ECLI:NL:RBROT:2026:4735

ECLI:NL:RBROT:2026:4735

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer C/10/706061 / FA RK 25-6703
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Artikel 1:253a BW. Afwijzing vervangende toestemming verhuizing. Noodzaak verhuizing met de minderjarige niet aangetoond. Hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de man bepaald. Zorgregeling wordt gewijzigd. Rechtbank verleent vervangende toestemming voor inschrijving op de basisschool.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/706061 / FA RK 25-6703

Beschikking van 17 februari 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de onderhoudsbijdrage en vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW

in de zaak van:

[naam man] , hierna: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaten mr. J.E.C. Verhoeff en mr. W.A. Graven te Den Haag,

t e g e n

[naam vrouw] , hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. S. Burger te Rotterdam.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 2 september 2025;

de berichten met bijlagen van de man van 29 september 2025 en 23 december 2025;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 december 2025;

het bericht met bijlagen van de man van 30 december 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 6 januari 2026. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door zijn advocaten;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 1] .

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 2 november 2023 ontbonden door inschrijving van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2023 in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 25 oktober 2023 hebben ondertekend en dat deel uitmaakt van de beschikking van 27 oktober 2023. Zij zijn daarin onder meer het volgende overeengekomen:

de minderjarige verblijft om en om een week bij elk van zijn ouders met als wisselmoment de dinsdag, waarbij de ouder waar de minderjarige tot dan verbleef hem naar de kinderopvang (nu gastouder) brengt en de ouder waar de minderjarige naartoe zal gaan hem daar ophaalt;

vanwege de gelijke verdeling van de zorg wordt geen hoofdverblijfplaats van de minderjarige bepaald;

vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;

beide partijen betalen de eigen verblijfskosten;

partijen maken voor de verblijfsoverstijgende kosten gebruik van een gezamenlijke kinderrekening, waar maandelijks de vrouw € 70,- en de man € 130,- op zullen storten.

3. De beoordeling

Hoofdverblijfplaats en verzoek tot verhuizing

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt zelfstandig haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar [plaatsnaam 1] te verhuizen en hem per 15 januari 2026 in te schrijven op het adres [adres] .

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats of een verhuizing, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).

Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:

de noodzaak om te verhuizen;

een goede voorbereiding van de verhuizing;

het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;

de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;

de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;

de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.

De rechtbank zal hierna deze omstandigheden beoordelen.

Noodzaak om te verhuizen

De vrouw heeft ter onderbouwing van de noodzaak om te verhuizen naar [plaatsnaam 1] ten eerste aangevoerd dat zij graag met haar huidige partner wil samenwonen. Hij heeft een (bedrijfs)woning in [plaatsnaam 1] die de vrouw en haar partner ten behoeve van de samenwoning hebben verbouwd. Het is voor de partner van de vrouw niet mogelijk om te verhuizen vanwege zijn bedrijf dat aan huis is gevestigd. Hiernaast geeft de vrouw aan dat de man een hersentumor heeft waarvoor hij is uitbehandeld. De man is zijn levensverwachting helaas al voorbij, aldus de vrouw. De vrouw wil voorkomen dat de minderjarige op een later moment, als hij al in [plaatsnaam 2] op de basisschool zit, uit zijn vertrouwde omgeving moet worden gehaald wanneer de man de zorg voor hem – hoe verdrietig ook – niet meer kan dragen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aangetoond dat er een noodzaak bestaat om te verhuizen naar [plaatsnaam 1] . De wens om met haar partner en haar beide kinderen in [plaatsnaam 1] te wonen is voor de rechtbank begrijpelijk en invoelbaar, maar dit maakt nog geen noodzaak. Weliswaar heeft de vrouw recht op en belang bij een nieuw leven op te bouwen met haar partner, maar die vrijheid wordt zoals gezegd beperkt door de belangen van onder meer de minderjarige. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw ook onvoldoende onderbouwd dat de gezondheidstoestand van de man zodanig is dat hij de zorg voor de minderjarige niet kan dragen. De medische situatie van de man rechtvaardigt ook niet dat op dit moment de minderjarige uit zijn vertrouwde omgeving bij de man wordt gehaald.

Goede voorbereiding van de verhuizing

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de verhuizing goed heeft voorbereid en doordacht. Zij heeft aangegeven dat zij de minderjarige gedurende de weekenden in [plaatsnaam 1] heeft laten wennen en dat zij heeft geïnformeerd naar een nieuwe gastouder en passende school voor de minderjarige. De woning is verbouwd en geschikt gemaakt voor bewoning door de vrouw, haar twee kinderen (waaronder de minderjarige) en haar huidige partner. Daarnaast heeft zij haar plannen rond de verhuizing besproken met de man en de vader van haar oudste kind.

Frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing en de compensatie voor de verminderingen van het contact

Op dit moment is de zorg voor de minderjarige tussen partijen gelijk verdeeld, waarbij de minderjarige afwisselend één week bij elke ouder verblijft. Partijen zijn het eens dat deze gelijke verdeling niet kan worden voortgezet als de vrouw met de minderjarige naar [plaatsnaam 1] verhuist. Gelet op de reisafstand tussen [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 1] van 110 kilometer, is volgens partijen vanaf het moment dat de minderjarige naar de basisschool gaat de enige reële optie een zogeheten weekendregeling. De enige compensatie die de vrouw hiervoor aanbiedt is dat de minderjarige 60% van de vakanties en feestdagen bij de man verblijft, maar de man zegt dit in verband met zijn werk niet te kunnen realiseren.

Een verhuizing naar [plaatsnaam 1] leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook, gelet op de huidige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling), tot een te ingrijpende inperking van het contact tussen de man en de minderjarige.

Bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder

De vrouw heeft sinds eind 2024 een affectieve relatie met haar huidige partner. De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe relatie van de vrouw gezien deze korte duur op dit moment onvoldoende bestendig is om een verhuizing met de minderjarige naar [plaatsnaam 1] te rechtvaardigen.

De mate waarin ouders in staat zijn tot overleg

Het is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt. Zo geeft de man aan dat hij via derden heeft gehoord over de voorgenomen verhuizing. Het is de insteek van beide partijen om de onderlinge communicatie te verbeteren, maar de zorg van de rechtbank is dat met een grotere fysieke afstand de communicatie alleen maar moeilijker wordt. Zo zal de vrouw de man meer op de hoogte moeten stellen van de ontwikkelingen van de minderjarige op school en is meer afstemming nodig over de zorgregeling. De rechtbank heeft onvoldoende vertrouwen dat partijen hiertoe in staat zijn.

Conclusie

Alle belangen tegen elkaar afwegend, wordt het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met de minderjarige naar [plaatsnaam 1] afgewezen.

Omdat de vrouw kenbaar heeft gemaakt ook zonder de minderjarige naar [plaatsnaam 1] te verhuizen, zal het verzoek van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats worden toegewezen. De rechtbank acht dat in het belang van de minderjarige. Dat betekent dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal worden bepaald.

Zorgregeling

De man verzoekt in het geval de minderjarige zijn hoofdverblijf bij hem heeft, de zorgregeling als volgt te wijzigen:

totdat de minderjarige naar de basisschool gaat zal hij om de week van donderdagmiddag vanuit de gastouder tot dinsdagochtend naar de gastouder bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de minderjarige donderdagmiddag ophaalt bij en dinsdagochtend brengt naar de gastouder;

vanaf het moment dat de minderjarige naar de basisschool gaat zal hij om de week van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 18:30 uur bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de minderjarige vrijdagmiddag ophaalt uit school en op zondag terugbrengt naar de man.

Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de vakanties en feestdagen als volgt bij helfte worden verdeeld:

zomer- en kerstvakantie: de verdeling zal ieder schooljaar in onderling overleg plaatsvinden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van [naam 2] (de halfzus van de minderjarige) bij de vrouw, en met de periodes waarin de kinderen van de partner van de man bij zijn partner verblijven;

herfstvakantie: bij de man in verband met zijn verjaardag;

voorjaarsvakantie: bij de vrouw;

meivakantie: de eerste week bij de vrouw in verband met haar verjaardag en in de tweede week bij de man.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt primair te bepalen dat de minderjarige vanaf juni 2026 (de schoolgaande leeftijd) één weekend per veertien dagen (oneven weken) bij de man zal verblijven van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 18:30 uur, waarbij de vrouw de minderjarige van school haalt en naar de man brengt en de man de minderjarige op zondag terugbrengt naar de vrouw, alsmede 60% van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te verdelen. Subsidiair verzoekt de vrouw te bepalen dat de minderjarige om het weekend in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend voor school bij de vrouw zal verblijven, waarbij de man de minderjarige op vrijdag uit school haalt en naar de vrouw brengt en de vrouw de minderjarige op maandagochtend naar school brengt.

De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Partijen zijn het erover eens dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat de vrouw inmiddels is verhuisd naar [plaatsnaam 1] . De rechtbank zal dan ook de wijziging van omstandigheden aannemen en overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.

Reguliere zorgregeling

Het primaire verzoek van de vrouw ziet op de situatie dat zij met de minderjarige in [plaatsnaam 1] zou wonen. Gelet op de afwijzing van het verzoek van de vrouw om met de minderjarige te verhuizen, zal dit verzoek ook worden afgewezen.

Totdat de minderjarige naar de basisschool gaat, acht de rechtbank de door de man verzochte zorgregeling in het belang van de minderjarige. De rechtbank zal conform dat verzoek beslissen.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over de situatie in het geval het verhuisverzoek van de vrouw wordt afgewezen en als gevolg daarvan de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft. Partijen zijn het in dat geval eens dat de minderjarige vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat, om de week vanaf vrijdagmiddag uit school bij de vrouw verblijft. De man verzoekt de zorgregeling tot zondag 18:30 uur te laten doorlopen, waarbij de vrouw het halen en brengen voor haar rekening neemt. De vrouw verzoekt daarentegen de zorgregeling tot maandagochtend naar school te laten doorlopen, waarbij het halen en brengen tussen partijen wordt verdeeld. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat hij na het omgangsweekend op tijd thuis is, zodat hij kan aarden en op tijd naar bed kan om de volgende dag naar school te gaan. Gelet op de reistijd, zal de rechtbank de zorgregeling laten eindigen op zondagavond 18:30 uur, zodat de minderjarige uiterlijk rond 20:00 uur bij de man is.

Wat het halen en brengen betreft, is de rechtbank van oordeel dat het het meest in het belang van de minderjarige is als dit door de ouders bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man op dit punt afwijzen en dat van de vrouw toewijzen, in zoverre dat de vrouw verantwoordelijk is voor het ophalen op de vrijdag en de man de minderjarige op zondagavond ophaalt bij de vrouw.

Vakanties en feestdagen

De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat een vakantie- en feestdagenregeling wordt vastgelegd. Het verzoek van de man, dat inhoudelijk niet door de vrouw is weersproken, zal op dit punt zal worden toegewezen.

Vervangende toestemming EMDR-behandeling en basisschool

De man verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen:

voor de EMDR-behandeling van de minderjarige bij Praktijk Groei;

de minderjarige in te schrijven op de [naam school] te [plaatsnaam 2] .

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.

EMDR-behandeling

Tijdens de mondelinge behandeling en uit de stukken is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de minderjarige hulpverlening nodig heeft. Partijen verschillen echter van mening over wanneer de hulpverlening moet starten en in welke vorm dat moet zijn. De rechtbank overweegt dat de noodzaak voor een EMDR-behandeling onvoldoende met stukken is onderbouwd, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De rechtbank raadt partijen aan samen in overleg te gaan met een kinderpsycholoog of andere deskundige om te bespreken wat de beste vorm van hulp voor de minderjarige is.

Basisschool

Ten aanzien van de basisschool stelt de vrouw dat zodra er duidelijkheid is over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, partijen met elkaar in overleg moeten over de schoolkeuze. De man heeft geen belang bij zijn verzoek, omdat nergens uit blijkt dat de vrouw geen medewerking zal verlenen, aldus de vrouw.

Gelet op de leeftijd van de minderjarige en de benodigde inschrijving op een basisschool, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarige dat er op korte termijn duidelijkheid is over naar welke basisschool hij zal gaan. De vrouw heeft zich niet gemotiveerd verzet tegen inschrijving op [naam school] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de man ten aanzien van deze basisschool toewijzen. Het staat partijen uiteraard vrij om alsnog in onderling overleg te gaan over de basisschool en samen tot een ander besluit te komen.

Onderhoudsbijdrage

De vrouw verzoekt wijziging van het ouderschapsplan van 25 oktober 2023 in die zin, dat wordt bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2026 aan de vrouw zal voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 453,- per maand.

Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het verzoek van de vrouw een voorwaardelijk verzoek betreft voor het geval zij met de minderjarige in [plaatsnaam 1] gaat wonen en de zorgregeling daarop wordt aangepast. Aangezien de vrouw geen vervangende toestemming krijgt om met de minderjarige te verhuizen, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dit voorwaardelijke verzoek. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

Uitvoerbaar bij voorraad

Omdat de rechtbank het voor de minderjarige belangrijk acht dat hij in zijn vertrouwde woonomgeving kan blijven en er een duidelijke zorgregeling loopt, wordt deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat deze beslissing direct geldt, ook in geval er hoger beroep wordt ingesteld. Het belang van duidelijkheid over de woonplaats van de minderjarige bij de man en continuïteit van de zorgregeling weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij behoud van de bestaande toestand (waarin zij met de minderjarige in [plaatsnaam 1] is) tot op een eventueel rechtsmiddel is beslist.

4. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2023 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 25 oktober 2023 in die zin dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld als volgt:

totdat de minderjarige naar de basisschool gaat verblijft hij om de week van donderdagmiddag vanuit de gastouder tot dinsdagochtend naar de gastouder bij de vrouw;

vanaf het moment dat de minderjarige naar de basisschool gaat verblijft de minderjarige om de week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.30 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw de minderjarige op vrijdagmiddag van school haalt en de man de minderjarige op zondagavond om 18:30 uur ophaalt bij de vrouw;

en wat betreft de vakantie- en feestdagen:

zomer- en kerstvakantie: de verdeling zal ieder schooljaar in onderling overleg plaatsvinden, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van [naam 2] (de halfzus van de minderjarige) bij de vrouw, en met de periodes waarin de kinderen van de partner van de man bij zijn partner verblijven;

herfstvakantie: bij de man in verband met zijn verjaardag;

voorjaarsvakantie: bij de vrouw;

meivakantie: de eerste week bij de vrouw in verband met haar verjaardag en in de tweede week bij de man;

verleent de man vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarige bij de [naam school] te [plaatsnaam 2] ;

bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, voorzitter tevens (kinder)rechter, en mr. E.M. Moerman en mr. M. van der Veer, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 17 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Egmond

Griffier

  • mr. C.A. Sedoc

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?