoud van uitkering.
Met de brief van 21 augustus 2024 is eiseres, in het kader van haar aanvraag om bijzondere bijstand, verzocht om bankafschriften te overleggen over de periode van 1 mei 2024 tot en met 31 juli 2024. Op de op 3 september 2024 overgelegde bankafschriften zijn over de periode van 25 juni 2024 tot en met 24 juli 2024 pintransacties geconstateerd in het buitenland, namelijk in Marokko. Eiseres heeft dit verblijf in het buitenland niet gemeld.
Met de brief van 10 september 2024 is verzocht om een kopie van de paspoortstempels en een kopie van de vliegtickets naar Marokko te overleggen.
Op 17 september 2024 heeft eiseres een kopie van haar paspoort overgelegd. Hierin staan drie stempels met ‘entrée 5 april 2023’, ‘entrée 8 juni 2023’ en ‘entrée 6 juni 2024’. Eiseres heeft ook vluchtgegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij op 6 juni 2024 naar Marokko zou vliegen en op 4 juli 2024 van Marokko zou terugvliegen naar Nederland. Het verblijf in het buitenland vanaf 5 april 2023 heeft eiseres niet gemeld. Op 24 september 2024 heeft eiseres verklaard dat zij in verband met de begrafenis van haar broer vanaf 5 april 2023 zes dagen in Marokko was. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen.
Met het betreden besluit heeft het college het bezwaar, onder wijziging van de motivering, ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode, nu niet kan worden vastgesteld dat zij toen in Nederland verbleef.
Het standpunt van eiseres
4. Eiseres betoogt dat zij slechts twee keer naar het buitenland is geweest, namelijk van 9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 en vanaf 5 april 2023 waarbij ze in verband met het overlijden van haar broer zes dagen in het buitenland heeft verbleven. Eiseres betwist uitdrukkelijk dat zij zich op of in het andere geval vanaf 8 juni 2023 opnieuw in het buitenland bevond. Van belang is dat in haar paspoort geen stempels te zien zijn van verlaten van Marokko, hetgeen duidt op een “fout” bij het stempelen (eiseres is immers niet op 8 juni 2023 naar Marokko afgereisd). Gelet hierop betoogt eiseres dat haar recht op bijstand wel is vast te stellen en dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich op dan wel vanaf 8 juni 2023 opnieuw in het buitenland bevond. Eiseres betoogt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan haar bijstand toch zou moeten worden verleend. Eiseres heeft het korte buitenlandse verblijf voor de begrafenis van haar broer niet tijdig aan het college gemeld vanwege de emotionele impact en het vele regelen in Marokko (zij was simpelweg “vergeten” de melding te doen). Eiseres betoogt dat het gelet op haar medische situatie en haar leeftijd onredelijk is om haar IOAW-uitkering te herzien en een bedrag van € 3.176,66 terug te vorderen.
Relevante wet- en regelgeving
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
6. Niet in geschil is dat eiseres de periode 9 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 in
het buitenland heeft verbleven, waarmee de maximaal toegelaten dagen van buitenlands verblijf voor 2023 was opgesoupeerd.
7. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, kon het college op grond van de paspoortstempels aannemen dat eiseres op 5 april en 8 juni 2023 in het buitenland verbleef. Het college heeft haar in staat gesteld aannemelijk te maken dat dit anders was, dan wel dat zij in de periode gedeeltelijk wél hier te lande verbleef, maar eiseres heeft daarover geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd. Nu eiseres niet onverwijld en uit eigen beweging haar verblijf in het buitenland heeft gemeld, stelt het college zich terecht op het standpunt dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat zij niet de gehele periode in het buitenland heeft verbleven, wat zij dus heeft nagelaten. Ook ter zitting heeft eiseres daarover niets naar voren gebracht. Ook over de beweerdelijk begrafenis van haar broer heeft eiseres geen harde gegevens overgelegd.
Nu niet is gebleken van een terugkeer naar Nederland in de periode kan het recht op bijstand daarover niet worden vastgesteld, zoals het college terecht vindt. Het college was dan ook bevoegd het recht op bijstand over de periode in te trekken en terug te vorderen.
8. Eiseres’ betoog dat er dringende redenen zijn om van de terugvordering af te zien, slaagt niet.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 25, zevende lid, van de Wet IOAW.
Zoals de Centrale Raad van Beroep in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
Op grond van wat eiseres naar voren heeft gebracht heeft het college bij de afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.
Allereerst wordt vastgesteld dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen, door toedoen van het college, maar door schending van de inlichtingenverplichting door eiseres. Het betoog over haar medische situatie heeft eiseres niet met medische stukken nader onderbouwd en is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende om dringende redenen aan te nemen om van de terugvordering af te zien. De door eiseres gestelde financiële gevolgen van de terugvordering leiden niet tot de conclusie dat het college tot een andere afweging van de betrokken belangen had moeten komen. Voor de financiële gevolgen van de terugvordering geldt namelijk dat eiseres bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gebleken is dat eiseres met het college een betalingsregeling heeft afgesproken voor de aflossing van de voorliggende vordering. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar onnodig nadelige gevolgen oplevert.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
Artikel 13, eerste lid
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door burgemeester en wethouders kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(..)
Artikel 17, derde lid
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van de uitkering, dan wel trekt een besluit tot toekenning van de uitkering in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering kan het college een besluit tot toekenning van uitkering herzien of intrekken, indien een gedraging als bedoeld in artikel 20, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 25, eerste en zevende lid
1. Het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, vordert de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(..)
7. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien.